Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
201603535/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2016 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Netuitbreiding Kop van Noord-Holland" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1697
Module Ruimtelijke ordening 2017/7700 met annotatie van G. van den End
AR 2017/522
Milieurecht Totaal 2017/6579
AR 2017/1955
AR 2017/1982
JBO 2017/52 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2017/39 met annotatie van J.S. Haakmeester
JOM 2017/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603535/1/R6.

Datum uitspraak: 1 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. Hofsteestichting, gevestigd te Alkmaar,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellante sub 8], gevestigd te [plaats],

9. Farm Field Onroerend Goed B.V., gevestigd te 't Veld, gemeente Hollands Kroon,

10. [appellant sub 10] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11] en anderen, allen gevestigd te [plaats],

12. [appellant sub 12] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

13. [appellante sub 13] en anderen, allen gevestigd te [plaats],

14. [appellante sub 14] en anderen, allen gevestigd dan wel wonend te [plaats];

15. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Noord-Holland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2016 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Netuitbreiding Kop van Noord-Holland" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2016, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Provinciale staten hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn Liander N.V. en TenneT TSO B.V. als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die provinciale staten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2. TenneT is krachtens de Elektriciteitswet 1998 aangewezen als beheerder van het landelijke elektriciteitsnet. Daartoe behoren de 150 kV-hoogspanningsverbindingen (150 kilo Volt, oftewel 150.000 Volt). Liander is beheerder van het regionale elektriciteitsnet. Daartoe behoren de 20 kV-middenspanningsverbindingen.

Het plan voorziet in de aanleg van een nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding tussen een nieuw transformatorstation en vier bestaande transformatorstations. De ondergrondse hoogspanningsverbinding krijgt een voltage van maximaal 150 kV. In de transformatorstations vindt omzetting plaats van 150 Kv naar 20 Kv en andersom. De bestaande transformatorstations worden aangeduid als Anna Paulowna (APL), De Weel (DWL), Oterleek (OTL) en Westwoud (WWD). Het nieuwe transformatorstation is voorzien in de Wieringermeer en wordt aangeduid als transformatorstation Middenmeer (MDM).

2.1. Via de landelijke 150 kV-hoogspanningsverbinding worden tekorten en overschotten op de regionale 20 kV-middenspanningsverbinding op landelijke schaal herverdeeld. Door een toename van het verbruik en de productie van elektriciteit in de afgelopen jaren is de druk op het elektriciteitsnetwerk gestegen. De bestaande capaciteit is volgens provinciale staten niet meer toereikend om te voldoen aan de eisen die zijn opgesteld om de leveringszekerheid in de Kop van Noord-Holland te garanderen. Het plan vergroot de capaciteit van de landelijke 150 kV-hoogspanningsverbinding en de connectie met het regionale 20 kV-middenspanningsverbinding. Dit strekt tot uitvoering van de normen uit artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998, zoals uitgewerkt in de Netcode Elektriciteit. Daarnaast wordt bij de mate waarin de capaciteit wordt verhoogd rekening gehouden met de druk op het elektriciteitsnetwerk vanwege de realisatie van het windpark Wieringermeer.

3. Na bespreking van de ingebrachte procedurele bezwaren zal de Afdeling ingaan op tegen het plan naar voren gebrachte beroepsgronden over onderwerpen van algemene aard, zoals bijvoorbeeld de noodzaak, gezondheid en algemene aspecten over de tracékeuze en de afhandeling van schade. Daarna worden de beroepsgronden besproken die zien op de effecten die appellanten in hun specifieke situatie ondervinden.

Ontvankelijkheid

Het beroep van [appellant sub 15]

4. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 15] niet-ontvankelijk is, nu hij geen zienswijze tegen het plan naar voren heeft gebracht.

4.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij provinciale staten. [appellant sub 15] heeft niet binnen de gestelde termijn een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een inpassingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 15] is niet-ontvankelijk.

Intrekkingen

5. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen hebben ter zitting hun beroep ingetrokken voor zover het betreft de beroepsgronden:

- dat in de kennisgeving niet was aangegeven of zienswijzen tegen het eerste ontwerp ook als zienswijzen tegen het tweede ontwerp worden aangemerkt;

- dat ten onrechte niet een concept van de nota van zienswijzen met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen.

6. [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen hebben ter zitting hun beroep ingetrokken voor zover het betreft de beroepsgrond dat het plan ten onrechte niet voorziet in een schakelbepaling waarmee ondubbelzinnig wordt bepaald dat de binnen het plangebied geldende bestemmingsplannen hun rechtskracht behouden.

Procedurele aspecten

Publicatie en kennisgeving

7. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan bij de kennisgeving van de twee ontwerpbesluiten. Niet is gebleken dat de ontwerpbesluiten in het hele plangebied in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen bekend zijn gemaakt.

7.1. Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb geeft het bestuursorgaan, voorafgaand aan de terinzagelegging, in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

Ingevolge artikel 8:69a vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

7.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Daargelaten of de ontwerpbesluiten in het hele plangebied in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen bekend zijn gemaakt, volgt uit de publicaties dat de kennisgevingen in elk geval hebben plaatsgevonden ter plaatse van de gronden van [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen. De ingeroepen procedurele norm strekt derhalve kennelijk niet tot bescherming van de belangen van appellanten, zodat artikel 8:69a Awb er aan in de weg staat dat het besluit om die reden wordt vernietigd.

Hoorplicht

8. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat niet is voldaan aan de plicht uit artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) om de betrokken gemeenteraden te horen.

8.1. Provinciale staten hebben toegelicht zij in het kader van de hoorplicht uit artikel 3.26, eerste lid, van de Wro brieven hebben verzonden aan alle betrokken gemeenteraden. Een aantal gemeenten heeft hierop per brief gereageerd. Gelet hierop is voldaan aan de hoorplicht. Het betoog faalt.

Terinzagelegging

9. Voor zover [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat de startnotitie op meer gemeenten betrekking heeft dan waar het tweede ontwerpplan ter inzage heeft gelegen, overweegt de Afdeling dat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen in de gemeenten waartoe het plangebied zich uitstrekt. Bij het opstellen van de startnotitie stond het plangebied nog niet vast. Dat in de startnotitie een groter aantal gemeenten wordt genoemd, brengt echter niet met zich dat het tweede ontwerpplan ook in gemeenten buiten het plangebied ter inzage had moeten liggen. Het betoog faalt.

10. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat in strijd met artikel 3:11 van de Awb niet alle op het plan betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen, ondanks dat zij hier herhaaldelijk om hebben gevraagd. Zij noemen in dat verband een groot aantal (soorten) stukken.

Voor het geval voornoemde stukken niet onder het toepassingsbereik van 3:11 van de Awb vallen, betogen appellanten dat provinciale staten op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) waren gehouden om deze informatie te verschaffen.

10.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

10.2. Provinciale staten hebben toegelicht dat de Haalbaarheidsstudie van Arcadis is opgesteld als intern stuk van TenneT. Voor zover van belang is de inhoud daarvan bij de voorbereiding van het plan opnieuw onderzocht en onder woorden gebracht. Dit is terug te vinden in de plantoelichting en de bijlagen daarbij, waaronder de Startnotitie, de Afwegingsnotitie zoekgebieden Netuitbreiding Kop van Noord-Holland, het besluit van provinciale staten van 7 april 2014 over nut en noodzaak, de Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling en de notitie Toelichting afwegingscriteria ten aanzien van de tracering. Gelet daarop is de Haalbaarheidsstudie geen op het plan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig was voor een beoordeling van het ontwerp. Het betoog faalt.

10.3. Voor zover het betoog betrekking heeft op de financiële aspecten uit de Haalbaarheidsstudie van Arcadis, de Intentieovereenkomst voorbereiding windplan Wieringermeer, het Investeringsvoorstel TenneT, het Green Deal Windplan Wieringermeer en de kostenramingen overweegt de Afdeling dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is toegelicht in § 7.1 van de plantoelichting. Daar is vermeld dat het initiatief voor rekening en risico van TenneT komt. De leveringszekerheid is een wettelijke taak van TenneT op grond van de Elektriciteitswet 1998. Hierdoor kan TenneT de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit, aldus de plantoelichting. Gelet hierop, en nu niet is gebleken van enige twijfel over de kredietwaardigheid van Tennet, waren de genoemde stukken redelijkerwijs niet nodig voor een beoordeling van de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

Voorts bestaat in het niet nader geconcretiseerde betoog, dat alle stukken waaruit blijkt van enig overleg tussen de provincie en het Rijk ter inzage hadden moeten liggen, geen aanleiding voor het oordeel dat dit op het plan betrekking hebbende stukken zijn die redelijkerwijs nodig waren voor een beoordeling van het ontwerp.

Wat betreft een mogelijke alternatieve verbinding voor alleen het windpark is in de Startnotitie vermeld dat het plan ook noodzakelijk blijft indien gelet op de urgentie dat alternatief wordt uitgevoerd. Gelet daarop zijn de stukken omtrent het alternatief geen op het plan betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig waren voor een beoordeling van het ontwerp.

Verder is niet gebleken dat het Stappenplan "Een inpassingsplan van Provincie Noord-Holland in tien stappen" betrekking heeft op de inhoud van het plan. Derhalve is dit geen op het plan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig was voor een beoordeling van het ontwerp.

De betogen falen.

10.4. Voor zover is betoogd dat de stukken over het schriftelijk horen van de raden niet ter inzage hebben gelegen overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat het provinciebestuur op 12 oktober 2015 aan de betrokken gemeenteraden brieven omtrent de hoorplicht uit artikel 3.26 van de Wro heeft verzonden. In de enkele stelling van appellanten daaromtrent bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze stukken ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen. Het betoog faalt.

10.5. Voor zover het betreft de in de Startnotitie genoemde studies van TenneT en Liander omtrent de locatiekeuze van transformatorstation Middenmeer is niet aannemelijk geworden dat gelet op de doelstellingen een zodanige andere locatie mogelijk was dat dit van invloed zou zijn op het tracé ter hoogte van de gronden van [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen in de gemeente Anna Paulowna. Derhalve kan worden geoordeeld dat de norm van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, wat betreft deze stukken, kennelijk niet ziet op de bescherming van hun belangen. Gelet hierop staat artikel 8:69a Awb er aan in de weg staat dat het besluit om die reden wordt vernietigd.

10.6. Voor zover het provinciebestuur niet tegemoet is gekomen aan het verzoek van eisers om de ingediende zienswijzen tegen het eerste en het tweede ontwerp toe te zenden, overweegt de Afdeling dat de ingediende zienswijzen in de nota van zienswijzen samengevat zijn weergegeven. De Awb noch de Wro vereist dat de originele zienswijzen worden verstrekt. Het betoog faalt.

10.7. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat het niet verstrekken van de voornoemde stukken in strijd is met de Wob overweegt de Afdeling dat - wat daarvan ook zij - die grief in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staat. Het betoog faalt.

Crisis- en herstelwet (hierna: Chw)

11. [appellante sub 8], [appellant sub 10] en anderen en Farm Field Onroerend Goed betogen dat provinciale staten ten onrechte de Chw op het plan van toepassing hebben verklaard, nu het project niet valt onder de bijlagen bij de Chw.

[appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat provinciale staten niet in redelijkheid de Chw op het plan van toepassing hebben kunnen verklaren. Hierbij voeren zij aan dat blijkens het langdurige verloop van de planprocedure geen sprake is van spoed. Voorts is het plan dermate omvangrijk en gecompliceerd dat het onredelijk is om de uit de Chw voortvloeiende eis te stellen dat alle beroepsgronden binnen de beroepstermijn moeten zijn aangevoerd. Voorts hebben provinciale staten volgens hen ten onrechte een informatieachterstand bij belanghebbenden gecreëerd door na te laten om tussentijds nieuwe of gewijzigde informatie ter beschikking te stellen. Door dit na te laten is de gevoerde planprocedure in strijd met het beginsel van fair play, aldus [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen.

11.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Bijlage I, onderdeel 1, onder 1.6, vermeldt de ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het transport of het leveren van duurzame energie.

Onderdeel 2, onder 2.1 vermeldt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wro, hetgeen de bevoegdheid tot het vaststellen van een provinciaal inpassingsplan omvat.

Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

11.2. In de plantoelichting staat dat de voorziene uitbreiding van het midden- en hoogspanningsnet in de Kop van Noord-Holland onder meer noodzakelijk is voor de aansluiting van windpark Wieringermeer op het elektriciteitsnet zodat dit park operationeel kan worden. Gelet hierop is het plan een besluit dat vereist is voor de ontwikkeling van een ruimtelijk project ten behoeve van het transport van duurzame energie als bedoeld in bijlage I, onderdeel 1, onder 1.6, van de Chw. Daarnaast is sprake van een inpassingsplan als bedoeld in bijlage I, onderdeel 1, onder 2.1. Derhalve is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op het plan.

Anders dan [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen mogelijk veronderstellen is de toepassing van de Chw geen door provinciale staten gemaakte keuze. De toepasselijkheid van de Chw vloeit van rechtswege voort uit artikel 1.1, eerste lid, van de Chw en de aard van het bestreden besluit. In het door [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen aangevoerde bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de Chw in dit geval buiten toepassing had moet blijven.

Overigens kon het dossier tussen de terinzagelegging van het tweede ontwerp op 22 oktober 2015 en het einde van de beroepstermijn op 30 mei 2016 worden bestudeerd. De voor [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen relevante wijzigingen bij de vaststelling van het plan zijn beperkt van omvang. Verder hebben zij ter zitting desgevraagd aangegeven geen nadere beroepsgronden te hebben die zij zonder toepasselijkheid van de Chw hadden willen indienen. Voorts konden ingevolge artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Dit laat onverlet dat de reeds aangevoerde beroepsgronden nog wel konden worden voorzien van nieuwe argumenten. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4003.

De betogen falen.

Vergewisplicht

12. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat het provinciebestuur heeft nagelaten zich ervan te vergewissen dat de ingebrachte adviezen (lees: onderzoeken) op zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Hierbij voeren zij aan dat enkele onderzoeken van vlak voor of zelfs na de terinzagelegging van de ontwerpplannen dateren, zodat feitelijk geen bestuurlijke beoordeling heeft kunnen plaatsvinden. Verder is niet gebleken dat het provinciebestuur enige vorm van inhoudelijke regie heeft gevoerd. Voorts voeren zij aan dat de initiatiefnemers opdrachtgever van de onderzoeken waren. Initiatiefnemers hadden vrij spel om een uit financieel oogpunt zo gunstig mogelijk plan op te stellen. Daarbij is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van appellanten en de belangen van anderen. Zij achten het plan dan ook vastgesteld in strijd met de vergewisplicht zoals neergelegd in artikel 3:9 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1.3 van de Chw.

12.1. Ingevolge artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Ingevolge artikel 3:9 dient een bestuursorgaan, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

12.2. Ingevolge artikel 1.3 van de Chw is artikel 3:9 van de Awb van overeenkomstige toepassing op onderzoeken die aan een besluit ten grondslag zijn gelegd.

12.3. In de parlementaire geschiedenis bij de Chw (Kamerstukken II, 2009/10, 32 127, nr. 4, p. 14) staat dat het de bedoeling is om artikel 3:9 mede van toepassing te laten zijn op niet wettelijk verplichte adviezen en onderzoeken van externe deskundigen.

12.4. Gelet op artikel 1.3 van de Chw, gelezen in samenhang met de parlementaire geschiedenis, is de vergewisplicht uit artikel 3:9 van de Awb van overeenkomstige toepassing op de door appellanten genoemde onderzoeken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd.

12.5. De Afdeling overweegt dat het enkele feit dat een aantal onderzoeken is opgesteld op verzoek van initiatiefnemers op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat deze onderzoeken niet aan het besluit ten grondslag mochten worden gelegd. Provinciale staten hebben toegelicht dat de concept-rapporten uit een oogpunt van zorgvuldigheid door ambtenaren van de provincie zijn beoordeeld. Opmerkingen uit deze beoordelingsronde zijn meegenomen in de definitieve rapporten. Dat verklaart dat sommige onderzoeken vlak voor of na het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan zijn gedateerd. Gelet hierop bestaat in het betoog van [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen op zichzelf, dat wil zeggen zonder vooruit te lopen op de hierna te behandelen inhoudelijke beroepsgronden, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 3:9 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1.3 van de Chw. Het betoog faalt.

Algemene inhoudelijke aspecten

Samenhang met windpark Wieringermeer ten aanzien van de noodzaak, de besluitvorming en de milieueffectrapportage

13. [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 10] en anderen en Farm Field Onroerend Goed betogen dat afgezien van het windpark Wieringermeer onvoldoende noodzaak bestaat voor de uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. Ook de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie biedt geen aanknopingspunten om van een algemeen belang te kunnen spreken. Slechts de commerciële belangen van onder meer de eigenaren van het windpark worden gediend. Volgens hen is derhalve geen sprake van een werk van openbaar belang. Hieruit volgt dat de aanleg van het tracé niet op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht aan de grondeigenaren en -gebruikers kan worden opgelegd.

Voorts betogen [appellant sub 4], [appellant sub 1], [appellante sub 8] en Farm Field Onroerend Goed dat voor hen ten onrechte een slechtere regeling wordt getroffen dan voor agrariërs op de gronden waarvan een windturbine voor het windpark Wieringermeer zal komen. Deze grondeigenaren/opstalgevers hebben op basis van minnelijk overleg een geschikte locatie, een looptijd en een vergoeding voor de opstal (de windturbine) kunnen overeenkomen.

13.1. Artikel 20, eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 bepaalt dat een net dat door een netbeheerder is of wordt aangelegd, voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht wordt aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut.

13.2. Gelet op artikel 20, eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 is het algemeen nut van de hoogspanningsverbinding uitdrukkelijk bij wet erkend als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht. De wetgever heeft aldus geen ruimte meer gelaten voor een beoordeling van het openbare belang van de hoogspanningsverbinding. Het betoog dat het plan geen werk is van openbaar belang faalt.

13.3. Voorts bestaat in de gestelde omstandigheid, dat met de eigenaren van gronden waar een windturbine komt een gunstigere regeling is getroffen waarbij de eigenaren delen in de opbrengsten, geen aanleiding voor het oordeel dat thans niet kan worden volstaan met de regeling uit de Belemmeringenwet Privaatrecht, dan wel het aanbieden van een daarmee vergelijkbare overeenkomst. Voor zover bij windpark Wieringermeer al dezelfde initiatiefnemers en overheden betrokken zijn, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouw van een windturbine niet vergelijkbaar is met de aanleg van een hoogspanningsverbinding. Het betoog faalt.

14. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat los van het windpark Wieringermeer onvoldoende noodzaak bestaat voor de uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. Volgens hen is sprake van een nationaal belang en onverbrekelijke samenhang tussen het plan en windpark Wieringermeer. De uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk had tegelijk met het windpark moeten worden voorzien in een Rijksinpassingsplan. Door dit na te laten is sprake van gefragmenteerde besluitvorming, welke niet anders dan onzorgvuldig en willekeurig kan uitvallen, aldus [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen.

14.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat geen sprake is van onlosmakelijke samenhang met het windpark nu de netuitbreiding ook een regionale doelstelling dient. De uitbreiding is ook van belang vanwege een goede leveringszekerheid in de Kop van Noord-Holland.

14.2. Vast staat dat de realisatie van het windpark Wieringermeer de urgentie vergroot om de ontoereikende capaciteit van het elektriciteitsnetwerk op te lossen. Het plan voorziet echter ook in het oplossen van een bestaand tekort aan capaciteit. Het vergroten van de capaciteit is ook nodig om de leveringszekerheid in de Kop van Noord-Holland te garanderen en om te voldoen aan de normen uit artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998, zoals uitgewerkt in de Netcode Elektriciteit. Derhalve zijn bij het plan ook belangen betrokken die niet samenhangen met windpark Wieringermeer.

14.3. Ingevolge artikel 3.26, eerste lid, van de Wro kunnen provinciale staten indien sprake is van provinciale belangen, de betrokken gemeenteraad gehoord, voor de daarbij betrokken gronden een inpassingsplan vaststellen.

