Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
201603961/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A] in Nieuwersluis" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603961/1/R2.

Datum uitspraak: 1 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Nieuwersluis, gemeente Stichtse Vecht,

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A] in Nieuwersluis" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2017, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door L. van de Craats-Voorthuijsen, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als belanghebbende, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan voorziet in de herontwikkeling van een deel van de historische buitenplaats Hunthum. De buitenplaats ligt ten zuiden van de kern Nieuwersluis en ten oosten van de Vecht ter plaatse van het perceel [locatie A]. Het plangebied beslaat 6,3 hectare van de buitenplaats.

Met het plan is het herstel en het behoud van de buitenplaats beoogd door het verplaatsen van het landhuis, het herstel van de historische objecten, zoals theekoepels, een prieel en een zogenoemde folly, alsook het toevoegen van functionele bebouwing in een parkachtige landschapssetting. Er wordt geen extra woning toegevoegd.

Het agrarische bedrijf van [appellant] is gevestigd op het perceel [locatie B]. Hij vreest dat hij door de beoogde herontwikkeling in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroep

3. [appellant] vreest dat hij door de met het plan beoogde ontwikkeling in de bedrijfsvoering of de uitbreidingsmogelijkheden van zijn agrarische bedrijf zal worden belemmerd.

[appellant] betoogt dat de exacte locaties van het landhuis en de bijgebouwen ten onrechte niet in het plan zijn vastgelegd. Verder vreest [appellant] dat de bijgebouwen zullen worden gebruikt als woning.

Hij stelt dat de geuremissie vanwege zijn agrarische bedrijf niet kan worden berekend, omdat de exacte locatie van de woning en de bijgebouwen niet is vastgelegd. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij geen problemen heeft met het plan als de locatie van de woning is vastgelegd en deze geen belemmering oplevert voor zijn bedrijf.

[appellant] betoogt voorts dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen inrichtingsplan voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld en dat rekening is gehouden met alle ruimtelijke belemmeringen. De raad wijst erop dat op de verbeelding het bouwvlak voor de woning is aangegeven en dat ook de bouwvlakken voor de bijgebouwen zijn vastgelegd. De bijgebouwen mogen niet als woning worden gebruikt, aldus de raad.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat er geen aanleiding bestond om bij de vaststelling van het plan een inrichtingsplan op te stellen. De raad wijst erop dat in het plan een voorwaardelijk verplichting is opgenomen dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw een inrichtingsplan moet worden overlegd.

3.2. Aan het hele plangebied is de bestemming "Buitenplaats" en de aanduiding "voorwaardelijke verplichting 1" toegekend. Voorts heeft het plangebied de aanduidingen "landhuis" en "bijgebouwen".

Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt:

"De voor "Buitenplaats" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het behoud, herstel en beheer van:

1. cultuurhistorische waardevolle bebouwing in de vorm van (ensemble van) landhuizen, woningen, bijgebouwen, theekoepels, hekwerken en dergelijke;

2. landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in de vorm van (elementen uit) (natuur- /over-)tuinen, parken, bossen, waterpartijen;

b. het aantal wooneenheden, zoals op de verbeelding met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" staat aangegeven;

(…)."

Lid 3.2 luidt:

"a. Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

1. ter plaatse van de aanduiding "landhuis": een hoofdgebouw met het op de verbeelding aangegeven aantal wooneenheden middels de aanduiding "maximum aantal wooneenheden".

2. ter plaatse van de aanduiding "bijgebouw": een bijgebouw;

(…)."

Lid 3.4.2 luidt:

"a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in gebruik nemen (van een deel) van de betreffende woning met bijbehorende bouwwerken als extra wooneenheid ten behoeve van mantelzorg, mits:

1. de mantelzorg noodzakelijk is en dat blijkt uit een medische of sociale indicatie. Indien er sprake is van een ouder - kind relatie, waarbij de ouder(s) 65 jaar of ouder is (zijn), is geen medische of sociale indicatie noodzakelijk;

2. het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken bereikbaar is en blijft voor hulpdiensten;

3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;

4. de oppervlakte welke wordt gebruikt als extra wooneenheid voor mantelzorg niet meer bedraagt dan 120 m².

b. Het bevoegd gezag kan de onder a bedoelde omgevingsvergunning intrekken na beëindiging van de mantelzorg.

c. Na het intrekken van de omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder b, is degene aan wie de omgevingsvergunning was verleend of diens rechtsopvolger, en indien sprake was van afhankelijke woonruimte, verplicht de als dan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen."

