Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:24

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
201603300/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Verkochte stroken 2014" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603300/1/R2.

Datum uitspraak: 11 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Someren,

en

de raad van de gemeente Someren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Verkochte stroken 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2016, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door H.J. Breman en S. Rijkers, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2. Het plan voorziet in de herbestemming van een aantal reststroken grond die de gemeente Someren heeft verkocht aan particulieren en bedrijven. Het beroep is uitsluitend gericht tegen de bestemming "Wonen" die bij het plan aan een strook grond op de hoek van de straten Morgenrood en Atalanta (hierna: de strook grond) is gegeven. Voorheen had de strook grond een verkeersbestemming. De strook grond ligt ten oosten van het noordelijke gedeelte van het perceel [locatie A] en ten noorden van het perceel Atalanta 8. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie A] en stelt dat de strook grond ten onrechte is verkocht aan een particulier dan wel ten onrechte niet aan hem is verkocht en dat de bij het plan gegeven bestemming onjuist is.

3. [appellant] voert aan dat het gemeentebestuur van Someren de strook grond in strijd met het ter zake gevoerde beleid heeft verkocht. De strook grond maakte deel uit van een structuurbepalende groenstrook bij de ingang van Morgenrood. Nog recentelijk, op 10 juni 2010, heeft de raad het bestemmingsplan "Waterdael III" vastgesteld waarbij niets er op wees dat aan de betrokken grond een andere bestemming zou worden gegeven. De raad heeft ook geen goede motivering voor de verkoop gegeven. Als er toch sprake was van verkoop, had de grond aan [appellant] moeten worden aangeboden.

Daarnaast stelt [appellant] dat op de strook grond inmiddels illegaal een hekwerk is geplaatst. Het gemeentebestuur weigert ten onrechte daartegen op te treden. Door het plaatsen van het hekwerk is een verkeersgevaarlijke situatie opgetreden doordat hij, indien hij met de auto achteruitrijdend zijn garage verlaat, geen uitzicht meer heeft en voetgangers hem niet zien aankomen. In verband met de verkeersveiligheid zou in het plan vastgelegd moeten worden dat een hoek van 2 bij 2 m vrijgehouden zou moeten worden van bebouwing en begroeiing.

Verder stelt [appellant] dat de nieuwe bestemming een beperking van het uitzicht en woongenot en een waardedaling van zijn woning met zich brengt. Ten onrechte stelt de raad zich daarbij op het standpunt dat de waardedaling te gering is om voor vergoeding in aanmerking te komen, aldus [appellant].

4. Aan de strook grond is bij het plan de enkelbestemming "Wonen" zonder nadere aanduiding of bouwvlak gegeven.

De relevante planregels luiden als volgt:

Artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a: "De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor [..] woondoeleinden".

Lid 6.2.2, aanhef en onder b: "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: […] "Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak".

Lid 6.2.3, aanhef en onder a: "Binnen de bestemming "Wonen" mogen aanbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: […] "Aanbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen" worden gebouwd".

Lid 6.2.4, aanhef en onder d: "Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: […] De bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 m […]".

5. De Afdeling stelt voorop dat in het kader van deze procedure uitsluitend ter beoordeling staat of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts staat ter beoordeling of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De door [appellant] naar voren gebrachte bezwaren met betrekking tot de wijze waarop de verkoop van de strook grond is verlopen, de vraag aan wie de grond mocht worden verkocht en de vraag of tegen het door hem bedoelde hekwerk moet worden opgetreden hebben geen betrekking op het voorliggende plan en staan in deze procedure derhalve niet ter beoordeling.

In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van - zelfs recentelijk - gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De raad heeft uiteengezet dat de strook grond voorheen geen groenbestemming had en ook feitelijk niet heeft gefungeerd als groenstrook. Het gaat ook om een op zichzelf staande strook grond die geen deel uitmaakt van een beeldbepalende groenvoorziening in de omgeving. De strook grond was ook nog niet ingericht als groenstrook. Gelet op de ligging in het verlengde en over de volle zijkant van het perceel Atalanta 8 acht de raad een woonbestemming voor de strook grond logisch. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de strook grond een zodanig belangrijke functie als groenstrook vervult dat de raad niet in redelijkheid aan deze strook grond een woonbestemming heeft kunnen geven.

De Afdeling overweegt verder dat alleen de planologische mogelijkheden van het plan onderdeel uitmaken van dit geding. In de omstandigheid dat naast de strook grond de uitrit ligt van de garage van [appellant] ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad dat, gezien de lage snelheid waarmee vanuit de garage naar de rijweg wordt gereden in samenhang met de breedte van de uitrit van 5 m, geen sprake is van een gevaarlijke situatie. Gegeven voorts de ligging van de strook grond ten oosten van het noordelijk deel van het perceel van [appellant] en in aanmerking genomen de beperkte bebouwingsmogelijkheden daarvan ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat ter plaatse van het perceel van [appellant] sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor een eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat overigens een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad, afwegende de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot de door [appellant] bestreden bestemmingsregeling heeft kunnen komen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017

45.