14.4. In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro (EK 2005-2006, 28 916, C, blz. 3, 4) is hierover onder meer aangegeven dat de vele streekplannen van de afgelopen decennia hebben laten zien dat de provinciale besturen naar regio en tijd heel goed in staat zijn geweest om vanuit het algemene begrip "provinciaal belang" aan te geven voor welke vraagstukken zij zich verantwoordelijk achtten en aan te geven welke beleidsinstrumenten zij inzetten ter behartiging of ter borging van de daarbij betrokken belangen. Overigens is het van belang te onderkennen, dat we in formele zin in Nederland één overheid kennen, in weerwil van het spraakgebruik waarbij termen als «andere overheden» worden gehanteerd. Die ene overheid is territoriaal gelaagd. Voor veel vraagstukken is het ook volstrekt onmogelijk om verantwoordelijkheden exclusief toe te delen naar één overheidsniveau. Denk als voorbeeld aan het energiebeleid of het waterkwantiteitsbeleid. De maatschappelijke taken die de verschillende overheidsniveaus op die twee genoemde terreinen hebben zijn dikwijls complementair.

14.5. Gelet op het bepaalde in artikel 3.26, eerste lid, van de Wro en onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro valt niet in te zien dat het provinciebestuur zich niet in redelijkheid de belangen die gemoeid zijn met de aansluiting van windpark Wieringermeer op het elektriciteitsnet en de leveringszekerheid in de Kop van Noord-Holland als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. De enkele omstandigheid dat het windpark met een Rijksinpassingsplan is voorzien maakt dat niet anders. Het betoog faalt.

14.6. Voorts hebben [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen hun betoog dat sprake is van gefragmenteerde besluitvorming niet dan wel onvoldoende onderbouwd, zodat in zoverre geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig of willekeurig is vastgesteld. Het betoog faalt.

15. [appellant sub 10] en anderen en Farm Field Onroerend Goed betogen dat ten onrechte geen milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is uitgevoerd. Volgens [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen had de m.e.r.-beoordeling gezamenlijk met het Windpark Wieringermeer moeten plaatsvinden, in plaats van als gescheiden projecten.

15.1. Het Rijksinpassingsplan voor windpark Wieringermeer viel in het Besluit milieueffectrapportage onder categorie D 22.2 "De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark". Voor het windpark is een m.e.r. uitgevoerd. Het resultaat is neergelegd in het rapport "Milieueffectrapportage Windpark Wieringermeer".

15.2. Het voorliggende plan valt in het Besluit milieueffectrapportage onder categorie D 24.2 "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding". Voor de netuitbreiding heeft een m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de "Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Netuitbreiding Kop van Noord-Holland", gelezen in samenhang met paragraaf 5.12 van de plantoelichting. Hierin wordt geconcludeerd dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, zodat het opstellen van een milieueffectrapport verder achterwege kan blijven.

15.3. De in het plan voorziene netuitbreiding en de aanleg van het windpark betreffen geen afzonderlijke fasen van dezelfde activiteit. Voorts hebben provinciale staten zich, gelet op hetgeen onder 2.1 en 14.2 is overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergroting van de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk ook los van het windpark wenselijk is. Dat de aanleg van het windpark de urgentie voor de aanpassing aan het hoogspanningsnet heeft verhoogd, leidt niet tot het oordeel dat de ontwikkelingen één activiteit betreffen. Daarnaast hebben de desbetreffende activiteiten geen zodanige samenhang dat ze als één activiteit hadden moeten worden aangemerkt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte is uitgegaan van gescheiden projecten. Verder wordt in de m.e.r. beoordeling van de netuitbreiding geconcludeerd dat de gevolgen voor het milieu aanvaardbaar zijn. In deze beoordeling bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat tot een andere conclusie was gekomen indien de netuitbreiding tezamen met het windpark was beoordeeld. Het betoog faalt.

15.4. In hetgeen [appellant sub 10] en anderen en Farm Field Onroerend Goed hebben aangevoerd bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op de Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling hebben mogen baseren. Het betoog faalt.

Gezondheid

16. Verschillende appellanten vrezen dat de elektromagnetische velden vanwege het voorziene tracé voor de ondergrondse 150 kV- hoogspanningsverbinding leiden tot schade aan hun gezondheid. Volgens hen bestaat hierover onvoldoende zekerheid.

17. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217, brengt het in gebruik nemen van een hoogspanningsverbinding onder meer met zich dat daar omheen een magnetisch veld ontstaat. De sterkte van een magnetisch veld op een bepaalde plaats is afhankelijk van de hoeveelheid stroom die wordt getransporteerd of gebruikt, maar is ook sterk afhankelijk van de afstand van de bron die het veld veroorzaakt. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningsverbinding, des te sneller neemt de veldsterkte af. Verder is voor de sterkte van het magneetveld van belang de omstandigheid of de hoogspanningsverbinding bovengronds of ondergronds wordt aangelegd.

Voorts staat in die uitspraak dat bij effecten op de gezondheid onderscheid wordt gemaakt tussen korte termijn effecten (directe effecten) en lange termijn effecten. De korte termijn effecten worden veroorzaakt door de opgewekte elektrische stroom in het lichaam. Voor de gesignaleerde lange termijn effecten is geen aannemelijk biologisch mechanisme vastgesteld. Er zijn in Nederland geen wettelijke normen gesteld voor de blootstelling van de bevolking aan deze velden.

17.1. Om korte termijn effecten te voorkomen wordt, op grond van de laagste blootstelling waarbij effecten kunnen optreden, een referentieniveau van 100 microtesla (hierna: µT) gehanteerd. Dit is het door de Europese Unie aanbevolen niveau voor magnetische veldsterkte, welke waarde ook in Nederland wordt gehanteerd. In Nederland wordt volgens het achtergrondrapport leefomgevingskwaliteit de advieswaarde van 100 µT op maaiveldniveau nergens overschreden, ook niet direct onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen.

17.2. Met betrekking tot de lange termijn effecten is op rijksniveau beleid ontwikkeld. Dit beleid is gebaseerd op het Europese voorzorgbeginsel.

Bij brief van de toenmalige staatssecretaris van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: VROM) van 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005183118, nadien bevestigd en verduidelijkt in een brief van de toenmalige minister van VROM van 4 november 2008, kenmerk DGM\2008105664 (www.rijksoverheid.nl), is een advies aan gemeenten en provincies gezonden met betrekking tot de aanwezigheid van hoogspanningsverbindingen in de nabijheid van gevoelige bestemmingen in verband met gezondheidsrisico's (hierna: het magneetveldvoorzorgsbeleid). Het advies houdt in bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen zoveel als redelijkerwijs mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 15T (de magneetveldzone). In de brief wordt geadviseerd zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen, zoals woningen, crèches en kinderopvangplaatsen, te situeren in de specifieke zone. Volgens de brief is de reden hiervan dat mogelijk een statistisch significante associatie aanwezig is tussen het optreden van leukemie bij kinderen en de magnetische velden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad van 21 februari 2008 wordt in de bijlage van de brief van 4 november 2008 het begrip "langdurig verblijf" omschreven als verblijf van minimaal 14 tot 18 uur per dag gedurende minimaal één jaar. Het begrip "gevoelige bestemming" wordt in de bijlage als woning, school, crèche en kinderopvangplaats gedefinieerd. Daarbij is toegelicht dat andere bestemmingen waar kinderen voor kortere tijd en niet dagelijks verblijven, geen gevoelige bestemmingen zijn. Op grond van het voorzorgbeginsel is er volgens de bijlage geen reden om de toepassing van het advies van de Gezondheidsraad uit te breiden naar bijvoorbeeld sportvelden, kinderspeelplaatsen en recreatiegebieden.

17.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, waaronder in bovengenoemde uitspraak van 29 december 2010, kan bij de aanleg van een bovengrondse hoogspanningsverbinding in redelijkheid bij het magneetveldvoorzorgsbeleid worden aangesloten.

TenneT heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het magneetveldvoorzorgsbeleid niet van toepassing is op ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dit neemt naar het oordeel van de Afdeling niet weg dat de uitgangspunten die aan het magneetveldvoorzorgsbeleid ten grondslag liggen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel ook moeten worden toegepast bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen.

17.4. Gelet op de plantoelichting is het vermijden van gevoelige functies zoals woningen niet als traceringsprincipe gehanteerd. Wel is na toepassing van de traceringsprincipes als correctiemechanisme het uitgangspunt gehanteerd dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk moet worden voorkomen dat nieuwe gevoelige bestemmingen aan een magnetische veldsterkte boven 0,4 µT (jaargemiddelde) worden blootgesteld. In dit verband worden in beginsel afstanden tot gevoelige functies aangehouden van 15 m (horizontaal of verticaal) tot open ontgravingen en 10 m (verticaal) tot gestuurde boringen.

Gelet op het vorenstaande bestaat in het aangevoerde, behoudens locatiespecifieke gevallen, in het algemeen geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het plan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

17.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bovengenoemde uitspraak van 29 december 2010 is het, gelet op de complexiteit daarvan, niet mogelijk om zekerheid te verkrijgen over alle gevolgen van de voorziene hoogspanningsverbinding op de gezondheid. Het magneetveldvoorzorgsbeleid is aan te merken als een beleidsmatige keuze, gebaseerd op de resultaten van een evaluatie van de beschikbare wetenschappelijke gegevens en in aanmerking genomen de onzekerheden van de uitkomsten van de relevante wetenschappelijke onderzoeken. Daarom hebben provinciale staten bij de vaststelling van het plan zich in redelijkheid kunnen aansluiten bij het magneetveldvoorzorgsbeleid. Het betoog faalt.

Tracékeuze

18. Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat provinciale staten geen goede belangenafweging hebben gemaakt bij het bepalen van het tracé van de hoogspanningsverbinding. Voorts is de tracékeuze onvoldoende gemotiveerd. Ook voeren appellanten aan dat zij onvoldoende zeggenschap hebben gehad bij de tracékeuze. Overleg heeft niet of pas in een laat stadium plaatsgevonden en alternatieven konden in onvoldoende mate worden aangedragen. Volgens appellanten is teveel gewicht toegekend aan de belangen van TenneT en te weinig gewicht toegekend aan de belangen van de individuele grondeigenaren en -gebruikers. Het plan dient vooral de belangen van TenneT om het doel tegen zo min mogelijk kosten te verwezenlijken. Met de negatieve gevolgen voor agrarische functies is onvoldoende rekening gehouden, aldus appellanten.