Artikel 12, lid 12.1, luidt:

"a. Bij de aanvraag van de eerste omgevingsvergunning voor nieuwbouw binnen de bestemming "Buitenplaats" moet een inrichtings- en beheerplan overgelegd worden behorende bij de gronden van de Buitenplaats, dat voldoet aan de principes van het Ontwikkelplan Buitenplaats Hunthum in Bijlage 1.

(…)

d. In afwijking hiervan mogen gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding "voorwaardelijke verplichting 1" overeenkomstig de bestemming worden gebruikt, onder de voorwaarde dat binnen 3 jaar na het verlenen van de eerste omgevingsvergunning voor de realisatie van de nieuwbouw van een "landhuis" uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het inrichtings- en beheerplan."

Op de verbeelding zijn de bouwvlakken voor het landhuis en de bijgebouwen weergegeven. De verbeelding vermeldt dat ter plaatse van het bouwvlak met de aanduiding "landhuis" maximaal één wooneenheid is toegestaan.

3.3. Uit de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, volgt dat de locaties voor de woning en de bijgebouwen in het plan zijn geregeld. Uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, volgt dat op de gronden met de bestemming "Buitenplaats" maximaal één wooneenheid is toegestaan, te weten ter plaatse van het bouwvlak met de aanduiding "landhuis". De plantoelichting vermeldt voorts terecht dat in het plangebied geen extra woning mag worden gebouwd. Verder wordt in de nota van beantwoording van zienswijzen, die deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit, over het gebruik van de bijgebouwen vermeld dat deze alleen als bijgebouw mogen worden gebruikt en geen verblijfsfunctie hebben. De raad heeft verklaard dat de bijgebouwen niet mogen worden bewoond. Het plan staat derhalve bij recht maximaal één wooneenheid toe. Verder is bij recht het gebruik van een bijgebouw als woning niet toegestaan. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, naar [appellant] stelt, de exacte locaties van het landhuis en de bijgebouwen ten onrechte niet in het plan zijn vastgelegd of dat het plan bij recht gebruik van de bijgebouwen als woning mogelijk maakt.

Voor zover [appellant] vreest voor belemmering in de bedrijfsvoering van zijn agrarische bedrijf vanwege geurbelasting ter plaatse van de beoogde woning op het perceel [locatie A], overweegt de Afdeling als volgt. De afstand van het bouwvlak voor het agrarische bedrijf van [appellant] op het perceel [locatie B] tot het bouwvlak voor de beoogde woning op het perceel [locatie A] is ongeveer 295 m.

Op het perceel [locatie C] staat ook een woning. Het bouwvlak voor deze woning staat op ongeveer 260 m afstand van het bouwvlak voor het agrarische bedrijf van [appellant]. Omdat de woning op het perceel [locatie C] dichter bij het agrarische bedrijf van [appellant] ligt, is het woon- en leefklimaat ter plaatse van die woning bepalend voor eventuele gevolgen voor de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden van het agrarische bedrijf van [appellant]. De plantoelichting vermeldt dat uit de geuremissieberekening blijkt dat de geurbelasting afkomstig van het agrarische bedrijf op het perceel [locatie B] op de gevel van de woning op het perceel [locatie C] 3,1 ou/m³ bedraagt en aan de op grond van de Regeling geurhinder en veehouderij geldende norm voldoet. Hierbij is mede rekening gehouden met de geuremissie afkomstig van de op het perceel [locatie B] nog te bouwen varkensstal, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, nu ter plaatse van de woning op het perceel [locatie C] aan de geldende geurnorm wordt voldaan, dat ook ter plaatse van de nieuwe woning op het perceel [locatie A] het geval zal zijn. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat hij door de beoogde woning op het perceel [locatie A] in de bedrijfsvoering of de uitbreidingsmogelijkheden van zijn agrarische bedrijf op het perceel [locatie B] wordt belemmerd.

Uit artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels volgt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning tot afwijken kan verlenen, zodat (een deel van) de woning met bijbehorende bouwwerken in gebruik kan worden genomen als extra wooneenheid ten behoeve van mantelzorg. Hieraan is onder meer de voorwaarde gesteld dat hierbij geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. De raad heeft verklaard dat dit betekent dat een extra wooneenheid ten behoeve van mantelzorg alleen is toegestaan als de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven, waaronder dat van [appellant], hierdoor niet onevenredig mag worden aangetast. Ter zitting is vast komen te staan dat de twee dichtst bij het bedrijf van [appellant] gelegen ronde bouwvlakken met de aanduiding "bijgebouwen" een diameter van ongeveer 3,5 m hebben en bestemd zijn voor theekoepels. De ter plaatse beoogde bebouwing is redelijkerwijs te klein voor gebruik als wooneenheid voor mantelzorg. De bouwvlakken voor de overige vier bijgebouwen liggen op grotere afstand van het bedrijf van [appellant] dan het bouwvlak voor het landhuis. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, ook na het verlenen van een omgevingsvergunning tot afwijken voor een extra wooneenheid ten behoeve van mantelzorg, niet leidt tot onevenredige aantasting van de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellant].

De betogen falen.

3.4. Over het betoog van [appellant] dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen inrichtingsplan voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld, overweegt de Afdeling als volgt.

Noch in de Wet ruimtelijke ordening noch in enige andere wettelijke regeling bestaat bij het vaststellen van een bestemmingsplan de verplichting tot het opstellen van een inrichtingsplan.

In de plantoelichting is een schetsontwerp opgenomen voor de inrichting van het plangebied. Voor dit schetsontwerp wordt in het Ontwikkelplan Buitenplaats Hunthum, dat als bijlage 1 bij de planregels is opgenomen, een ruimtelijke onderbouwing gegeven. Het ontwikkelplan bevat een uitgebreide toelichting op de ontstaansgeschiedenis, het ruimtelijke karakteristiek en de gewenste ontwikkeling van de buitenplaats. Met name in hoofdstuk 6 van het ontwikkelplan wordt ingegaan op wijze waarop aan het landschappelijk herstel van de buitenplaats vorm wordt gegeven. Vermeld wordt dat voor het herstel van de buitenplaats de vroeg 19e eeuwse landschappelijke aanleg als basis kan worden gebruikt. Hierbij wordt de hoofdstructuur gevormd door een aantal onderdelen, te weten de slingervijver, de oudere boomgroepen, de historische beplanting parallel aan de Vecht en een historische laan aan de noordzijde die een sterke zichtlijn biedt op buitenplaats Sterreschans. Naast het herstel van deze landschapselementen wordt ook de bebouwing, die van oorsprong op de buitenplaats aanwezig is geweest, hersteld. Deze bebouwing betreft bebouwing met een historische referentie, zoals de theekoepels, een koetshuis, een prieel en een onderhoudsschuur, zo vermeldt het ontwikkelplan.

In artikel 12, lid 12.1, onder a, van de planregels staat dat bij de aanvraag van de eerste omgevingsvergunning voor nieuwbouw binnen de bestemming "Buitenplaats" een inrichtings- en beheerplan moet worden overgelegd, dat voldoet aan de principes van het ontwikkelplan. Bij het inrichtings- en beheerplan kan niet van de verbeelding, waarbij de locatie van het landhuis is vastgesteld, worden afgeweken. De raad wijst erop dat in artikel 12, lid 12.1, onder d, van de planregels als voorwaarde is opgenomen dat binnen 3 jaar na het verlenen van de eerste omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van het landhuis ter plaatse van de aanduiding "landhuis" uitvoering moet zijn gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het inrichtings- en beheerplan.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in artikel 12, lid 12.1, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting, gelezen in samenhang met de principes van het ontwikkelplan, voldoende zekerheid biedt dat een inrichtings- en beheerplan zal worden ingediend, dat bijdraagt aan het behoud en het herstel van de buitenplaats. De raad heeft in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om bij de vaststelling van het plan een inrichtingsplan voor de beoogde ontwikkeling op te stellen.

Het betoog faalt.

Conclusie

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017

408.