Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2383

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201606080/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "de Whee e.o., herziening Scherpenzeelseweg ong." vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/957

Uitspraak

201606080/1/R3.

Datum uitspraak: 6 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Goor, gemeente Hof van Twente,

en

de raad van de gemeente Hof van Twente,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "de Whee e.o., herziening Scherpenzeelseweg ong." vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2017, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door B.J.M. Beernink en J.E. Koetsier-Keizer, zijn verschenen. Tevens is op de zitting Zovacon B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1.    Het plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een woon(zorg)gebouw met maximaal 24 wooneenheden in samenhang met centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging op afroep en 14 (aanleun)woningen. Thans maakt het plangebied nog deel uit van het centraal in de woonwijk de Whee te Goor gelegen sportcomplex. [appellant] en anderen hebben bezwaar tegen het nabij hun woningen gelegen plan omdat zij vrezen voor aantasting van hun woonomgeving.

Bestuurlijke lus

2.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Woon- en leefklimaat

4.     [appellant] en anderen betogen dat de voorgenomen ontwikkeling ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat veroorzaakt. Het vrije uitzicht over de sportvelden wordt weg genomen door een gebouw van 8 meter hoog dichtbij hun woningen, volgens hen oplopend tot 12 meter. Volgens hen past een gebouw van deze hoogte en omvang ook niet in de stedenbouwkundige structuur van de omgeving die aan deze zijde van de Scherpenzeelseweg gekenmerkt wordt door open en lage woonbebouwing.

    Voorts vrezen zij verlies van privacy, zonlicht en een toename van overlast, waaronder parkeeroverlast en daarmee gepaard gaande geluidoverlast.

    Ook stellen [appellant] en anderen in dit verband dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de groene omgeving.

    Voorts is volgens hen niet vastgelegd dat de voorziene woningen voor ouderenhuisvesting moeten worden bestemd, en zijn de ruimtelijke gevolgen van reguliere woningen niet onderzocht.

4.1.    De raad stelt dat in het plan rekening is gehouden met de ligging van het plangebied nabij bestaande woningen. De afstand tussen de woning van [appellant] (de meest nabije woning) en het bouwvlak voor de meest nabij gelegen nieuwbouw bedraagt meer dan 25 meter. De afstand tot het bouwvlak van het woonzorgcomplex is 92 meter. De hoogte is gemaximeerd op 9 meter. Voorts dient op eigen terrein in de parkeerbehoefte van de aan te leggen functies te worden voorzien en worden geen openbare parkeerplaatsen opgeheven.

    De raad stelt voorts dat bij de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen van de woningen niet specifiek van ouderenhuisvesting is uitgegaan.

4.2.    De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] en anderen de maximale hoogte van de voorziene bebouwing beperkt tot 9 meter. Voor zover [appellant] en anderen zich keren tegen een maximale hoogte van 12 meter ontbeert deze beroepsgrond feitelijke grondslag. Voor zover zij ook een hoogte van 9 meter als niet passend in de omgeving afwijzen ziet de Afdeling geen aanleiding dit betoog te volgen. In de omgeving zijn, zoals de raad onweersproken heeft gesteld, gebouwen met een hoogte van 10 en 11 meter hoogte aanwezig. Voor zover zij een gebouw met een hoogte van 9 meter onaanvaardbaar vinden in verband met de beperking van hun uitzicht wordt overwogen dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat.

    Voorts dient ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften voorzien te worden in parkeren op eigen terrein. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd is geen grond te vinden voor het oordeel dat desondanks gevreesd moet worden voor (geluids)overlast als gevolg van door het plan veroorzaakt parkeren in hun woonomgeving.

    De afstand tussen de voorziene bebouwing en de woningen van [appellant] en anderen bedraagt ten minste 25 meter. Dit is geen ongebruikelijke afstand in een woonwijk. Gelet daarop is er geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare beperking van de privacy van [appellant] en anderen.

    Uit de bij de zienswijzennota gevoegde bezonningsstudie blijkt voorts dat van de voorziene bebouwing geen invloed op de bezonning van de woningen van [appellant] en anderen te verwachten is.