18.1. In het rapport 'Toelichting afwegingscriteria ten aanzien van de tracering' van Arcadis van 15 september 2015 staan de gehanteerde traceringsprincipes. Zo is getracht om de lengte van het tracé te beperken om onnodige kosten en ruimtebeslag te voorkomen. Voorts is getracht om doorsnijding te voorkomen van gronden met beschermenswaardige natuur, landschappen en aardkundige waarden. Verder zijn de tracés zoveel mogelijk buiten zeer zettingsgevoelige gebieden bepaald. Voorts is vanuit duurzaam ruimtegebruik bundeling met bestaande infrastructuur gezocht, nu dat leidt tot vermindering van doorsnijding van agrarische percelen. Uitgangspunt is dat kabels zoveel mogelijk gebundeld worden met bestaande infrastructuur, maar wel buiten het beheergebied van de provincie blijven en een minimaal aantal kruisingen met infrastructuur maken. Kruisingen met waterwegen en infrastructuur vergen gestuurde boringen. Voorts is de bufferzone rond windturbines vermeden om schade aan hoogspanningsinfrastructuur te voorkomen. Hierbij is de maximale werpafstand bij nominaal toerental aangehouden zoals beschreven in tabel 2 van het Handboek Risicozonering Windturbines. Ook is rekening gehouden met negatieve effecten voor de agrarische bedrijfsvoering, bijvoorbeeld door verstoring van de bodem en aantasting van drainagesystemen, door zoveel als mogelijk doorsnijding van agrarische percelen te voorkomen. Waar toch voor doorsnijding van agrarische percelen is gekozen, is getracht deze doorsnijding zoveel mogelijk aan de randen van de percelen te leggen. Verder zijn boom- en fruitkwekerijen vermeden omdat wortels de kabels kunnen aantasten. Voorts zijn bollenconcentratiegebieden en gebieden van de beschermde Opperdoezer aardappel zo mogelijk vermeden. Binnen een bepaalde afstand en door middel van bepaalde parallelloop kunnen kabels en leidingen voor gas, hoog- en middenspanning en gevaarlijke stoffen invloed hebben, zodat die waar mogelijk vermeden zijn. Onderscheiden worden capacitieve, inductieve en weerstandsbeïnvloeding. Verder zijn gebieden waar plannen liggen om kernen uit te breiden vermeden.

Gelet op hetgeen onder 17.4 is overwogen, is het vermijden van gevoelige functies zoals woningen niet als traceringsprincipe gehanteerd, maar wordt wel in het algemeen voldaan aan de uitgangspunten uit het magneetveldvoorzorgsbeleid.

18.2. Vast staat dat provinciale staten en Tennet bij de voorbereiding van de ontwerpplannen en het vastgestelde plan niet structureel overleg hebben gevoerd met de (agrarische) grondeigenaren en -gebruikers. Het tracé is op basis van de traceringsprincipes bepaald. Tegen de uitwerking in het eerste ontwerpplan konden belanghebbenden zienswijzen indienen. Omdat het aantal wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen groot was, is een tweede ontwerpplan ter inzage gelegd. Ook daartegen konden belanghebbenden zienswijzen indienen. Die zienswijzen zijn bij het vaststellen van het plan met het definitieve tracé betrokken.

In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet hebben voldaan aan de in de Wro en de Awb voorgeschreven vorm van zeggenschap van belanghebbenden over de tracékeuze. De omstandigheid dat vooraf in ruimere mate overleg had kunnen plaatsvinden, maakt niet dat provinciale staten het plan in strijd met het recht hebben vastgesteld. Het betoog faalt.

18.3. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 is TenneT aangewezen als beheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Derhalve doet de liberalisering geen afbreuk aan haar positie als beheerder. Voorts is thans geen commercieel belang van TenneT in het geding. Op grond van artikel 16 van de Elektriciteitswet 1998 rust op TenneT de wettelijke taak om haar netten in werking te hebben, te onderhouden en de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van de netten en van het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Gelet hierop hebben provinciale staten in redelijkheid een belangrijk gewicht kunnen toekennen aan het algemene belang om dat doel op de meest doelmatige wijze te verwezenlijken.

18.4. Voor zover TenneT invloed heeft gehad op de traceringsprincipes met toepassing waarvan de tracés zijn vastgesteld, is dat gebeurd in het kader van het hiervoor bedoelde algemene belang. Ook voor het overige bestaat in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich bij het vaststellen van de tracés niet in redelijkheid op deze traceringsprincipes hebben kunnen baseren. Het betoog faalt.

18.5. Gelet op het hiervoor overwogene is het tracé bepaald op basis van objectieve traceringsprincipes. Daarbij is zoveel als mogelijk rekening gehouden met de belangen van de individuele grondeigenaren en -gebruikers, door onder meer zoveel mogelijk te voorkomen dat agrarische percelen ingrijpend worden doorsneden. Uit de omstandigheid dat dit niet in alle gevallen is gelukt, volgt op zichzelf niet dat te weinig gewicht is toegekend aan de belangen van de individuele grondeigenaren en -gebruikers.

Daargelaten de toepassing van de traceringsprincipes in concrete gevallen, bestaat in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de belangen onvoldoende gewicht hebben toegekend aan de belangen van agrarische grondeigenaren en -gebruikers. Voorts is voldoende gemotiveerd hoe tot het vastgestelde tracé is gekomen. Het betoog faalt.

18.6. Dit laat onverlet dat voor de locatiespecifieke gevallen waarin belangen van grondeigenaren en -gebruikers worden geraakt een belangenafweging dient te worden gemaakt. Daarbij spelen de volledige schadeloosstelling en de gevolgen van het plan voor de grondeigenaren en -gebruikers een rol. De volledige schadeloosstelling enerzijds en de locatiespecifieke gevallen anderzijds komen afzonderlijk in deze uitspraak aan de orde.

Wijzigingsbevoegdheid

19. [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen betogen dat de wijzigingsbevoegdheid, waarmee het tracé binnen de daarvoor gegeven aanduiding kan worden verplaatst, ten onrechte niet in tijd beperkt is, terwijl tegen de toepassing daarvan geen rechtsbescherming open staat.

19.1. Ingevolge artikel 8.1 van de planregels kan het college van gedeputeerde staten het plan onder de daar genoemde voorwaarden wijzigen om de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning" te verschuiven ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1'.

19.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 3.26, vierde lid, aanhef en onder a, kan bij een inpassingsplan worden bepaald dat het college van gedeputeerde staten met inachtneming van de bij het plan te geven regels het plan binnen de bij het plan te bepalen grenzen kan wijzigen.

19.3. Uit de Wro noch enige andere geschreven of ongeschreven rechtsregel vloeit voort dat toepassing van een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6, aanhef en onder a, van de Wro aan een termijn zou moeten worden verbonden. Voorts staat, anders dan [appellant sub 11] en anderen veronderstellen, rechtsbescherming open tegen de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 8.1 van de planregels in de vorm van een zienswijzenprocedure en beroep bij de Afdeling. Het betoog faalt.

Gestuurde boring

20. Verschillende appellanten betogen dat de ondergrondse hoogspanningskabel in plaats van met een open ontgraving door middel van een gestuurde boring zou moeten worden aangelegd. Hiermee worden diverse vormen van hinder en schade voor rechthebbenden voorkomen. Voorts achten zij het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu ter plaatse van natuurgebieden, wegen en waterlopen wel voor een gestuurde boring is gekozen.

20.1. Gelet op de plantoelichting en het verweerschrift wordt de hoogspanningskabel in principe via een open ontgraving aangelegd. Bij kruisingen van wegen, watergangen, bepaalde natuurgebieden en anderszins waardevolle gronden met bijvoorbeeld cultuurhistorische waarden kan ervoor gekozen worden om de hoogspanningsverbinding door middel van een gestuurde boring aan te leggen.

20.2. Nu niet of nauwelijks andere opties denkbaar zijn, is een gestuurde boring een doelmatige wijze om provinciale wegen, Rijkswegen en watergangen te kruisen. Voorts is het doorkruisen van bepaalde natuurgebieden gelet op beschermende wetgeving niet toegestaan. In die gevallen is een gestuurde boring de enige toegestane mogelijkheid.

Op locaties waar het tracé onder meer door agrarische gronden gaat, is gekozen voor een open ontgraving. In dit verband hebben provinciale staten van belang kunnen achten dat een open ontgraving de aanleg en het onderhoud vereenvoudigt en daarmee samenhangend de leveringszekerheid versterkt. Een boring is technisch complex en moeilijk te beheersen. Er bestaat geen zicht op de grond die de mantelbuis zal dragen. Daarnaast zouden gestuurde boringen door agrarische gronden een aanmerkelijke afstand aan gestuurde boringen met zich brengen. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit gelet op de meerkosten geen doelmatige wijze van verwezenlijken is als bedoeld onder 18.3.

Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten in redelijkheid kunnen kiezen voor een gestuurde boring bij het kruisen van wegen, watergangen en bepaalde natuurgebieden en in redelijkheid kunnen kiezen voor een open ontgraving ter plaatse van agrarische gronden. Het betoog faalt.

Schadeloosstelling

21. Veel appellanten voeren aan dat de schaderegeling van TenneT onredelijk is, zodat provinciale staten niet konden volstaan met een verwijzing naar dat beleid.

21.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat herstel van de oorspronkelijke situatie het uitgangspunt is. In overleg met rechthebbenden wordt bekeken welke maatregelen daarvoor moeten worden getroffen. Indien tijdens of na de afronding van de werkzaamheden nog sprake is van gevolgen voor de bedrijfsvoering, dan voorziet de schaderegeling van TenneT hierin. Gelet hierop is geen sprake van een zodanige onevenwichtigheid dat het plan niet op deze wijze had mogen worden vastgesteld.

