Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2415

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201700525/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9245, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft het college geweigerd de persoonsgegevens van [appellant] in de Basisregistratie personen (hierna: de brp) te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201700525/1/A3.

Datum uitspraak: 6 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2016 in zaak nr. 16/4043 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft het college geweigerd de persoonsgegevens van [appellant] in de Basisregistratie personen (hierna: de brp) te wijzigen.

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 december 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C. Lekkerkerker, is verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is in de brp geregistreerd als: [appellant], geboren op [1975] te Grozny (Sovjetunie). Bij brief van 24 december 2014 heeft hij het college verzocht deze gegevens te wijzigen in: [naam], geboren op [1975] te d.Oeroes-Martan (Rusland). Het college heeft bij het besluit van 25 juni 2015 geweigerd de geregistreerde gegevens te wijzigen, omdat niet onomstotelijk vaststaat dat deze onjuist zijn. Bij het besluit van 9 mei 2016 heeft het college dit besluit gehandhaafd.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft onderschreven dat niet onomstotelijk vaststaat dat de in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn. Hiertoe voert hij aan dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) hem bij brief van 2 juni 2014 de mogelijkheid tot identiteitsherstel heeft geboden, waarvan hij gebruikt heeft gemaakt. De gegevens van [naam] worden inmiddels ook door de IND gebruikt. Voorts voert hij aan dat hij een Russisch biometrisch paspoort op naam van [naam] heeft overgelegd en dat verwacht mag worden dat de Russische autoriteiten gedegen onderzoek doen alvorens zij een paspoort verstrekken. Volgens hem wordt ten onrechte meer waarde gehecht aan de door hem op 17 december 2009 afgelegde verklaring onder belofte dat hij [appellant] is, dan aan dat van vingerafdrukken en oogscans voorziene paspoort. Hij heeft in 2009 niet vermeld dat hij [naam] is, omdat hij vreesde te worden teruggestuurd naar Rusland. Voorts was er geen tolk aanwezig bij het afleggen van de verklaring onder belofte en het ondertekenen van de bijbehorende verklaring onder belofte omtrent geboorte. Daarom kan hij niet verantwoordelijk worden gehouden voor het in 2009 verstrekken van onjuiste persoonsgegevens, aldus [appellant].

2.1.     Persoonsgegevens van ingezetenen van Nederland worden door gemeenten bijgehouden in de brp. Bij de uitoefening van hun taken gaan de overheidsinstanties en verscheidene andere organisaties uit van de in de brp geregistreerde persoonsgegevens. De in de brp vermelde gegevens moeten daarom zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2552), zal voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze gegevens onjuist zijn.

2.2.    Volgens de op 17 december 2009 door [appellant] ondertekende verklaring onder belofte omtrent geboorte heeft hij op die dag ten overstaan van een ambtenaar Publiekszaken van de gemeente Rotterdam onder belofte verklaard dat hij [appellant], geboren op [1975] te Grozny (Sovjetunie) is, dat hij niet in het bezit is van een geldige geboorteakte of andere documenten waarin zijn geboortegegevens zijn vermeld, dat de verstrekte persoonsgegevens overeenkomstig de waarheid zijn, dat hij van tevoren heeft kennisgenomen van de inhoud van het informatieblad over de verklaring onder eed of belofte, dat hij begrijpt wat het afleggen van de verklaring inhoudt, dat het hem bekend is dat wijziging van de verklaring niet mogelijk is en dat het hem eveneens bekend is dat indien de verklaring niet op waarheid berust hij strafrechtelijk kan worden vervolgd. De persoonsgegevens in de verklaring onder belofte omtrent geboorte komen overeen met de in de brp geregistreerde gegevens van [appellant]. Het college hoefde in de door [appellant] gestelde omstandigheden ten tijde van het afleggen van de verklaring onder belofte en het ondertekenen van de verklaring onder belofte omtrent geboorte geen grond te zien om de geregistreerde gegevens onjuist te achten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] is om documenten pas te ondertekenen nadat hij de inhoud ervan heeft begrepen.

    [appellant] heeft op 6 oktober 2016 een kopie van een Russisch biometrisch paspoort overgelegd. Hij heeft echter niet duidelijk gemaakt op basis van welke brondocumenten dit paspoort is opgemaakt. Evenmin heeft hij toegelicht welk identificatieproces de Russische autoriteiten hebben doorlopen alvorens zij dit paspoort aan [appellant] hebben afgegeven. Het college hoefde er derhalve niet vanuit te gaan dat de in dit paspoort vermelde persoonsgegevens aan [appellant] toebehoren. De omstandigheid dat de IND inmiddels de gegevens van [naam] gebruikt, betekent op zichzelf evenmin dat de in de brp geregistreerde gegevens gewijzigd zouden moeten worden.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het voornemen van de IND om zijn verblijfsvergunning in te trekken in een vreemdelingenrechtelijke procedure aan de orde moet komen, waarbij ook ter sprake kan worden gebracht dat de IND hem in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet geen mogelijkheid tot identiteitsherstel heeft geboden. Hiertoe voert hij aan dat het voornemen van de IND om zijn verblijfsvergunning in te trekken het directe gevolg is van de weigering van het college om zijn gegevens in de brp te wijzigen. Door de brief van de IND van 2 juni 2014 is bij hem het vertrouwen gewekt dat hij zijn persoonsgegevens zonder problemen zou kunnen wijzigen. Hij beroept zich in dit kader op het vertrouwensbeginsel, het verbod op reformatio in peius en het nemo teneturbeginsel. De weigering van het college is volgens hem voorts onevenredig, omdat hem in de brief van 2 juni 2014 een laatste mogelijkheid tot identiteitsherstel is geboden, hij daarom, mede in het belang van zijn gezin, heeft besloten open kaart te spelen en hij nu Nederland dreigt te worden uitgezet, waarbij hij van zijn gezin zal worden gescheiden. Hij beroept zich in dit kader op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano (ECLI:EU:C:2011:124).

3.1.    Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de door [appellant] aangevoerde vreemdelingenrechtelijke argumenten bij haar beoordeling van het beroep had moeten betrekken. Die argumenten zien immers op handelingen van de IND, niet op die van het college. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zal voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens onomstotelijk moeten vaststaan dat deze gegevens onjuist zijn. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, is geen plaats voor een belangenafweging. [appellant] heeft voorts niet onderbouwd dat zijn verblijfsvergunning als direct gevolg van de besluitvorming van het college zal worden ingetrokken.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Hartsuiker

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017

620.