Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201608718/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7770, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om bij de berekening van de huurtoeslag over 2014 met een bijzondere situatie rekening te houden en een inkomensbestanddeel van het toetsingsinkomen over 2014 buiten beschouwing te laten, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201608718/1/A2.

Datum uitspraak: 6 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2016 in zaak nr. 16/4065 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om bij de berekening van de huurtoeslag over 2014 met een bijzondere situatie rekening te houden en een inkomensbestanddeel van het toetsingsinkomen over 2014 buiten beschouwing te laten, afgewezen.

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2017, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De procedure die heeft geleid tot de aangevallen uitspraak gaat over een verzoek van [appellante] om bij de berekening van haar huurtoeslag met ingang van 1 januari 2014 rekening te houden met een bijzondere situatie.

    Bij het toekennen van huurtoeslag kunnen op verzoek elementen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van de draagkracht voor de aanspraak op toeslag. Dit is geregeld in de artikelen 2 tot en met 2c van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: het Bht). De mogelijkheid om een dergelijk verzoek in te dienen is op grond van artikel 2c, eerste lid, van het Bht aan een termijn gebonden.

2.    [appellante] heeft in 2014 een voorschot huurtoeslag ontvangen. Uit het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 27 december 2013 volgt dat de voorschotten gebaseerd waren op een geschat toetsingskomen over 2014 van € 16.784,00.

    Bij besluit van 3 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2014 - definitief - berekend en vastgesteld op nihil en de reeds uitbetaalde voorschotten tot een bedrag van € 1.448,00 teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat haar vastgestelde toetsingsinkomen over 2014 € 22.402,00 bedraagt en dat dit inkomen te hoog is om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Tegen het besluit van 3 juli 2015 heeft [appellante] geen rechtsmiddelen aangewend.

3.    Op 8 februari 2016 heeft [appellante] de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om bij de berekening van haar huurtoeslag met ingang van 1 januari 2014 een bijzonder inkomensbestanddeel ten bedrage van € 7.926,00 bruto buiten beschouwing te laten, omdat dit bedrag een nabetaling van een uitkering betreft. Bij dit verzoek is een brief van de gemeente Rotterdam van 3 februari 2016 overgelegd. Volgens deze brief heeft [appellante] in 2014 een nabetaling van haar bijstandsuitkering van de gemeente Rotterdam ontvangen die betrekking heeft op het voorafgaande jaar. De jaaropgave van de gemeente over 2014 vermeldt een bruto-uitkering van € 22.402,00. Volgens de brief van de gemeente heeft van dit bedrag € 14.476,00 betrekking op 2014. Het restant, ten bedrage van (22.402,00 - 14.476,00 =) € 7.926,00, betreft de eerdergenoemde nabetaling van de uitkering.

4.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen en oordeel van de rechtbank

5.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft het verzoek van [appellante] om rekening te houden met een bijzondere situatie op 8 februari 2016 ontvangen. De dienst heeft het verzoek afgewezen, omdat het is ingediend buiten de termijn die daarvoor staat. Het verzoek kon in dit geval worden ingediend tot zes weken na het besluit van 3 juli 2015 over de definitieve toekenning van de huurtoeslag. De regelgeving staat niet toe rekening te houden met een verzoek dat niet tijdig is gedaan, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek terecht heeft afgewezen vanwege de te late indiening ervan. De rechtbank heeft overwogen dat de dienst niet de bevoegdheid toekomt om af te wijken van de uit artikel 2c, eerste lid, van het Bht voortvloeiende termijn.

Hoger beroep

6.    [appellante] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat de huurtoeslag over 2014 op onjuiste gronden is vastgesteld en dat zij onevenredig hard wordt getroffen door de terugvordering van de huurtoeslag. [appellante] voert aan dat haar situatie de facto onder het bereik van artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bht valt en dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat het de dienst, gezien de hoogte van haar inkomen over 2014, duidelijk had moeten zijn dat dit inkomen tevens bestond uit een nabetaling die betrekking heeft op een uitkering over 2013.

6.1.    In geding is de afwijzing van het verzoek van [appellante] dat zij op 8 februari 2016 heeft ingediend. Voor zover [appellante] met haar betoog het besluit van 3 juli 2015, waarbij haar aanspraak op huurtoeslag over het berekeningsjaar 2014 definitief is vastgesteld en de uitbetaalde voorschotten huurtoeslag zijn teruggevorderd, aan de orde wil stellen, wordt overwogen dat dit besluit in deze procedure niet ter toetsing aan de rechter voorligt. Bovendien is dit besluit onherroepelijk. De rechtbank is daarom terecht niet ingegaan op het hiertegen gerichte betoog van [appellante].

    Daargelaten dat de Belastingdienst/Toeslagen niet ambtshalve bekend kan worden verondersteld met feiten en omstandigheden die in individuele gevallen een beroep op de regeling van artikel 2b van het Bht kunnen rechtvaardigen, kan een inkomensbestanddeel op grond van deze bepaling uitsluitend door de Belastingdienst/Toeslagen buiten beschouwing worden gelaten naar aanleiding van een daartoe door een belanghebbende ingediend verzoek. De dienst is niet gehouden ambtshalve toepassing te geven aan de regeling van artikel 2b van het Bht. Voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen in het geval van [appellante] onzorgvuldig heeft gehandeld door niet spontaan toepassing te geven aan artikel 2b van het Bht of haar te begeleiden tijdig een verzoek in te dienen, wat daar verder ook van zij, bestaat, gelet op het vorenstaande, geen grond.