21.2. In de brochure ‘Schade en vergoedingengids - ondergrondse 150 kV en 110 kV-hoogspanningsverbindingen’ staat dat TenneT voor de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding gebruik moet kunnen maken van een strook grond langs de hoogspanningsverbinding. Dit wordt de zakelijk rechtstrook genoemd. Ten behoeve hiervan tracht TenneT een zakelijk rechtovereenkomst af te sluiten met de eigenaren en eventuele overige zakelijk of persoonlijk gerechtigden. TenneT hanteert bij de vestiging van een zakelijk recht het principe van schadeloosstelling (volledige schadevergoeding) zoals de Belemmeringenwet Privaatrecht dit kent. Schadeloosstelling betekent dat de rechthebbenden voor en na de vestiging van het zakelijk recht in een gelijkwaardige vermogens- en inkomenspositie dienen te verkeren. Daartoe behoort ook toekomstschade, die niet eerder kon worden voorzien en/of worden bepaald. De hoogte van de schade wordt in onderling overleg dan wel door een deskundigentaxatie vastgesteld.

Als een zakelijk rechtovereenkomst of een gebruiksovereenkomst tot stand is gekomen en alleen geen overeenstemming kan worden bereikt over de hoogte van een schadecomponent, kan volgens de brochure worden teruggevallen op een bindende driedeskundigentaxatie waarbij de hoogte wordt vastgesteld. Dit wordt vastgelegd in de overeenkomst. Een driedeskundigentaxatie houdt in dat zowel de grondeigenaar als TenneT een deskundige aanwijzen voor het beoordelen van de hoogte van de schade. De twee deskundigen wijzen gezamenlijk een derde, onafhankelijke deskundige aan.

21.3. Daarnaast kan worden teruggevallen op twee wettelijke procedures. Als een minnelijke overeenstemming over het vestigen van een zakelijk recht tussen de rechthebbende(n) en TenneT niet of niet op tijd tot stand komt, zal TenneT de minister van Infrastructuur en Milieu verzoeken de rechthebbende(n) van het betreffende perceel een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht op te leggen. Op basis daarvan wordt ook voorzien in volledige schadeloosstelling.

Als een perceel zodanig wordt belast dat geen gedoogplicht kan worden opgelegd, zal TenneT trachten tot minnelijke overeenstemming te komen over de aankoop van het object. Als dat niet of niet op tijd tot stand komt, zal tot onteigening van het object op basis van de onteigeningswet worden overgegaan. Op basis daarvan wordt ook voorzien in volledige schadeloosstelling.

21.4. De Afdeling overweegt dat in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat de schaderegeling van TenneT onredelijk is. In dit kader is van belang dat TenneT in de schaderegeling de volledige schadeloosstelling zoals neergelegd in de Belemmeringenwet Privaatrecht als uitgangpunt hanteert, zodat rechthebbenden voor en na de vestiging van het zakelijk recht in een gelijkwaardige vermogens- en inkomenspositie zullen verkeren. Daarnaast is van belang dat naast de Schade- en vergoedingengids de wettelijke regelingen, in het bijzonder de Belemmeringenwet Privaatrecht en de Wro en, zo dit aan de orde zou zijn, de onteigeningswet, van toepassing zijn. Gelet hierop zijn appellanten niet gehouden overeenkomsten te sluiten met TenneT. Indien appellanten wel een overeenkomst willen sluiten maar niet tot overeenstemming kunnen komen, voorziet de schaderegeling in een bindende taxatie door drie deskundigen. Indien appellanten geen overeenkomst willen sluiten, kan worden teruggevallen op de regeling uit de Belemmeringenwet Privaatrecht. Appellanten zijn dan ook niet gebonden aan de normbedragen die door LTO Nederland en TenneT zijn overeengekomen.

De Afdeling overweegt verder dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot de inhoud van de te sluiten overeenkomsten, de opstelling van TenneT bij de onderhandelingen, de hoogte van de schadevergoeding en de voorwaarden waaronder een gedoogplicht kan worden opgelegd, niet in de onderhavige procedure aan de orde kan komen maar in een eventuele schadeprocedure.

De betogen falen.

Gevolgen open ontgraving voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage

22. Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat provinciale staten bij de vaststelling van het plan onvoldoende gewicht hebben toegekend aan de negatieve gevolgen van een open ontgraving voor de kwaliteit van de bovengrond van de agrarische gronden. De bodemstructuur is thans optimaal. Door de grondvermenging worden die kwaliteiten verminderd. Ook zal de vruchtbaarheid van de bouwvoor afnemen. De vruchtwisseling wordt verstoord en percelen worden ongeschikt voor meerjarige teelten. Verder wordt de bodemstructuur door zwaar materieel aangetast. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen voorts dat zich via het materieel van TenneT ziektes en plagen voor gewassen kunnen verspreiden. Ook betogen zij dat bronbemaling kan leiden tot de aanzuiging van een zoutwaterkwel en daarmee tot verzilting van de bovenlaag. Verder zal de hoogspanningsverbinding leiden tot warmteafgifte, met als gevolg een verschil in gewasstand en verschil in afrijpen van het gewas.

Voorts hebben verschillende appellanten aangevoerd dat provinciale staten bij de vaststelling van het plan onvoldoende gewicht hebben toegekend aan de negatieve gevolgen van een open ontgraving voor de drainageleidingen en de gewasschade die hiervan het gevolg zal zijn. In enkele gevallen worden over de volledige lengte van het perceel alle hoofdleidingen geraakt. Zonder goede drainage zal op het volledige perceel gewasschade optreden. Voorts is een plaatselijke reparatie van de drainage niet toereikend in verband met de grillige grondstructuur en de verschillende zettingsgevoeligheid. Het is noodzakelijk om een geheel nieuwe drainage aan te leggen na het aanbrengen van het tracé. Deze zal na een zettingsperiode van 3 tot 10 jaar opnieuw vervangen moeten worden vanwege de zettingsverschillen, aldus appellanten.

22.1. Provinciale staten hebben in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat zij bij de open ontgraving een aantal maatregelen treffen om de kwaliteit van de bodem zoveel mogelijk te behouden. In de eerste plaats worden de verschillende bodemlagen afzonderlijk afgegraven en bij het dichten van de sleuf weer in de oorspronkelijke volgorde terug gelegd. Voorts zal een cultuurtoezichthouder aanwezig zijn die erop toeziet dat eventueel benodigde andere maatregelen worden genomen om de kwaliteit van de bodem zoveel mogelijk te behouden, zoals het vermijden van zwaar materieel onder bepaalde weersomstandigheden en het zoveel mogelijk vermijden van andere door appellanten genoemde schadeoorzaken.

Voorts zal, waar bij de aanleg van de hoogspanningsverbinding een drainage wordt doorsneden, eerst een tijdelijke reparatie plaatsvinden. Afhankelijk van de zettingsgraad van de desbetreffende gronden wordt na een bepaalde periode de drainage voor zover nodig definitief vervangen.

22.2. Gelet op het vorenstaande kan worden vastgesteld dat, gegeven het tracé en de keuze voor een open ontgraving, alle maatregelen worden getroffen die in redelijkheid kunnen worden gevergd om de kwaliteit van de bodem te behouden. Gelet op de door appellanten aangevoerde redenen is aannemelijk dat het plan in specifieke gevallen toch kan leiden tot negatieve effecten voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage. In die gevallen worden grondeigenaren en -gebruikers evenwel volledig schadeloos gesteld. Anders dan appellanten ter zitting hebben aangevoerd, behoort daartoe ook toekomstige schade zoals een verminderde opbrengst van de gronden, die op het moment van aanleg nog niet kon worden voorzien en/of worden bepaald. Voor het overige wordt verwezen naar overweging 21 tot en met 21.4. Het betoog faalt.

Gebruiksbeperkingen uit het aanlegvergunningstelsel

23. [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen betogen dat de beperkingen uit het aanlegvergunningstelsel niet in een inpassingsplan thuishoren omdat ze reeds anderszins zijn uitgesloten zoals door de Wet informatie-uitwisseling 2008 (WION). Deze wet is speciaal bedoeld ter bescherming van ondergrondse leidingen en biedt volgens hen voldoende waarborgen. Zij verwijzen in dit verband naar de uitspraak de Afdeling van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1070.

23.1. De beperkingen vanwege de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning" zijn neergelegd in artikel 4 van de planregels zoals weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak. De beperkingen van de bouwmogelijkheden komen aan de orde bij de locatiespecifieke bespreking van de beroepen. De beperkingen van de gebruiksmogelijkheden zijn neergelegd in het aanlegvergunningstelsel uit artikel 4, lid 4.4, van de planregels. Het uitvoeren van de in lid 4.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is verboden behoudens een omgevingsvergunning. Lid 4.4.1 heeft de volgende onderdelen:

a. het aanbrengen van beplantingen en bomen;

b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;

d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, ontginnen, drainage en ophogen;

e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

f. het permanent opslaan van goederen.

23.2. Ingevolge lid 4.4.2 is lid 4.4.1 niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

a. verband houden met de aanleg van de betreffende hoogspanningsverbinding;

b. reeds in uitvoering zijn of vergund zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan;

c. het normale onderhoud van de hoogspanningsverbinding en belemmeringenstrook of van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen.

23.3. In de door [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen aangehaalde uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1070, is overwogen dat de raad niet verplicht is om een omgevingsvergunning te vereisen voor het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van het onderhoud of beheer van de aanwezige leidingen en het aanleggen van drainage. Daarbij is overwogen dat de veiligheid van de ondergrondse 150 kV-verbinding voldoende gewaarborgd blijft. Op basis van het bestemmingsplan (hier: inpassingsplan) en het vestigen van zakelijke rechten mag de ligging voldoende bekend worden verondersteld. Voorts dient in geval van mechanische graafwerkzaamheden een KLIC-melding op grond van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (hierna: WION) te worden gedaan, waarbij ook een rol is weggelegd in voor de netbeheerder.

Gelet op het vorenstaande zijn provinciale staten niet gehouden om een aanlegvergunningstelsel op te nemen voor mechanische graafwerkzaamheden als bedoeld in de WION. Het aanlegvergunningstelsel geldt daarentegen voor meer werken en werkzaamheden dan alleen mechanische graafwerkzaamheden. Gelet hierop bestaat in de bescherming door de WION op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten met het oog op het doelmatig en veilig functioneren van de hoogspanningsverbinding niet in redelijkheid hebben kunnen voorzien in een aanlegvergunningstelsel. Het betoog faalt.

24. [appellante sub 13] en anderen, [appellante sub 14] en anderen, [appellant sub 11] en anderen, [appellant sub 12] en anderen, [appellante sub 8], [appellant sub 10] en anderen en Farm Field Onroerend Goed betogen dat de beperkende dubbelbestemming voor de ondergrondse hoogspanningsverbinding teveel afbreuk doet aan de agrarische gebruiksmogelijkheden. Volgens hen is het aanlegvergunningstelsel te streng, nu uitzonderingen ontbreken voor werken of werkzaamheden die zijn aan te merken als normaal agrarisch gebruik.

[appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen betogen dat de beperking met betrekking tot het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen te streng is. De Algemene bepalingen opstalregelingen TenneT beperkten slechts gesloten verhardingen. De in de planregels van het PIP beschreven bepaling is dus veel strenger, nu ook een weg met een semi-verharding (puin) onder het aanlegvergunningstelsel valt.

24.1. Ter zitting hebben provinciale staten en Tennet zich op het standpunt gesteld dat het aanlegvergunningstelsel gedeeltelijk strenger is geformuleerd dan nodig is. De verboden uit artikel 4, lid 4.4.1, onder a, c en d, van de planregels hoeven niet te gelden voor zover het betreft werken en werkzaamheden tot 0,8 m diep. Daarnaast hoeft het verbod niet te gelden voor het aanleggen van drainage tot 1 m diep.

Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen.

24.2. Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, verschillen partijen van mening over de vraag of het verbod zou moeten gelden voor de aanleg van drainage op een grotere diepte dan 1 m, hetgeen bij sommige grondsoorten noodzakelijk kan zijn. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten voor die situaties in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het doelmatig en veilig functioneren van de hoogspanningsverbinding dan aan de beperking daarvan voor de agrarische gebruiksmogelijkheden. Het betoog faalt.

24.3. Wat betreft het aanleggen van verhardingen hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat het aanlegvergunningstelsel op dit punt niet strenger is dan de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen hebben dit niet weersproken. Voorts bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt mochten stellen dat het aanlegvergunningstelsel op dit punt geen onevenredige afbreuk doet aan de agrarische gebruiksmogelijkheden. Het betoog faalt.

25. [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen betogen dat in artikel 4, lid 4.4.4 van de planregels de toepassing van het aanlegvergunningenstel ten onrechte afhankelijk wordt gesteld van een beoordeling door de leidingbeheerder.

25.1. Anders dan [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen betogen dient het college van burgemeester en wethouders bij de toepassing van het aanlegvergunningstel een eigen afweging te maken. Daarbij is het college niet gebonden aan het ingevolge artikel 4, lid 4.4.4, van de planregels in te dienen advies. Het betoog faalt.

26. [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een bredere planologische belemmeringenstrook dan de strook van 7 m breed waar TenneT een zakelijk recht zal vestigen. Voorts is de strook breder dan gebruikelijk. Verder is de breedte van de belemmeringenstrook mede afhankelijk van het begrip 'kabelbed', waarvan de breedte onbepaald is. Verder maakt de wijzigingsbevoegdheid een strook van 50 m breed mogelijk.

26.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de dubbelbestemming een breedte van 12 m heeft. Dit omdat het ruimtebeslag tijdens de beheerfase tussen de 7 en 12 m bedraagt. Voorts maakt de wijzigingsbevoegdheid geen verbreding maar slechts een verschuiving mogelijk.

26.2. Ingevolge artikel 1, onder 1.20, van de planregels wordt onder 'kabelbed' verstaan het ruimtebeslag dat door een gemeenschappelijk tracé van één of meer kabels, die toebehoren aan één netwerkbeheerder, wordt gevormd.

Ingevolge artikel 1, onder 1.8, wordt onder belemmeringenstrook verstaan een strook grond of water waaraan beperkingen kunnen worden opgelegd in verband met de veiligheid van ondergrondse en/of bovengrondse kabels en leidingen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Leiding - Hoogspanning" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van maximaal 150 kV;

met de daarbij behorende:

b. belemmeringenstrook van ten hoogste 5 m ter weerszijden van het kabelbed.

26.3. In de plantoelichting onder 2.2.2 staat dat het totale ruimtebeslag tijdens de aanlegfase ongeveer 30 m bedraagt. Deze werkstrook omvat niet alleen de kabelsleuf, maar ook de werkweg en ruimte voor de tijdelijke opslag van de grond en materiaal. De ruimte die alleen nodig is voor de tijdelijke activiteiten wordt niet voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning'. Omdat dit tijdelijke activiteiten betreft wordt dit niet in de dubbelbestemming verankerd. Hiervoor worden - voor zover noodzakelijk - tijdelijke (omgevings)vergunningen aangevraagd.

Het totale ruimtebeslag tijdens de beheerfase (na aanleg) bedraagt circa 7 tot 12 m. Hierbij wordt uitgegaan van een breedte van het kabelbed (1 circuit, 3 kabels) van iets meer dan 1 m, een breedte voor de beschermingszone van 3 m aan weerszijden bij open ontgravingen en een breedte van 5 m aan weerszijden bij boringen. Voor de dubbelbestemming van de hoogspanningsverbinding zoals opgenomen in dit plan is dan ook een breedte opgenomen van 12 m, aldus de plantoelichting.

26.4. Op zichzelf hebben provinciale staten met het oog op het doelmatig en veilig functioneren van de hoogspanningsverbinding in redelijkheid kunnen voorzien in een beschermingszone aan weerszijden van het kabelbed. Daar zijn de verboden uit het aanlegvergunningstelsel van toepassing.

Onduidelijk is echter hoe de (totale) breedte van de belemmeringenstrook, als gedefinieerd in artikel 1, onder 1.8, van de planregels, wordt bepaald. Indien het de bedoeling is dat de locatie van de belemmeringenstrook, waar het aanlegvergunningstelsel van toepassing zal zijn, nader wordt ingevuld door het vestigen van een zakelijk recht of een gedoogplicht, dan gaat het om de smallere strook die bij de uitvoering van het plan daadwerkelijk nodig blijkt.

Indien het de bedoeling is dat de belemmeringenstrook gelijk is aan de breedte van de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning" of gelijk is aan een andere breedte, dan is het plan onvoldoende rechtszeker geformuleerd. Daarnaast is in dat geval onvoldoende gemotiveerd waarom de belemmeringenstrook, waar het aanlegvergunningstelsel van toepassing zal zijn, in een groot aantal gevallen breder zal zijn dan de stroken grond waar een zakelijk recht of een gedoogplicht zal worden gevestigd.

Gelet hierop zijn artikel 1, onder 1.8, en artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels onvoldoende rechtszeker geformuleerd en onvoldoende gemotiveerd.

De betogen slagen.

26.5. Anders dan [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen betogen maakt de wijzigingsbevoegdheid geen verbreding van de belemmeringenstrook mogelijk, maar slechts een verplaatsing daarvan. Zie artikel 8, lid 8.1, van de planregels zoals bijgevoegd bij deze uitspraak. Gelet hierop, en nu de mogelijkheid tot verplaatsing volgens provinciale staten mede is ingegeven om de schade voor grondeigenaren en -gebruikers te kunnen beperken, hebben provinciale staten in redelijkheid in deze mogelijkheid kunnen voorzien. Het betoog faalt.

Interferentie

27. [appellante sub 8], [appellant sub 10] en anderen en Farm Field Onroerend Goed betogen dat het plan kan leiden tot schade vanwege beïnvloeding van door GPS gestuurde agrarische machines. Zij vrezen in dit verband voor interferentie met de magnetische velden van de hoogspanningsverbinding.

27.1. Vast staat dat rondom hoogspanningsverbindingen elektromagnetische velden aanwezig zijn, die de werking van elektrische apparatuur kunnen verstoren door zogeheten interferentie. Provinciale staten hebben toegelicht dat GPS werkt op de frequenties 1,57542 en 1,2276 GHz. Voorts is veel elektrische apparatuur op machines uitgerust met Real Time Kinematic-GPS die tevens gebruik maakt van UHF-radioverbindingen op 430-450 Mhz. Hoogspanningsverbindingen als in het plan voorzien, worden bedreven op 50 Hz. Gelet op het grote verschil tussen de voor GPS-systemen gebruikte frequenties en de frequentie waarop het hoogspanningsnet wordt bedreven is het niet aannemelijk dat problemen ontstaan bij toepassing van gevoelige apparatuur op machines. Op kosten van TenneT worden passende maatregelen getroffen wanneer mocht blijken dat apparatuur of objecten worden beïnvloed door de nieuwe hoogspanningsverbinding. [appellante sub 8], [appellant sub 10] en anderen en Farm Field Onroerend Goed hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Het betoog faalt.

Plaatsen eigen windturbine

28. [appellant sub 11] en anderen en Farm Field Onroerend Goed betogen dat zij als gevolg van het plan op hun gronden geen windturbine meer kunnen plaatsen in verband met de bufferzone als bedoeld in het Handboek Risicozonering Windturbines.

28.1. Provinciale staten hebben toegelicht dat het provinciebestuur de resterende opgave uit de taakstelling voor windturbines wil realiseren door de herstructurering van solitaire windturbines en verouderde lijnopstellingen. Voor elke nieuw te bouwen turbine, worden twee oude turbines verwijderd. Dit is neergelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV), de Structuurvisie en het Beleidskader 'Wind op Land'. Op de kaart bij de Structuurvisie en de PRV zijn het windgebied Wieringermeer en de herstructureringsgebieden aangeduid. Buiten deze gebieden zijn nieuwe windturbines niet toegestaan, behoudens het vervangen van bestaande turbines.

Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 11] en anderen en Farm Field Onroerend Goed buiten de herstructureringsgebieden liggen en dat het plaatsen van een windturbine thans al planologisch niet is toegestaan. Gelet op het vorenstaande faalt het betoog.

Inlassen zienswijzen

29. Voor zover een aantal appellanten in hun beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van hun zienswijze of de zienswijze van anderen, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op de zienswijzen. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van hun zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Tussenconclusie

30. Gelet op het overwogene in 24.1 ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 13] en anderen, [appellante sub 14] en anderen, [appellant sub 11] en anderen, [appellant sub 12] en anderen, [appellante sub 8], [appellant sub 10] en anderen en Farm Field Onroerend Goed hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.4.1, onder a, c en d, van de planregels en voor zover het aanlegvergunningstelsel geen uitzondering kent voor het aanleggen van drainage tot 1 m diep. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Gelet op het overwogene in 26.4 ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 11] en anderen en [appellant sub 12] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft het aanlegvergunningstelsel zoals opgenomen in artikel 4, lid 4.4.1, aanhef, van de planregels. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

31. De Afdeling ziet aanleiding om de na te melden voorlopige voorzieningen te treffen.

Locatiespecifieke aspecten

Het beroep van [appellant sub 1]

32. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] te Wieringerwerf en is eigenaar van percelen in de gemeente Medemblik en de voormalige gemeente Wevershoof (thans: Medemblik). Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de samenhang met windpark Wieringermeer ten aanzien van de noodzaak, de besluitvorming en de milieueffectrapportage, de tracékeuze in het algemeen, de zettingsgevoeligheid, de wens om een gestuurde boring, de schadeloosstelling en de gevolgen van de open ontgraving voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage. Deze beroepsgronden falen.

33. [appellant sub 1] richt zich in beroep tegen het tracé tussen de transformatorstations Middenmeer en Westwoud. Hij betoogt dat ten onrechte niet is gekozen voor een alternatief tracé ten westen van de kern Opperdoes. Het voorziene tracé ligt volgens [appellant sub 1] op veengronden die gevoelig zijn voor verzakkingen. Volgens hem is ten onrechte geen onderzoek uitgevoerd naar de zettingsgevoeligheid en het opbarstrisico. [appellant sub 1] acht het plan in strijd met hetgeen hierover is vermeld in de Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling en de nota van zienswijzen.

33.1. In de door [appellant sub 1] bedoelde passage uit de Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling staat dat zettingsgevoelige bodems en gebieden zoveel mogelijk vermeden dienen te worden, omdat daar vrijwel altijd maatregelen tegen verzakking noodzakelijk zijn. Met name veengronden zijn zettingsgevoelig. Kleigronden zijn beperkt zettingsgevoelig. Zandgronden zijn niet zettingsgevoelig. Voorts staat in de door [appellant sub 1] bedoelde passage uit de nota van zienswijzen dat voorafgaand aan de aanleg het uitvoeren van geohydrologisch onderzoek noodzakelijk is.

33.2. Wat betreft de zettingsgevoeligheid hebben provinciale staten toegelicht dat grote delen van het westen van Nederland zettingsgevoelige gebieden zijn. Bij het bepalen van een tracé in de Kop van Noord-Holland kunnen zettingsgevoelige gebieden niet worden vermeden. Door het treffen van maatregelen, zoals het verstevigen van de grond door voorbelasting of het toepassen van backfill zand, zijn deze gronden evenwel geschikt te maken voor de aanleg en instandhouding van het tracé.

Voorts hebben provinciale staten toegelicht dat het door [appellant sub 1] aangevoerde alternatieve tracé niet mogelijk is vanwege de volgende obstakels. Er worden diverse gasleidingen gekruist, een groter aantal agrarische percelen wordt dwars doorkruist, een provinciaal weidevogelgebied wordt doorkruist en er ligt bebouwing in de weg ter plaatse van Het Westeinde, Oostwoud en Hauwert. [appellant sub 1] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Het betoog faalt.

33.3. Het opbarstrisico is het risico op het opbarsten van de deklaag wanneer bij ontgraving een deel van de weerstandbiedende laag wordt verwijderd terwijl de druk van het grondwater hoog is. Dit risico is in kaart gebracht in de Quick Scan Risico Opbarsting van Arcadis van 5 februari 2016. Daarin zijn de geotechnische en geohydrologische aspecten geïnventariseerd. Geconcludeerd wordt dat aan de opbarstveiligheid wordt voldaan. Ter verificatie van de resultaten wordt aanvullend onderzoek aanbevolen.

Gelet hierop hebben provinciale staten zich bij de vaststelling van het plan op voorhand in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de opbarstveiligheid wordt voldaan. De aanbeveling om aanvullend onderzoek te verrichten behoort tot de uitvoering van het plan hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

34. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van Hofsteestichting

35. Hofsteestichting heeft agrarische gronden nabij de Oudelanderweg te Middenmeer. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de tracékeuze in het algemeen, de wens om een gestuurde boring, de schadeloosstelling en de gevolgen van de open ontgraving voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage. Deze beroepsgronden falen.

36. Hofsteestichting betoogt dat de in de nota van zienswijzen toegezegde wijziging van het tracé op onjuiste wijze in het plan is verwerkt. Hierbij voert zij aan dat in de nota van zienswijzen staat dat het tracé zal worden aangepast conform de tekening bij de zienswijze.

36.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het plan is aangepast conform hetgeen op de tekening bij de zienswijze van Hofsteestichting is aangegeven, wat betreft de doorsnijding van het perceel. Het verschil is dat het tracé nog deels langs de perceelgrens loopt en dit hadden zij niet aangegeven. Er is geen sprake meer van een diagonale doorsnijding, maar van een haakse. De door Hofsteestichting gewenste doorsnijding achterop het perceel doortrekken tot aan de Slootvaart zou ook een wijziging van het tracé op percelen van anderen vereisen. Dat alternatief past niet beter binnen de traceringsprincipes en sluit minder goed aan op transformatorstation Middenmeer.

36.2. In het tweede ontwerpplan was het tracé diagonaal over de gronden van Hofsteestichting voorzien. Daarmee werden twee tracédelen verbonden die niet tegenover elkaar lagen. Hofsteestichting heeft in haar zienswijze een tracé voorgesteld dat haaks over haar perceel gaat, waarbij het tracé ook voorbij haar perceel een gewijzigde route volgt. Bij de vaststelling van het plan is aan haar zienswijze tegemoet gekomen voor zover de diagonale doorkruising van haar perceel is vervangen door een haakse doorsnijding van haar perceel. Het tracé in het verlengde van haar perceel is evenwel niet aangepast. Om toch bij het vervolgtracé aan te sluiten, maakt het tracé aan de rand van het perceel van Hofsteestichting een haakse bocht. Daarmee is het tracé behalve haaks op ook evenwijdig aan de lengterand op haar perceel komen te liggen.

36.3. In de nota van zienswijzen staat onder ‘Beantwoording’ dat een haakse doorsnijding bij nader inzien meer recht doet aan het traceringsprincipe om bij agrarische percelen aan te sluiten op de perceelsgrenzen. Voorts is vermeld: "Gelet hierop wordt voorgesteld de doorsnijding zodanig aan te passen dat de doorsnijding haaks zal zijn op dit perceel. Zie afbeelding hierna." Onder ‘Consequenties voor het PIP’ staat: "Voorgesteld wordt de verbeelding van het PIP aan de hand van en conform de zienswijze aan te passen en als zodanig gewijzigd vast te stellen. Deze wijziging heeft enkel betrekking op terrein dat bij dezelfde eigenaar in bezit is. Andere eigenaren worden niet 'geraakt' door deze wijziging."

Gelet op het vorenstaande is in de nota van zienswijzen, anders dan Hofsteestichting betoogt, niet bedoeld dat het tracé zal worden aangepast conform de tekening bij de zienswijze. Het tracé uit het plan komt overeen met het tracé uit de afbeelding in de nota van zienswijzen.

Voorts hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat het vastgestelde tracé beter aansluit op transformatorstation Middenmeer dan het voorstel van Hofsteestichting. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet konden vasthouden of op onjuiste wijze toepassing hebben gegeven aan de traceringsprincipes uit overweging 18.1. Voorts zal Hofsteestichting volledig schadeloos worden gesteld als bedoeld in overweging 21.4. In het aangevoerde bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het vastgestelde tracé hebben kunnen kiezen. Het betoog faalt.

36.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep van Hofsteestichting ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

37. [appellant sub 3] heeft agrarische gronden ter hoogte van de Nieuw Almersdorperweg en de Oudelanderweg te Middenmeer. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de tracékeuze in het algemeen en de schadeloosstelling en de gevolgen van de open ontgraving voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage. Deze beroepsgronden falen.

38. [appellant sub 3] betoogt dat het tracé ten onrechte zijn landerijen doorkruist. Volgens hem is de wijziging ten opzichte van het eerste ontwerpplan, waarbij het tracé langs de weg lag, onvoldoende gemotiveerd.

38.1. Provinciale staten hebben toegelicht dat het tracé uit het eerste ontwerp bij nader inzien niet wenselijk bleek. Als de tuinen van de woningen aan de Nieuw Almersdorperweg en de Oudelanderweg worden ontzien, blijft er onvoldoende ruimte langs de weg over. Voorts liggen daar al andere kabels en leidingen, waaronder een waterleiding, een gasleiding en een middenspanningsverbinding.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het ontzien van de tuinen van de woningen en de nadelen van een tracé nabij andere kabels dan aan de door [appellant sub 3] genoemde voordelen bij de door hem voorgestane route, waaronder het ontzien van zijn agrarische gronden en het vervallen van een gestuurde boring. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet konden vasthouden of op onjuiste wijze toepassing hebben gegeven aan de traceringsprincipes uit overweging 18.1. Voorts zal [appellant sub 3] volledig schadeloos worden gesteld als bedoeld in overweging 21.4. In het aangevoerde bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het vastgestelde tracé hebben kunnen kiezen. Het betoog faalt.

38.2. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

39. [appellant sub 4] heeft agrarische gronden aan de Lotweg te Anna Paulowna. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de samenhang met windpark Wieringermeer ten aanzien van de noodzaak, de besluitvorming en de milieueffectrapportage, de tracékeuze in het algemeen, de wens om een gestuurde boring, de schadeloosstelling, de gevolgen van de open ontgraving voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage en de mogelijkheid om een eigen windturbine te plaatsen. Deze beroepsgronden falen.

40. [appellant sub 4] wenst het tracé uit het eerste ontwerpplan. Hij heeft aangeboden om het tracé door zijn middelste perceel aan de Kruisweg te laten lopen, zodat zijn noordelijke perceel wordt ontzien. Het grote voordeel is dat de bestaande leidingenstrook langs de Kruisweg kan worden gebruikt.

