Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201606669/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4560, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2015 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 11.100,00 wegens dertien overtredingen van artikel 5.5:3 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: het Atbv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606669/1/A3.

Datum uitspraak: 6 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 juli 2016 in zaak nr. 16/1467 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2015 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 11.100,00 wegens dertien overtredingen van artikel 5.5:3 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: het Atbv).

Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.E. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.J. het Hart, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De relevante bepalingen uit Richtlijn 2014/112/EU van de Raad van 19 december 2014 tot uitvoering van de Europese Overeenkomst betreffende de regeling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart die is gesloten door de Europese Binnenvaartunie (EBU), de Europese Schippersorganisatie (ESO) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) (PB 2014, L 367; hierna: Richtlijn 2014/112), het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (hierna: het Rsp), de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), het Wetboek van Strafrecht, de Arbeidstijdenwet, de Binnenvaartwet, het Atbv, het besluit van 1 december 2016 tot wijziging van Arbeidstijdenbesluit en het [Atbv] in verband met Richtlijn 2014/112 […] (hierna: besluit van 1 december 2016 tot wijziging van het Atbv) en de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (binnenvaart) (hierna: de Beleidsregel) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2. Bij brief van 11 februari 2015, gericht aan [appellante], heeft een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie (hierna: het ILT) in het kader van het toezicht op de Binnenvaartwet en de Arbeidstijdenwet een bedrijfsinspectie aangekondigd voor het [motorschip] met scheepsidentificatienummer 02327262 (hierna: het motorschip). Aan de hand van door [appellante] overgelegde bescheiden heeft de inspecteur op 2 juni 2015 op ambtseed een boeterapport opgemaakt. Het boeterapport vermeldt dat het motorschip een binnenschip is waarmee in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2015 op de binnenwateren is gevaren, zodat de Binnenvaartwet daarop van toepassing is. Het boeterapport vermeldt voorts dat [appellante] met de exploitatie van het motorschip in januari 2015, gezien het vaartijdenboek en de uitdraai van de tachograaf, dertien keer artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv heeft overtreden.

Het besluit van 28 januari 2016

3. Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de minister het besluit van 10 september 2015 gehandhaafd. De minister heeft [appellante] een boete van € 11.100,00 opgelegd, omdat [appellante] in januari 2015 ten aanzien van drie bemanningsleden in totaal dertien keer artikel 5.5:3 van het Atbv heeft overtreden. Deze overtredingen houden in dat [appellante] in die gevallen de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat het desbetreffende bemanningslid, die arbeid heeft verricht bij exploitatiewijze A1, een ononderbroken rusttijd buiten vaartijd heeft gehad van tenminste 8 uren in een aaneengesloten tijdsruimte van 24 uren, te rekenen vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 8 uren. De minister heeft de in de Beleidsregel vermelde feitcodes ATB-v 5.5.07 tot en met ATB-v 5.5.11 toegepast.

Het hoger beroep

4. [ appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan haar in eerste aanleg aangevoerde betoog dat artikel 5.5:3 van het Atbv geen betrekking heeft op boventallige bemanningsleden, maar uitsluitend op de bij de gekozen exploitatiewijze behorende minimumbemanning als bedoeld in het Rsp. Gezien dit in eerste aanleg aangevoerde betoog is niet artikel 5.5:3, tweede lid, van het Atbv, maar artikel 5.1:2, eerste lid, op boventallige bemanningsleden van toepassing. [appellante] voert in dit kader nog aan dat het motorschip, blijkens het ten behoeve daarvan afgegeven en bij het boeterapport bijgevoegde certificaat van onderzoek ongeveer 135 m lang is en aan uitrustingsstandaard S2 voldoet, zodat de minimumbemanning bij exploitatiewijze A1 ingevolge artikel 3.15, eerste lid, van het Rsp moet bestaan uit één schipper, één stuurman en één lichtmatroos. De bemanning aan boord van het motorschip bestond in januari 2015 uit één schipper, twee stuurmannen en één matroos. Het motorschip heeft derhalve in januari 2015 met één boventallig bemanningslid gevaren, omdat een lichtmatroos mag worden vervangen door een stuurman of een matroos.

