Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201606018/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:5802, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:5501, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2015 heeft het college aan De Vluchtheuvel een omgevingsvergunning verleend voor, voor zover thans van belang, het realiseren van twaalf vakantieverblijven en een restaurant aan de Grasdijk 5 te Nederweert (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606018/1/A1.

Datum uitspraak: 6 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], kantoorhoudend te [plaats], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Recreatiepark de Vluchtheuvel B.V., gevestigd te Nederweert (hierna: De Vluchtheuvel),

2.    het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 juni 2016 in

zaak nr. 15/3194 in het geding tussen:

[partij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2015 heeft het college aan De Vluchtheuvel een omgevingsvergunning verleend voor, voor zover thans van belang, het realiseren van twaalf vakantieverblijven en een restaurant aan de Grasdijk 5 te Nederweert (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 28 juni 2016 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 september 2015 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben De Vluchtheuvel en het college hoger beroep ingesteld.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2017, waar De Vluchtheuvel, vertegenwoordigd door [appellant sub 1] voornoemd, het college, vertegenwoordigd door E. van der Linden, en [partij], bijgestaan door mr. H.A. Gooskens, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op het perceel wordt onder meer een mini-camping geëxploiteerd. De Vluchtheuvel wil de mini-camping vernieuwen, met name door het vervangen van twaalf verblijfplaatsen door luxere kampeermiddelen en de kantine door een restaurant. Bij besluit van 8 september 2015 heeft het college voor zover thans van belang, voor onder meer deze activiteiten een omgevingsvergunning verleend, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). [partij] woont in de nabije omgeving van het perceel. Hij is tegen het besluit opgekomen, omdat hij vreest voor overlast door de vergunde horeca-activiteiten.

    De rechtbank heeft het besluit van 8 september 2015 vernietigd, omdat naar het oordeel van de rechtbank de omgevingsvergunning, in samenhang met de daarbij behorende voorschriften, niet voldoende waarborgt dat de vergunde horeca ondergeschikt blijft aan de mini-camping en niet blijkt in hoeverre georganiseerde feesten, partijen en buitenactiviteiten, al dan niet voor derden, zijn toegestaan.

2.    Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]."

3.    De Vluchtheuvel en het college betogen dat de rechtbank heeft miskend dat niet beoogd is vergunning te verlenen voor ondergeschikte horeca, maar voor zelfstandige horeca. Zij betogen voorts dat, anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd, vergunningvoorschrift 2.2, onder 5, voldoende is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor [partij] te waarborgen, nu uit de vergunning en daarbij behorende stukken volgt welke horeca-activiteiten zijn toegestaan.

3.1.    Vergunningvoorschrift 2.2, onder 5, luidt:

"Een disco, zalencentrum of muziekcafé is ter plaatse niet toegestaan. De horeca dient uitgevoerd te worden in aard en omvang zoals vergund."

3.2.    Uit de bij het besluit van 8 september 2015 behorende ruimtelijke onderbouwing van 11 mei 2015 volgt dat het restaurant een substantieel onderdeel van de bedrijfsvoering uit zal maken en niet alleen voor campinggasten bedoeld is, maar ook voor derden toegankelijk zal zijn. Voorts ziet de aanvraag niet op ondergeschikte horeca. Uit de omgevingsvergunning en de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging blijkt ook niet dat beoogd is vergunning te verlenen voor ondergeschikte horeca. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, behoefde de omgevingsvergunning dan ook geen voorschriften te bevatten die bewerkstelligen dat de horeca ondergeschikt is aan de campingactiviteiten.

3.3.    Anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd, maakt, naar het oordeel van de Afdeling, de omgevingsvergunning, in samenhang met de daarbij behorende stukken, zoals de ruimtelijke onderbouwing, duidelijk welke horeca-activiteiten op het perceel zijn toegestaan en is nadere specificatie van deze activiteiten in een voorschrift niet nodig. Zo ziet de omgevingsvergunning, voor zover hier van belang, op het exploiteren van een restaurant met een oppervlakte van 64,5 m2 en een terras met een oppervlakte van ongeveer 168 m2. In het restaurant en op het terras mogen feesten, partijen en buitenactiviteiten, al dan niet voor derden, plaatsvinden, zolang de activiteiten onder de vergunde activiteit "het exploiteren van een restaurant" geschaard kunnen worden en voldaan wordt aan geldende wet- en regelgeving. De genoemde activiteiten mogen niet plaatsvinden indien daarmee de ruimtes zouden moeten worden aangemerkt als een disco, zalencentrum of muziekcafé in plaats van een restaurant. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde activiteiten er niet toe leiden dat het woon- en leefklimaat niet aanvaardbaar zal zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de afstand tussen de woning van [partij] en het restaurant 200 m bedraagt, terwijl de door het college gehanteerde minimumafstand uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" 10 m is. Voorts volgt uit het geluidrapport "Akoestisch onderzoek indirecte hinder, Plangebied Grasdijk 3a, 5 en 7 Nederweert" van Tritium Advies B.V. van 24 november 2014 dat de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting ruim onder de in de door het college gehanteerde circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996 opgenomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde blijft.

3.4.    De betogen van De Vluchtheuvel en het college slagen.

4.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

5.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op de bij de rechtbank naar voren gebrachte gronden, beoordelen of het vergunnen van zelfstandige horeca in overeenstemming is met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 en de Structuurvisie Nederweert, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

5.1.    Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 en de Structuurvisie Nederweert verbieden niet de vestiging van zelfstandige horeca in het buitengebied. Recreatie, waaronder in dit geval ook horeca valt, in het buitengebied is volgens de Structuurvisie Nederweert toegestaan indien het bedrijf een kwaliteitsbijdrage levert. Ook uit het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 volgt dat uitbreiding van horecagelegenheden is toegestaan indien dit de omgeving ten goede komt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het bouwplan voorziene restaurant bijdraagt aan de ontwikkeling van het platteland, omdat het een verblijf op de mini-camping en recreëren in de omgeving aantrekkelijker maakt. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

    Gelet op het voorgaande is de omgevingsvergunning niet in strijd met voormeld beleid verleend.

6.    Het beroep van [partij] tegen het besluit van 8 september 2015 dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8.    Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt met zich dat het in hoger beroep door De Vluchtheuvel betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 juni 2016 in zaak nr. 15/3194;

III.    verklaart het door [partij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 1] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Recreatiepark de Vluchtheuvel B.V., het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017

531-811.