7.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen in haar situatie ten onrechte heeft vastgehouden aan de termijn van artikel 2c, eerste lid, van het Bht, omdat haar slechts een gering verwijt valt te maken, terwijl de gevolgen van het besluit van 9 mei 2016 voor haar groot zijn. [appellante] voert aan dat zij ervan uitging dat de jaaropgave die zij op 24 januari 2015 heeft ontvangen juist is en dat zij eerst in december 2015 via haar contactpersoon bij de gemeente erachter is gekomen dat in het bedrag van de jaaropgave van haar inkomen over 2014 de nabetaling is inbegrepen. Vervolgens heeft het haar veel moeite gekost de beschikking te krijgen over een gecorrigeerde jaaropgave. Zij doet een beroep op persoonlijke omstandigheden en maakt in dit verband melding van het overlijden van haar broer en haar zwager.

7.1.    Zoals de Belastingdienst/Toeslagen in het besluit van 9 mei 2016 heeft uiteengezet en anders dan [appellante] kennelijk veronderstelt, betreft de brief van de gemeente Rotterdam van 3 februari 2016 geen gewijzigde jaaropgave. Deze brief bevat een toelichting op de jaaropgave van 24 januari 2015. De nabetaalde uitkering over 2013 is in 2014 aan [appellante] ter beschikking gesteld en is daarom door de gemeente opgenomen in het bedrag van de jaaropgave over 2014. Het door [appellante] in verband hiermee gedane beroep op het vertrouwensbeginsel mist dus feitelijke grondslag en slaagt reeds om die reden niet.

7.2.    Niet in geschil is dat in het geval van [appellante] de termijn van artikel 2c, eerste lid, van het Bht eindigde op 14 augustus 2015, de dag waarop het besluit van 3 juli 2015 onherroepelijk is geworden. [appellante] heeft het verzoek om toepassing van artikel 2b, eerste lid, onder b, van het Bht op 8 februari 2016 - en dus buiten de termijn die daarvoor stond - ingediend.

    Het Bht voorziet niet in een hardheidsclausule op basis waarvan de Belastingdienst/Toeslagen kan afwijken van de termijn van artikel 2c, eerste lid. De definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op basis van de vaststelling van het toetsingsinkomen is het sluitstuk binnen het stelsel van de toekenning van tegemoetkomingen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir). Als de - definitieve - toekenning onherroepelijk is, kan deze slechts nog in bij of krachtens de Awir voorziene gevallen worden herzien. Gelet op de wetssystematiek dient de termijn van artikel 2c, eerste lid, van het Bht niet anders te worden opgevat dan een uiterste termijn. Dit brengt mee dat er voor de Belastingdienst/Toeslagen geen ruimte bestaat om rekening te houden met de door [appellante] gestelde persoonlijke omstandigheden. Dit brengt mee dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht geen ruimte heeft gezien om rekening te houden met de door [appellante] gestelde persoonlijke omstandigheden.

    Het betoog faalt.

Slotsom

8.    De rechtbank heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om een bestanddeel van het toetsingsinkomen buiten beschouwing te laten terecht heeft afgewezen vanwege de te late indiening ervan.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H.C.P. Venema en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Koster

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017

710. BIJLAGE

Wettelijk kader

- Wet op de huurtoeslag

De relevante bepalingen van de Wet op de huurtoeslag luiden als volgt:

    Artikel 1a

"1  Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

[…]"

    Artikel 55

"[…]

5  Bij de toepassing van artikel 2, en bij de toepassing van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen kan de Belastingdienst/Toeslagen op verzoek van de huurder het op 31 december 2005 van kracht zijnde beleid toepassen dat Onze Minister heeft getroffen op grond van artikel 9 en artikel 26, eerste lid, zoals die artikelen onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen luidden.

6  Het vijfde lid geldt uitsluitend in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.

[…]"

- Bht

Vorenbedoelde algemene maatregel van bestuur is het Bht. De relevante bepalingen van dit besluit luiden als volgt:

    Artikel 2b

"1  Op verzoek blijven bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing:

a. […]

b. nabetalingen van inkomsten als bedoeld in afdeling 3.3 en 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

[…].

2  Indien sprake is van een nabetaling die over de berekeningsjaren waarop deze nabetaling betrekking heeft gemiddeld meer dan € 2300 per jaar bedraagt, vindt het eerste lid, onderdeel b, uitsluitend toepassing indien over de berekeningsjaren waarop de nabetaling betrekking heeft minder huurtoeslag zou worden genoten dan indien de betrokken inkomsten niet als nabetaling zouden zijn uitbetaald.

[…]"

    Artikel 2c

"1  Een verzoek als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 2a, eerste lid, en 2b, eerste lid, kan worden gedaan tot het tijdstip dat de toekenning van de huurtoeslag over het desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden.

[…]"

- Awir

De relevante bepalingen van de Awir luiden als volgt:

    Artikel 2

"1  In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

[…]

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

[…].

    Artikel 7

"1  Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

[…]"

    Artikel 8

"1  Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

[…]"

    Artikel 35

"In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking."