Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201609222/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:4877, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2015, medegedeeld bij brief van 3 juli 2015, heeft het college het pand aan het [locatie] in Groningen aangewezen als ‘gemeentelijk monument-light’.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0185
JOM 2017/953
JB 2017/172 met annotatie van L.J.M. Timmermans

Uitspraak

201609222/1/A2.

Datum uitspraak: 6 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 oktober 2016 in zaak nr. 16/474 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015, medegedeeld bij brief van 3 juli 2015, heeft het college het pand aan het [locatie] in Groningen aangewezen als ‘gemeentelijk monument-light’.

Bij besluit van 21 december 2015 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dit betrekking had op de kaart in de redengevende omschrijving, het besluit van 30 juni 2015 in stand gelaten onder aanpassing van de kaart in de redengevende omschrijving en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2017, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Willems, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het pand aan het [locatie] in Groningen (hierna: het pand). Het pand is een dubbel pakhuis dat stamt uit de 19e eeuw.

    Het college heeft bij besluit van 30 juni 2015 het pand aangewezen als een zogenoemd ‘gemeentelijk monument-light’. De redengevende omschrijving maakt onderdeel uit van dat besluit. In de redengevende omschrijving zijn alleen de voorgevel, de dakvorm en de dakbedekking van het pand als te beschermen onderdelen aangewezen. In het besluit staat dat de aanwijzing met zich brengt dat elke wijziging aan de in de redengevende omschrijving benoemde monumentale onderdelen in principe vergunningplichtig is.

    Het college heeft zich in het besluit van 21 december 2015, onder verwijzing naar het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie, op het standpunt gesteld dat het pand in aanmerking komt voor de monumentenstatus. De aanwijzing als monument-light betekent dat slechts bepaalde delen van het pand als beschermingswaardig zijn aangewezen. Het belang van het behoud van het cultureel erfgoed dat met de aanwijzing wordt gediend weegt volgens het college zwaarder dan de eventuele gevolgen die de aanwijzing voor de eigenaar met zich zouden kunnen brengen.

De uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard en het besluit van 21 december 2015 vernietigd, omdat dat besluit in strijd met artikel 2 van de Erfgoedverordening 2010 gemeente Groningen (hierna: de Erfgoedverordening 2010) is genomen. Het college heeft met de aanwijzing van het pand als ‘gemeentelijk monument-light’ kennelijk bedoeld om slechts onderdelen van het pand aan te wijzen als monument. De Erfgoedverordening 2010 kent evenwel alleen de mogelijkheid om het gehele pand als monument aan te wijzen. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, welke rechtsgevolgen de rechtbank heeft aangeduid als de aanwijzing van het gehele pand als gemeentelijk monument, in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college in redelijkheid het algemeen belang van het behoud van het cultureel erfgoed zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de bijkomende verplichtingen en de eventuele beperkingen die aan de aanwijzing zijn verbonden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de beschermingswaardigheid van het pand als zodanig niet in geschil is.

Wettelijk kader

3.    Monumentenwet 1988, zoals deze luidde tot 1 juli 2016

Artikel 1

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

b. monumenten:

1. vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde;

[…]"

Erfgoedverordening 2010

Artikel 1

"Deze verordening verstaat onder:

a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

[…]"

Artikel 2

"1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een zaak of terrein aanwijzen als gemeentelijk monument.

[…]"

Hoger beroep

4.    Het hoger beroep is gericht tegen het door de rechtbank in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2015.

    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet bevoegd was om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, welke rechtsgevolgen door de rechtbank zijn aangeduid als de aanwijzing van het gehele pand als gemeentelijk monument, in stand te laten. De rechtbank heeft daarmee een hoger beschermingsniveau op het pand gelegd, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2015 zijn uitgebreid. Voorts betwist hij de beschermingswaardigheid van het pand. De aanwijzing van het gehele pand als gemeentelijk monument is in deze procedure nooit aan de orde geweest, waardoor hij zich daar niet over heeft kunnen uitlaten. Ook wordt hem het recht om bezwaar te maken tegen die aanwijzing ontnomen, aldus [appellant].

4.1.    Het college heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Daardoor heeft in hoger beroep te gelden dat de Erfgoedverordening 2010 geen mogelijkheid kent om een gebouw gedeeltelijk, in de vorm van onderdelen ervan, als gemeentelijk monument aan te wijzen. Het college heeft met het besluit van 21 december 2015, waarbij het besluit van 30 juni 2015 is gehandhaafd, beoogd om het pand gedeeltelijk als gemeentelijk monument aan te wijzen. Door het college is dit aangeduid met de term "gemeentelijk monument-light", waarbij slechts de onderdelen van een gebouw worden beschermd die zijn benoemd in de redengevende omschrijving. De rechtbank is eraan voorbij gegaan dat als [appellant] geen rechtsmiddelen tegen het aanwijzingsbesluit had aangewend, het besluit onaantastbaar zou zijn geworden. In die situatie zou geen vergunning nodig zijn voor het aanbrengen van wijzigingen voor het gedeelte van het pand dat het college niet had aangewezen als gemeentelijk monument. Doordat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2015 in stand heeft gelaten en deze rechtsgevolgen heeft aangeduid als de aanwijzing van het gehele pand als gemeentelijk monument, dient [appellant] ook een vergunning aan te vragen voor wijzigingen aan onderdelen van het pand die in de redengevende omschrijving niet als beschermingswaardig zijn aangemerkt. Het college heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat het momenteel geen extra leges heft voor de behandeling van de aanvraag van een dergelijke vergunning. Dat laat echter een toekomstige leges-heffing onverlet. Bovendien kost het aanvragen en het wachten op een besluit op die aanvraag [appellant] tijd en moeite, wat het college juist had willen voorkomen. Daarmee is hij door de uitspraak van de rechtbank in een ongunstiger positie komen te verkeren dan waarin hij voor het instellen van beroep bij de rechtbank verkeerde, hetgeen in strijd is met het zogeheten verbod op reformatio in peius. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 december 2015 in stand gelaten.

4.2.    Het betoog slaagt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 december 2015 in stand heeft gelaten. In plaats daarvan had de rechtbank het besluit van 30 juni 2015 dienen te herroepen. De Afdeling zal op die wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6.    Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling, dat zij met deze uitspraak niet vooruit loopt op een oordeel over een mogelijke ambtshalve aanwijzing van het gehele pand als gemeentelijk monument onder de huidige verordening of van een gedeelte van het pand onder een eventuele nieuwe verordening, waarover ter zitting is gesproken. Dat staat los van deze procedure en gaat de omvang van het geding te buiten.

7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 oktober 2016 in zaak nr. 16/474, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 december 2015 in stand heeft gelaten;

III.    herroept het besluit van 30 juni 2015, kenmerk 5100054;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Polak    w.g. Dallinga

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017

18-809.