Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201608389/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5212, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2015 heeft het college Blitz Holding omgevingsvergunning verleend voor de activiteit gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met de regels van ruimtelijke ordening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/956

Uitspraak

201608389/1/A1.

Datum uitspraak: 6 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blitz Holding B.V., gevestigd te Barneveld,

2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] en [appellante sub 2E] (hierna: [appellant sub 2] en anderen), allen wonend te Barneveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 september 2016 in zaak nr. 16/1500 in het geding tussen:

Blitz Holding

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2015 heeft het college Blitz Holding omgevingsvergunning verleend voor de activiteit gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met de regels van ruimtelijke ordening.

Bij besluit van 28 januari 2016 heeft het college het door [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 13 januari 2015 herroepen en besloten dat de omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd.

Bij uitspraak van 29 september 2016 heeft de rechtbank het door Blitz Holding daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Blitz Holding hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2] en anderen hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2017, waar Blitz Holding, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. W. Kok, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellante sub 2B] en [appellant sub 2D] en bijgestaan door mr. K.M.A. Snijders en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Dankers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Blitz Holding is eigenaar van het perceel Schoutenstraat 88B te Barneveld (hierna: het perceel). In het daarop gelegen pand wordt een biljartcentrum geëxploiteerd. Blitz Holding wenst op de eerste verdieping een bedrijfswoning te realiseren ten behoeve van het beheer van het biljartcentrum. Bij besluit van 13 januari 2015 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor de afwijking van de regels van het bestemmingsplan "Barneveld-West" (hierna: het bestemmingsplan) ten behoeve van een wijziging van het gebruik van het pand van kantoorruimte naar bedrijfswoning. Bij besluit van 28 januari 2016 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 13 januari 2015 herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Hoger beroep

2.    Ter zitting heeft Blitz Holding de hoger beroepsgrond dat het college bij de belangenafweging ten onrechte de vraag heeft betrokken of de beheerderswoning noodzakelijk is, ingetrokken.

3.    Blitz Holding voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gemeente Barneveld stedenbouwkundig beleid heeft waaruit volgt dat wonen in de tweede lijn niet wenselijk wordt geacht. Volgens Blitz Holding blijkt dit nergens uit.

    Volgens Blitz Holding biedt de aan het perceel toegekende bestemming "Gemengd" mogelijkheden voor de omschakeling van functie, hetgeen maakt dat niet snel sprake zal zijn van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

    Voorts wijst Blitz Holding er op dat in de nabije omgeving meerdere woningen verder van de straatzijde af zijn gelegen. Volgens Blitz Holding is in het onderhavige geval geen sprake van een woning in de tweede lijn.

De achtergevel van het appartementencomplex op het perceel Schoutenstraat 72 ligt ongeveer 4,5 meter voorbij de voorgevel van het pand aan de Schoutenstraat 88b. Van een duidelijke scheiding in eerste lijn en tweede lijn is geen sprake. Daarnaast is ook aan percelen die in gelijke lijn staan met de Schoutenstraat 88b de bestemming "Wonen" toegekend.     

3.1.    Artikel 8.1 van de planregels behorende bij het bestemmingsplan luidt: "De voor "Gemengd" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. gebouwen ten behoeve van:

1. dienstverlening;

2. maatschappelijke voorzieningen (…);

3. kantoren;

4. gebouwen ten behoeve van cultuur en ontspanning(…);

5. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf" tevens voor bedrijven die zijn genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1) onder de categorieën A en B;

6. ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" tevens voor detailhandel.

b. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is een bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen en andere bouwwerken toegestaan.

3.2.    Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan de bestemming "Gemengd" met de aanduidingen "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - biljart en/of poolcentrum" en "detailhandel". Een bedrijfswoning is ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder b, van de planregels uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning". Aan het perceel is deze aanduiding niet toegekend. Het gebruik van het perceel als bedrijfswoning is derhalve niet toegestaan.

    Blitz Holding kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de omstandigheid dat binnen de bestemming "Gemengd" meerdere functies mogelijk zijn op zichzelf maakt dat een omschakeling naar bedrijfswoning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

    Voorts kan Blitz Holding niet worden gevolgd in haar betoog dat niet is gebleken dat de gemeente Barneveld stedenbouwkundig beleid heeft waarbij wonen in de tweede lijn niet wenselijk wordt geacht. Het college heeft toegelicht dat het beleid dat wonen in de tweede lijn wordt tegengegaan niet is neergelegd in een beleidsregel maar dat sprake is van een vaste gedragslijn. Een bestuursorgaan mag een gedragslijn die niet is neergelegd in een beleidsregel, als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, volgen, mits hij de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit opnieuw motiveert, hetgeen het college hier heeft gedaan. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7321. De rechtbank heeft terecht overwogen dat sprake is van een vaste gedragslijn.

    Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gewenste bedrijfswoning in de tweede lijn is gelegen nu deze niet aan de straatzijde, maar op het achterterrein is gelegen. Het pand Schoutenstraat 88b is gelegen op het terrein achter het woonhuis en de cafetaria aan de Schoutenstraat 88a. Dat het appartementencomplex aan de Schoutenstraat 72 vanwege de omvang ervan verder naar achteren is gelegen dan andere woningen in de straat maakt het vorenstaande niet anders, nu het complex is gesitueerd aan de straatzijde en niet op het achterterrein. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat aan de Schoutenstraat overwegend vrijstaande woningen zijn gelegen waarachter diepe percelen liggen. Op deze percelen is achter de aan de straatzijde gelegen woningen andere bebouwing ontstaan die veelal voor bedrijfsfuncties wordt gebruikt. Uit de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan blijkt dat onmiddellijk grenzend aan de weg een strook is gelegen met een woonbestemming, terwijl aan de achterterreinen een gemengde bestemming is toegekend.

    Het betoog faalt.

4.    Blitz Holding betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen. In de nabije omgeving bevinden zich reeds (bedrijfs)woningen, zodat de vestiging van een bedrijfswoning volgens Blitz Holding geen extra beperkingen kan opleveren. Niet valt in te zien op welke wijze de vestiging van bedrijven uit de milieucategorieën A en B zou leiden tot overschrijding van milieunormen, nu het bij bedrijven in deze categorieën gaat om kleine bedrijven in de dienstverlening of detailhandel. Bovendien is het bestemmingsplan vrij concreet ingevuld waardoor niet snel zal worden toegestaan om grotere bedrijven te laten vestigen, aldus Blitz Holding.

4.1.    Blitz Holding kan niet worden gevolgd in haar betoog dat uitsluitend het huidige feitelijke gebruik van de omliggende percelen van belang is bij de belangenafweging. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij de beoordeling van de vraag of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een goede ruimtelijke ordening inhoudt terecht ook de planologische mogelijkheden heeft betrokken. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat ingevolge artikel 8, aanhef en onder a, sub 5, van de planregels ter plaatse bedrijven mogen worden gevestigd die zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de milieucategorieën A en B. Niet is uitgesloten dat een andere, binnen het bestemmingsplan passende, bedrijfsvoering in omliggende panden door de vestiging van een bedrijfswoning niet langer mogelijk is, aangezien niet is uitgesloten dat vestiging van een bedrijfswoning in het pand ertoe leidt dat niet aan de milieunormen kan worden voldaan.

    Het betoog faalt.

5.    Voorts voert Blitz Holding aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij de beoordeling van de vraag of de aanvraag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening teveel belang heeft toegekend aan het verlies van privacy van omwonenden. Voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering, zoals aantasting van de privacy, aan vergunningverlening in de weg staat, bestaat slechts grond wanneer die belemmering evident is. Daarvan is in het onderhavige geval volgens Blitz Holding geen sprake. Vanuit de bedrijfswoning is er weliswaar zicht op de woning van de buren maar ter plaatse zijn rolluiken voor de ramen geplaatst zodat het de vraag is in hoeverre sprake is van enige inbreuk op de privacy. Bovendien veroorzaakt een kantoorruimte volgens Blitz Holding over het algemeen meer overlast dan een bedrijfswoning.

    Ook de vraag of sprake is van precedentwerking dient volgens Blitz Holding buiten beschouwing te worden gelaten. De bestemming "Gemengd" is slechts aan een zeer beperkt aantal percelen toegekend waarbij al meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn zodat van precedentwerking geen sprake is.

5.1.     Het college heeft het verlies van privacy voor omwonenden terecht bij de besluitvorming betrokken, nu dit aspect invloed heeft op het bestaande woon- en leefklimaat en als zodanig onderdeel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect privacy kan niet uitsluitend een rol spelen indien sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Blitz Holding kan voorts niet worden gevolgd in haar standpunt dat het gebruik van de bovenverdieping als bedrijfswoning een verbetering zou inhouden ten opzichte van het huidige gebruik als kantoorruimte, nu het gebruik van een kantoorruimte zich in het algemeen beperkt tot de uren overdag terwijl gebruik van een woning doorgaans inhoudt dat daar tevens in de avonden en nachten personen aanwezig zijn. De rechtbank heeft gezien het vorenstaande terecht overwogen dat het college in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de privacy van omwonenden dan het belang van Blitz Holding om een beheerder boven het biljartcentrum te laten wonen.

    Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid de vrees voor precedentwerking aan de weigering ten grondslag heeft kunnen leggen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beleid erop is gericht om bewoning in de tweede lijn tegen te gaan, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het gevolgen kan hebben voor soortgelijke gevallen als het college bewoning in het onderhavige geval zou toestaan, nu het college in iedere zaak de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen, waaronder het gelijkheidsbeginsel.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. Het door [appellant sub 2] en anderen ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017

490.