4.1.

Uit de door [appellante] in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden blijkt niet dat zij in beroep heeft aangevoerd dat artikel 5.5:3 van het Atbv uitsluitend betrekking heeft op de minimumbemanning. Voor zover het betoog in hoger beroep moet worden opgevat als zou de rechtbank de strekking van die bepaling niet hebben onderkend, kan [appellante] niet worden gevolgd in hetgeen zij over die bepaling aanvoert. Ingevolge artikel 5.1:1, aanhef en onder a, van het Atbv, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet, ziet het begrip 'bemanningslid' in artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv immers op een ieder die zich als schipper, stuurman, machinist, volmatroos, matroos-motordrijver, matroos, lichtmatroos, lid van het veiligheidspersoneel of deksman aan boord van een schip bevindt.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister artikel 5.5:3 van het Atbv in dit geval op onjuiste wijze heeft toegepast. [appellante] voert daartoe aan dat een boventallig bemanningslid werk van de minimumbemanning kan overnemen, zodat met minder rust kan worden volstaan.

5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de ingevolge artikel 5.5.3 van het Atbv geldende rusttijden niet op alle bemanningsleden van toepassing zijn.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan de e-mail van A.C. Drost, senior politiemedewerker bij de Dienst Infrastructuur, van 27 januari 2016 niet de door [appellante] beoogde betekenis kan worden gehecht omdat alle bemanningsleden in het vaartijdenboek zijn geregistreerd en daarin niet is vermeld dat één van hen uitsluitend voor laad- en loshandelingen aan boord was. [appellante] voert daartoe aan dat de minister zich niet op het standpunt heeft gesteld dat hij ter zake van het boventallige bemanningslid van boeteoplegging zou hebben afgezien, indien over dat bemanningslid een dergelijke vermelding in het vaartijdenboek zou zijn opgenomen.

6.1.

Het betoog faalt, reeds omdat [appellante] zich beroept op een situatie die hier niet aan de orde is. Een vermelding als hier bedoeld, is immers niet in het vaartijdenboek opgenomen.

7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat alle bemanningsleden konden en mochten rusten aan boord van het motorschip, zodat de boete ten onrechte is opgelegd wegens de omstandigheid dat de arbeid niet zodanig was georganiseerd dat de bemanningsleden voldoende buiten vaartijd hebben kunnen rusten. [appellante] voert daartoe aan dat het motorschip, blijkens het certificaat van onderzoek, zodanig is uitgerust dat het niet alleen geschikt is voor exploitatiewijze A1, de dagvaart, maar ook voor exploitatiewijze A2, de semi-continuvaart, en exploitatiewijze B, de continuvaart, als bedoeld in artikel 3.10 van het Rsp. Dat betekent dat het motorschip in technisch opzicht geschikt is voor de continuvaart en dat de bemanning derhalve tijdens de vaart aan boord kan rusten. De bemanningsleden hebben in januari 2015 steeds, dan wel veelal, voldoende rust genoten, zij het dat zij gedeeltelijk tijdens de vaart hebben gerust. [appellante] beroept zich voorts op artikel 5.1:2, eerste lid, van het Atbv en stelt dat deze bepaling leidend moet zijn bij de uitleg en toepassing van artikel 5.5:3, tweede lid.

7.1.

Anders dan [appellante] stelt, is artikel 5.1:1, aanhef en onder c, van het Atbv leidend voor de uitleg van het begrip 'rusttijd' in hoofdstuk 5. Ingevolge deze bepaling wordt in hoofdstuk 5 onder rusttijd verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3:11 van het Rsp. Nu de ononderbroken rusttijd bij exploitatiewijze A1 ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van het Rsp buiten vaartijd moet zijn gelegen, bestaat geen grond voor het oordeel dat deze rusttijd, gezien artikel 5.1:2, eerste lid, van het Atbv, in de vaartijd mag zijn gelegen. Voorts laat de stelling van [appellante] dat het motorschip geschikt is voor exploitatiewijze A2 en B onverlet dat ten tijde van de geconstateerde overtredingen met het motorschip in exploitatiewijze A1 is gevaren. De bemanning aan boord van het motorschip voldeed toentertijd immers niet aan de bij exploitatiewijze A2 of B behorende minimumbemanning als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van het Rsp, zodat reeds daarom geen wisseling naar exploitatiewijze A2 of B heeft kunnen plaatsvinden. Dat brengt met zich dat [appellante] de arbeid overeenkomstig artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv had moeten organiseren en dat de ononderbroken rusttijd volledig buiten de vaartijd had moeten liggen.

Het betoog faalt.

8. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de constatering dat de bemanningsleden niet met inachtneming van de geldende rusttijden hebben gerust, geen grond biedt voor de conclusie dat [appellante] de arbeid niet in overeenstemming met het Atbv heeft georganiseerd. [appellante] voert daartoe aan dat artikel 5.5:3, eerste lid, geen resultaatverplichting inhoudt. Voorts voert zij aan dat uit niets blijkt dat zij de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de geldende rusttijden konden worden genoten.

8.1.

Anders dan [appellante] aanvoert, legt artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv de werkgever de verplichting op de arbeid zodanig te organiseren dat een bemanningslid bij wijze van resultaat daadwerkelijk de in deze bepaling omschreven rusttijd heeft.

Het betoog faalt.

9. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar betoog dat de boete onevenredig is niet kan slagen. [appellante] wijst hierbij op de omstandigheid dat het motorschip in januari 2015 heeft gevaren met een boventallig bemanningslid. Verder wijst zij erop dat de bemanningsleden in januari 2015 steeds, dan wel veelal, voldoende rust hebben genoten, zij het dat zij gedeeltelijk tijdens de vaart hebben gerust aan boord van het motorschip dat in technisch opzicht daarvoor geschikt is. Voorts stelt [appellante] dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat zij de bemanning, het motorschip of de scheepvaart op enig moment als gevolg van het rusten tijdens de vaart, in gevaar heeft gebracht. Ten slotte wijst [appellante] op clausule 2, aanhef en onder d, en clausule 7 van de bijlage bij Richtlijn 2014/112, waaruit, naar zij stelt, volgt dat in internationaal verband niet wordt geëist dat buiten vaartijd wordt gerust.

9.1.

Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. Het bestuursorgaan moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient de minister bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

9.2.

De Afdeling acht de Beleidsregel, voor zover de minister daaraan in deze zaak toepassing heeft gegeven, niet onredelijk. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1, 5.1 en 7.1 is overwogen, is in de door [appellante] aangevoerde omstandigheden betreffende het boventallige bemanningslid, de rust tijdens de vaart en de technische geschiktheid daartoe van het motorschip, op zichzelf noch in samenhang bezien, grond gelegen voor matiging van de boete. De minister heeft ter zitting van de Afdeling, onder verwijzing naar de bekwaamheidseisen waaraan bemanningsleden op binnenvaartschepen moeten voldoen, bovendien toegelicht dat het van belang is om niet in strijd met artikel 5.5:3 van het Atbv tijdens de vaartijd te rusten, omdat beroepservaring, uitgedrukt in jaren vaartijd, een wezenlijk onderdeel uitmaakt van die bekwaamheidseisen, neergelegd in onder meer artikel 3.02 van het Rsp. Voorts is de daadwerkelijke gevaarzetting geen bestanddeel van de overtreding van artikel 5.5:3 van het Atbv, zodat ook in de stelling van [appellante] dat onaannemelijk is dat, als gevolg van de rust binnen vaartijd, gevaarzetting heeft plaatsgevonden, geen grond voor matiging is gelegen. Ten slotte bevat Richtlijn 2014/112, gezien artikel 2, eerste lid, en clausule 17, eerste lid, van de bijlage, minimumnormen. Blijkens het besluit van 1 december 2016 tot wijziging van het Atbv is bij de implementatie van Richtlijn 2014/112 in Nederlandse regelgeving van deze minimumnormen afgeweken in die zin dat de bij exploitatiewijze A1 behorende rusttijden ongewijzigd zijn gebleven. Nu Richtlijn 2014/112 niet heeft geleid tot regelgeving die, zou die ten tijde van de geconstateerde overtredingen hebben gegolden, tot het niet opleggen van een boete of tot een lagere boete zou hebben geleid, is in het beroep van [appellante] op Richtlijn 2014/112 evenmin grond gelegen voor matiging van de boete.

Het betoog faalt.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Slump w.g. Robben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017

610.

BIJLAGE

Richtlijn 2014/112

Artikel 1

Deze richtlijn dient ter uitvoering van de Europese Overeenkomst betreffende de regeling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart, gesloten op 15 februari 2012 door de [EBU], de [ESO] en de [ETF], als vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

1. De lidstaten kunnen gunstiger voorschriften dan de in deze richtlijn opgenomen voorschriften handhaven of invoeren.

2. De uitvoering van deze richtlijn vormt in geen enkel geval een rechtvaardiging voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers op de onder deze richtlijn vallende gebieden. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten en de sociale partners om in het licht van de ontwikkelingen andersluidende wettelijke, bestuursrechtelijke en contractuele bepalingen aan te nemen dan die welke op het tijdstip van de goedkeuring van deze richtlijn van kracht zijn, mits wordt voldaan aan de minimumeisen van deze richtlijn.

3. De toepassing en interpretatie van deze richtlijn laat andere Unie-of nationale bepalingen, gebruiken of praktijken die de betrokken werknemers gunstiger voorwaarden bieden, onverlet.

Artikel 4

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Bijlage Europese Overeenkomst betreffende de regeling van een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart

Clausule 1

Toepassingsgebied

1. Deze overeenkomst geldt voor mobiele werknemers die als lid van het varend personeel (bemanning) of in een andere functie (boordpersoneel) werkzaam zijn aan boord van een vaartuig dat op het grondgebied van een lidstaat in de commerciële binnenvaart wordt ingezet.

3. Deze overeenkomst doet geen afbreuk aan de nationale of internationale voorschriften voor de veiligheid van de scheepvaart die op mobiele werknemers […] van toepassing zijn.

4. Indien bij mobiele werknemers verschillen qua rusttijden tussen deze overeenkomst en de nationale en internationale voorschriften voor de veiligheid van de scheepvaart bestaan, wordt voorrang verleend aan de bepalingen die een hogere bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers garanderen.

Clausule 2

Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

[…];

d) „rusttijd": de tijd buiten de werktijd; dit begrip omvat rusttijden op het varende vaartuig, op het stilliggende vaartuig of aan land. Korte rustpauzes (tot 15 minuten) zijn niet inbegrepen;

[…].

Clausule 7

Rusttijden

De werknemers moeten beschikken over regelmatige, in tijdseenheden uitgedrukte rustperioden die voldoende lang en ononderbroken zijn om ervoor te zorgen dat de werknemers als gevolg van oververmoeidheid of wegens een onregelmatig arbeidsritme geen letsel toebrengen aan zichzelf, hun collega's of anderen en hun gezondheid op korte of lange termijn niet schaden.

De rusttijd mag niet korter zijn dan:

a. a) 10 uur in elke periode van 24 uur en, waarvan minstens 6 uren ononderbroken, en

b) 84 uur in elke periode van zeven dagen.

Clausule 17

Slotbepalingen

1. Gunstiger bepalingen

Het recht van de lidstaten,

a. a) wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te handhaven of in te voeren, of

b) de toepassing van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners te bevorderen of toe te staan,

die voor de veiligheid en de gezondheidsbescherming van de werknemers gunstiger zijn dan de bepalingen in deze overeenkomst, blijft onverlet.

2. Non-regressieclausule

De uitvoering van deze overeenkomst mag in geen geval als rechtvaardiging voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de onder deze overeenkomst vallende werknemers worden gebruikt.