    Voor zover [appellant] en anderen wijzen op een vermindering van het groen in de omgeving overweegt de Afdeling dat er nog sportvelden overblijven, en dat overigens niet aannemelijk is gemaakt dat het groen dat als gevolg van het plan verloren gaat een bijzondere waarde heeft.

    Voorts is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de beoordeling van de ruimtelijke effecten van de woningen specifiek van seniorenwoningen is uitgegaan, nog daargelaten of er ruimtelijk relevante verschillen tussen seniorenwoningen en andere woningen zijn te verwachten.

    Gelet op al het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de mogelijkheden waarin het bestemmingsplan voorziet weliswaar gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen zullen hebben, maar die zijn niet zodanig dat de raad deze bij een afweging van de betrokken belangen in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten.

    Het betoog faalt.

Artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening

5.    [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel (hierna: de omgevingsverordening). Dit artikel bepaalt dat mogelijkheden worden onderzocht om extra ruimtegebruik te voorkomen door herstructurering of transformatie. Er is in Goor sprake van leegstand en het valt niet in te zien waarom het zorgcomplex niet in een van de leegstaande gebouwen kan worden ingericht.

5.1.    De raad betoogt dat de locatie ligt binnen de bebouwde kom van Goor. Juist door het benutten van "lege plekken" wordt het buitengebied vrij gehouden van bebouwing. De locatie heeft nu de bestemming "sport" maar wordt daarvoor nauwelijks benut.

5.2.    Artikel 2.1.3 van de omgevingsverordening luidt:

"Artikel 2.1.3. SER-ladder voor de Stedelijke omgeving.

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

• dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;

• dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut."

Artikel 2.1.1 onder f: van de omgevingsverordening luidt:

"bestaand bebouwd gebied: de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/artikel 10 BRO";

Artikel 2.1.1. onder g luidt:

"stedelijke functies: wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen, met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen";

5.3.    Het in artikel 2.3.1 van de omgevingsverordening opgenomen verbod op het mogelijk maken van nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt alleen als deze ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied, zoals gedefinieerd in artikel 2.1.1 onder f in samenhang met artikel 2.1.1. onder g van de omgevingsverordening, plaats vinden. Het plangebied was in het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd voor "sport". Toegestaan waren sportvoorzieningen, groenvoorzieningen, water, fiets en voetpaden. Gelet op de ligging in een woongebied moeten de gronden met deze bestemming worden aangemerkt als gronden die op grond van het bestaande bestemmingsplan voor stedelijke functies benut kunnen worden, namelijk voor maatschappelijke voorziening alsmede stedelijk groen. Derhalve concludeert de Afdeling dat de ontwikkeling plaats vindt in bestaand bebouwd gebied in de zin van de omgevingsverordening en dat artikel 2.1.3 van de omgevingsverordening niet van toepassing is.

    Het betoog faalt.

Artikel 3.1.6., tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening

6.    [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de in artikel 3.1.6., tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) opgenomen ladder voor duurzame verstedelijking. De verwijzing naar het woningbouwprogramma is niet voldoende om aan te tonen dat het plan voorziet in een regionale behoefte, daarvoor is onderzoek nodig volgens [appellant] en anderen. [appellant] en anderen stellen dat niet is onderzocht of bestaand, leegstaand, aanbod kan worden benut. Ter zitting hebben zij gewezen op De Stoevelaar, een woonzorgcentrum voor ouderen waar volgens hen nog ruimte vrij is, en op Huize Scherpenzeel, dat ook bestemd is voor ouderenhuisvesting en volgens hen momenteel leeg staat.

    Voorts wordt volgens [appellant] en anderen in de plantoelichting opgemerkt dat aan de tweede trede van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan omdat gebouwd wordt binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt volgens [appellant] en anderen miskend dat de tweede trede ook vereist dat wordt onderzocht of het toevoegen van bebouwing kan worden voorkomen door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie en dergelijke. Uit niets blijkt dat daarnaar onderzoek is gedaan, aldus [appellant] en anderen.

6.1.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

6.2.    De raad stelt dat in 2015 onderzoek is verricht naar de woningbehoefte in de gemeente. Daarbij is als speerpunt naar voren gekomen: "Aandacht hebben voor goede woonmogelijkheden voor groepen die (mogelijk) zorg nodig hebben". Er ligt een opgave in het passend huisvesten van senioren, opdat deze mensen zo lang mogelijk zelfstandig en prettig kunnen wonen. De raad wijst in dit verband onder meer op de "Regionale Woonvisie Twente (2015-2025)", vastgesteld in december 2014 en de "Woonagenda Hof van Twente", vastgesteld door de gemeenteraad van Hof van Twente op 22 maart 2016. Deze opgave vraagt om aanpassing van woningen en ook om nieuwbouw volgens de raad. De raad stelt voorts dat uit afspraken die binnen de regio Twente zijn gemaakt blijkt dat uitbreidingsplannen met minder dan 25 woningen geen regionale behoefte moet worden aangetoond, omdat is gebleken dat de behoefte voornamelijk lokaal is. De raad wijst er voorts op dat de 14 woningen zijn opgenomen in het dynamische woningbouwprogramma van de Hof van Twente. Ook de 24 zorgwoningen zijn in dit programma vermeld, maar tellen volgens de afspraken niet mee voor de netto toevoeging van woningen. Met betrekking tot het bestaande aanbod stelt de raad dat hij dat in de overwegingen heeft betrokken. De verbetering van het bestaande aanbod voor zorgwoningen brengt onder meer een vermindering van het aantal woningen en wooneenheden mee, aldus de raad, waarmee ruimte ontstaat voor toevoeging.

    De raad stelt voorts dat de voorziene ontwikkeling plaatsvindt in bestaand stedelijk gebied.

6.3.    Uit de door de raad genoemde beleidsstukken blijkt dat vergrijzing, en de opgave om een daarbij behorend aanbod van wonen op maat aan te bieden, een belangrijk thema is voor zowel de regio Twente, de gemeente Hof van Twente en de kern Goor. In zoverre is voldoende aangetoond dat woonzorgeenheden zoals door het plan mogelijk worden gemaakt, voorzien in een behoefte. Ook voor 14 woningen is de behoefte voldoende aangetoond, waarbij de Afdeling opmerkt dat het niet in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro om ter onderbouwing van de behoefte te verwijzen naar beleidsdocumenten. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, overweging 9.2 en 9.6.

    Voorts heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat gronden met de bestemming "Sport" op deze in een woonwijk gelegen locatie als bestaand stedelijk gebied moeten worden aangemerkt. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, overweging 10.1.

6.4.    De raad heeft echter niet duidelijk gemaakt wat het bestaande aanbod voor zorgwoningen inhoudt, en op welke wijze hij daarmee rekening heeft gehouden bij het bepalen van de behoefte. Gelet daarop zijn de noodzaak van nieuwe bebouwing zoals voorzien in de bestemming "Maatschappelijk" en mogelijke leegstandseffecten in het bestaande aanbod niet in de verantwoording van de raad betrokken. Het besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

    Het betoog slaagt.

7.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 13 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 6.4 alsnog de behoefte aan de voorziene ontwikkeling toereikend, dat wil zeggen met inachtneming van het bestaande aanbod, te motiveren, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst zo spoedig mogelijk mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

8.    Over hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd met betrekking tot het benutten van andere locaties en het volgens hen onvoldoende onderzoek naar mogelijke alternatieven zal de Afdeling in de einduitspraak oordelen, zodat de uitkomsten van de opdracht aan de raad bij dat oordeel betrokken kunnen worden.

9.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Hof van Twente op:

- om binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen onder 6.4 en 7. is overwogen het daar omschreven gebrek in het besluit van 31 mei 2016, kenmerk 588299, te herstellen,

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst zo spoedig mogelijk mede te delen, en

- een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017

539.