Het Rsp

Artikel 3.02

De leden van de bemanning moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

1. voor de deksman: een minimumleeftijd van16 jaar;

2. voor de lichtmatroos (scheepsjongen): een minimumleeftijd van 15 jaar en het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving bij een opleiding die bestaat uit het bezoekenvan een vakschool voor schippers of het volgenvan een door de bevoegde autoriteit erkende, schriftelijke cursus die voor een gelijkwaardig diploma opleidt;

3. voor de matroos:

a. a) een minimumleeftijd van 17 jaar en

- een met goed gevolg afgeronde opleiding zoals genoemd in het tweede lid, of

- een met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een vakschool voor schippers, of

- een met goed gevolg afgelegd, door een bevoegde autoriteit erkend examen voor matroos;

of

b) een minimumleeftijd van 19 jaar en

een vaartijd als lid van een dekbemanning van ten minste drie jaar hebben, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart en twee jaar hetzij in de binnenvaart, hetzij in de zee- of kustvaart dan wel de visserij vervuld moeten zijn;

4. voor de matroos-motordrijver:

a. a) de bekwaamheid als matroos hebben en een met goed gevolg afgelegd, door de bevoegde autoriteit erkend examen voor matroos-motordrijver;

of

b) een vaartijd van ten minste 1 jaar als matroos op een gemotoriseerd binnenschip hebben, en beschikken over elementaire kennis op het gebied van motoren;

5. voor de volmatroos:

a. a) een vaartijd van ten minste één jaar als matroos in de binnenvaart en

- een met goed gevolg afgeronde opleiding, zoals genoemd in het tweede lid, of

- een met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een vakschool voor schippers, of

- een met goed gevolg afgelegd, door een bevoegde autoriteit erkend examen voor matroos,

of

b) een met goed gevolg afgesloten driejarige opleiding als bedoeld in het tweede lid of een met goed gevolg afgelegd eindexamen na een opleiding van ten minste 3 jaar aan een vakschool voor schippers, indien deze opleiding ten minste één jaar vaartijd in de binnenvaart omvat;

of

c) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste één jaar als matroos, zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel b, en een met goed gevolg afgelegd praktijkexamen als bedoeld in bijlage D7, onderdeel 3.1, van dit reglement;

of

d) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste twee jaar als matroos, zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel b;

6. voor de stuurman:

a. a) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste één jaar als volmatroos of van ten minste drie jaar als matroos, zoals bedoeld in het derde lid, onder b;

of

b) het bezit van een vaarbewijs, afgegeven overeenkomstig Richtlijn 96/50/EG, of van een vaarbewijs zo als bedoeld in bijlage I van Richtlijn 91/672/EEG;

of

c) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste vier jaar en het bezit van een aan het grote patent gelijkwaardig vaarbevoegdheidsbewijs;

7. voor de schipper:

hetzij een overeenkomstig dit reglement afgegeven Rijnpatent, hetzij een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs voor het desbetreffende scheepstype en de desbetreffende scheepsgrootte, alsmede het bewijs voor het te bevaren riviergedeelte overeenkomstig artikel 6.02 van dit reglement;

8. voor de machinist:

a. a) een minimumleeftijd van 18 jaar en een met goed gevolg afgelegd eindexamen van een vakopleiding op het gebied van motoren of werktuigbouwkunde;

of

b) een minimumleeftijd van 19 jaar en een vaartijd van ten minste 2 jaar als matroos-motordrijver op een gemotoriseerd binnenschip.

[…]

Artikel 3.10

1. Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen:

A1 vaart van ten hoogste 14 uur,

A2 vaart van ten hoogste 18 uur,

B vaart van ten hoogste 24 uur,

telkens binnen een periode van 24 uur.

Artikel 3.11

1. Bij exploitatiewijze A1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van acht uur buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van acht uur.

2. Bij exploitatiewijze A2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur ononderbroken buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van zes uur. Voor bemanningsleden onder de 18 jaar moet een ononderbroken rusttijd van acht uur in acht worden genomen waarvan zes uur buiten de vaartijd.

3. Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uur per periode van 48 uur, waarvan ten minste twee maal zes uur ononderbroken moeten zijn.

4. Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet voor enigerlei taak worden ingezet, ook niet om toezicht te houden of stand-by te zijn. De in de politievoorschriften bedoelde wacht- en toezichtstaken voor stilliggende vaartuigen worden niet als taak in de zin van dit lid beschouwd.

Artikel 3.15

1. De minimumbemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit:

1) De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.

2) De stuurman moet in het bezit zijn van het overeenkomstig dit reglement vereiste schipperspatent.

De Awb

Artikel 5:46

1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Het Wetboek van strafrecht

Artikel 1

2. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

Artikel 23

3. De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald.

4 Er zijn zes categorieën:

[…];

de vijfde categorie, € 67 000 [Red: Per 1 januari 2014: € 81.000.];

[…].

De Binnenvaartwet

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

[…]

bemanningslid: ieder die zich als schipper, stuurman, machinist, volmatroos, matroos-motordrijver, matroos, lichtmatroos, lid van het veiligheidspersoneel of deksman aan boord van een schip bevindt;

[…].

Artikel 3

Deze wet is van toepassing op de binnenwateren.

Artikel 4

Deze wet is niet van toepassing op schepen:

a. in het beheer van het Ministerie van Defensie; of

b. behorende tot een buitenlandse krijgsmacht.

De Arbeidstijdenwet

Artikel 5:12

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met uitzondering van arbeid verricht door defensiepersoneel, regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van arbeid verricht door:

a. personen, werkzaam in of op railvoertuigen of motorrijtuigen;

b. personen, werkzaam aan boord van luchtvaartuigen, zee- of binnenschepen;

c. loodsen.

Artikel 10:5

2. Voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft legt een daartoe door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister tezamen aangewezen ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

Artikel 10:7

1. De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het Atbv, zoals dat luidde in januari 2015

Artikel 5.1:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. bemanningslid: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;

[…];

c. rusttijd: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.11 van het [Rsp];

d. exploitatiewijze A1, exploitatiewijze A2 en exploitatiewijze B: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.10 van het [Rsp].

Artikel 5.1:2

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt de periode waarop de arbeid van het bemanningslid zich beperkt tot de aanwezigheid op het schip, zonder dat hij zijn taken uitoefent, eveneens als rusttijd.

Artikel 5.3:1

1. Met uitsluiting van hetgeen in het Arbeidstijdenbesluit is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op arbeid, verricht door een bemanningslid aan boord van schepen waarop de Binnenvaartwet van toepassing is.

Artikel 5.5:3

1. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat arbeid verricht bij exploitatiewijze A1, een ononderbroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, te rekenen vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 8 uren.

2. De in het eerste lid bedoelde rusttijd is gelegen buiten de vaartijd.

Artikel 8:3A

Het niet naleven van [artikel] 5.5:3, eerste lid, […] levert een overtreding op.

het besluit van 1 december 2016 tot wijziging van het Atbv

ARTIKEL III

Het [Atbv] wordt als volgt gewijzigd:

[…]

Artikel 5.5:3 Rusttijd

1. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat werknemer is en arbeid verricht bij exploitatiewijze A1 of A2, een rusttijd heeft van ten minste 10 uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren.

2. De in het eerste lid bedoelde rusttijd is:

a. bij exploitatiewijze A1 ten minste 8 uren ononderbroken en wordt berekend vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 8 uren;

b. bij exploitatiewijze A2 ten minste 6 uren ononderbroken en wordt berekend vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 6 uren, en

c. voor zover het ononderbroken rusttijd betreft, buiten de vaartijd gelegen.

[…]

Artikel 8:3a Overtredingen binnenvaart

Het niet naleven van de artikelen 5.4:1, 5.4:2, 5.5:2 tot en met 5.5:5a, 5.5:5b, tweede lid, 5.5:6 en 5.5:7 is een overtreding.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 31 december 2016.

De Beleidsregel

Artikel 1

Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen die als zodanig bij of krachtens de Arbeidstijdenwet zijn aangemerkt en die betrekking hebben op arbeid verricht door personen op binnenschepen bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel b, van de Arbeidstijdenwet.

Artikel 2

Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet worden voor alle overtredingen de normbedragen gehanteerd die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de Tarieflijst normbedragen bestuurlijke boete binnenvaart die als bijlage bij deze beleidsregel is gevoegd.

Artikel 3

1. De totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, in geval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.

Bijlage Tarieflijst normbedragen bestuurlijke boete binnenvaart