40.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat parallelloop met andere kabels en leidingen in principe niet is gewenst, omdat dit kan leiden tot ongewenste beïnvloeding, zoals corrosie van de leidingen.

40.2. Een van de traceringsprincipes is het voorkomen van parallelloop met andere kabels en leidingen voor gas, hoog- en middenspanning en gevaarlijke stoffen. Anders dan [appellant sub 4] ter zitting heeft gesteld, is gebleken dat in of langs de bestaande leidingenstrook langs de Kruisweg in elk geval een hoge druk gasleiding loopt. Voorts is gebleken dat het door [appellant sub 4] voorgestane tracé dichterbij twee woningen komt, hetgeen eveneens minder goed past in de traceringsprincipes.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet konden vasthouden of op onjuiste wijze toepassing hebben gegeven aan de traceringsprincipes uit overweging 18.1. Voorts zal [appellant sub 4] volledig schadeloos worden gesteld als bedoeld in overweging 21.4. In het aangevoerde bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het vastgestelde tracé hebben kunnen kiezen. Het betoog faalt.

40.3. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 4] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

41. [appellant sub 5] woont aan de [locatie 2] te Middenmeer. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de tracékeuze in het algemeen, de gevolgen voor de gezondheid en de schadeloosstelling. Deze beroepsgronden falen.

42. [appellant sub 5] betoogt dat het tracé te dicht bij zijn woning dan wel zijn nieuw te bouwen woning ligt. Het tracé loopt midden door zijn perceel. Voorts vreest hij voor de gevolgen van magnetische straling vanwege de korte afstand tot zijn woning.

42.1. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" voorziet voor de bestaande en de nieuwe vergunde woning van [appellant sub 5] in een plandeel met de bestemming "Wonen". De naastgelegen gronden zijn voorzien van de bestemming "Agrarisch".

42.2. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 5] hebben provinciale staten het tracé aangepast. Het vastgestelde tracé heeft een inham, waarbij de bestemming "Wonen" buiten het tracé valt. Voorts hebben provinciale staten toegelicht dat bij een afstand van meer dan 15 m (horizontaal of verticaal) geen sprake meer is van een overschrijding van de magneetzone als bedoeld in overweging 17.4.

42.3. Desgevraagd hebben provinciale staten niet kunnen aangeven waar de nieuwe, reeds vergunde woning van [appellant sub 5] zal komen. Planologisch is de woning toegestaan op de gronden die direct grenzen aan het tracé. In dat geval is niet voldaan aan de door provinciale staten genoemde afstand van 15 m. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

42.4. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel in het verlengde van de zijdelingse perceelsgrenzen van de gronden van [appellant sub 5] met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 2] te Middenmeer. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B]

43. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] wonen aan de [locatie 3] te Heerhugowaard en exploiteren op de aangelegen gronden een manege. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de tracékeuze in het algemeen, de risico's voor de gezondheid in het algemeen en de schadeloosstelling. Deze beroepsgronden falen.

44. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] betogen dat de cumulatie van het magneetveld van de bestaande bovengrondse 150 kV hoogspanningsverbinding met het magneetveld van het voorziene ondergrondse tracé op 7 m van hun woning zal leiden tot onverantwoorde gezondheidsrisico's en een onhoudbaar woon- en leefklimaat.

Verder is niet onderzocht of de beoogde diepte van 10 m van het tracé ter plaatse voldoende is om een versterking van het bestaande magneetveld te voorkomen. Zij twijfelen hierover nu de effecten afhankelijk zijn van de diepte, de configuratie van de kabels en de bodemgesteldheid. Mogelijk heeft het tracé pas bij 15 m diepte geen effect op de magneetveldzone, aldus [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B].

44.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de hoogspanningsverbinding ter hoogte van de woning van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] op 10 m diepte zal worden aangelegd. Op die diepte heeft het tracé geen invloed op de magneetzone, aldus provinciale staten.

44.2. Voor de algemene aspecten over elektromagnetische straling wordt verwezen naar het kopje 'Algemene inhoudelijke aspecten' onder 'Gezondheid'.

44.3. De woning en gronden van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] liggen in de magneetveldzone van de bestaande bovengrondse 150 kV hoogspanningsverbinding. Derhalve staat vast dat zij reeds worden blootgesteld aan een veldsterkte groter dan 0,4 µT. De veldsterkte ter plaatse van hun woning is onbekend.

Zoals onder 17.4 is overwogen hebben provinciale staten zoveel als redelijkerwijs mogelijk getracht om te voorkomen dat nieuwe gevoelige bestemmingen aan een magnetische veldsterkte boven 0,4 µT (jaargemiddelde) worden blootgesteld. In dit verband hebben provinciale staten afstanden tot gevoelige functies aangehouden van 15 m (horizontaal of verticaal) bij open ontgravingen en 10 m (verticaal) bij gestuurde boringen. Deze afstanden zijn niet in geschil, voor zover daarmee maximaal de veldsterkte van 0,4 µT ter plaatse van de grens van de magneetzone wordt aangegeven.

44.4. In dit geval is de veldsterkte van de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding ter plaatse van de woning van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] reeds hoger dan 0,4 µT. Dat is hoger dan wenselijk uit het oogpunt van het magneetveldvoorzorgsbeleid, dat op de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding van toepassing is.

Onder die omstandigheid kunnen provinciale staten niet volstaan met de motivering dat de veldsterkte van de voorziene ondergrondse hoogspanningsverbinding ter plaatse van de woning niet hoger is dan 0,4 µT. Cumulatie met het magneetveld van de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding is niet uitgesloten en onbekend is hoe groot de veldsterkte ter plaatse van de woning dan zou worden.

Voor zover provinciale staten ter zitting hebben gesteld dat recht boven een tracé op 10 m diepte geen magneetveld aanwezig is - ook niet met een veldsterkte lager dan 0,4 µT - hebben zij geen onderzoeken overgelegd waarmee dit standpunt kan worden onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre onzorgvuldig vastgesteld. Het betoog slaagt.

45. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] betogen dat de beoogde aanleg met een gestuurde boring op de benodigde diepte niet in het plan is gewaarborgd. Een open ontgraving op 1,8 of 1,2 m diepte is niet uitgesloten. In zoverre achten zij het plan rechtsonzeker.

45.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat kan worden volstaan met de toezegging van TenneT dat de hoogspanningsverbinding ter hoogte van de woning van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] op de benodigde diepte zal worden aangelegd. Ook achten zij de wijze van aanleg (lees: de diepteligging) niet ruimtelijk relevant, zodat dit niet in het plan hoeft te worden vastgelegd.

45.2. Naar het oordeel van de Afdeling is de diepteligging in dit specifieke geval ruimtelijk relevant, nu de benodigde diepte een noodzakelijke maatregel is, zonder welke het plan in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het plan is geen voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de diepte van 10 m, dan wel de grotere benodigde diepte gelet op overweging 44.4 - wordt gegarandeerd. Het plan is in zoverre onzorgvuldig vastgesteld. Het betoog slaagt.

46. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] betogen dat een versterking van het magneetveld in strijd is met het verbod het bestemmingsplan "Buitengebied 2014", van de gemeente Heerhugowaard, tot verbreding van de veiligheidszone.

46.1. Gelet op artikel 4, lid 4.1, van de planregels, zoals bijgevoegd bij deze uitspraak, gaan de planregels van het inpassingsplan voor op de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied 2014. Het betoog faalt.

46.2. In hetgeen [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel in het verlengde van de voorste en achterste perceelsgrenzen van de gronden van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] aan de [locatie 3] te Heerhugowaard. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 7]

47. [appellant sub 7] exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 4] en [locatie 5] te Heerhugowaard. Een deel van zijn beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de tracékeuze in het algemeen en de schadeloosstelling. Deze beroepsgronden falen.

48. [appellant sub 7] betoogt dat het tracé ten onrechte zijn perceel in tweeën splitst, waarbij het tracé onder zijn bestaande waterbassins en kassencomplex door loopt. Voorts worden toekomstige bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Dit klemt temeer nu hij concrete uitbreidingsplannen voor de bedrijfsbebouwing heeft, aldus [appellant sub 7].

48.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het plan ten opzichte van het tweede ontwerp zodanig is gewijzigd dat het tracé buiten het bouwvlak valt uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" van de gemeente Heerhugowaard. Daarmee vormt het plan geen belemmering voor de uitbreiding van het kassencomplex.

48.2. Bij het eerste ontwerp lag het tracé over de bedrijfsbebouwing en de waterbassins heen. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 7] is het tweede ontwerp aangepast. Bij het tweede ontwerp en in het plan ligt het tracé buiten de bedrijfsbebouwing van [appellant sub 7]. Het tracé ligt voorts buiten het bouwvlak waar bedrijfsbebouwing is toegestaan op grond van het bestemmingsplan Buitengebied 2014.

Gebleken is evenwel dat het tracé nog over de waterbassins loopt. Ter zitting hebben provinciale staten aangegeven dat de kabels mogelijk net langs de waterbassins passen. Zo niet, dan kan de afwijkingsbevoegdheid worden gebruikt om het tracé te verplaatsen. Gelet op het vorenstaande, waarbij het tracé grotendeels samenvalt met de waterbassins, hebben provinciale staten de betrokken situatie bij de vaststelling van het plan onvoldoende onder ogen gezien. Gelet op het vorenstaande is het plan onzorgvuldig vastgesteld.

48.3. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel ter hoogte van de waterbassins achter de bedrijfsbebouwing van [appellant sub 7] aan de [locatie 4] en [locatie 5] te Heerhugowaard. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De beroepen over het tracé langs de N242

49. [appellante sub 8] heeft agrarische gronden aan de Oude Provincialeweg te Winkel. Farm Field Onroerend Goed heeft agrarische gronden aan de Dorpsweg te Oude Niedorp. [appellant sub 10] en anderen hebben agrarische gronden aan de Veenhuizerweg te Heerhugowaard en de Terdiek te Oude Niedorp. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de toepassing van de Chw, de samenhang met windpark Wieringermeer ten aanzien van de noodzaak, de besluitvorming en de milieueffectrapportage, de tracékeuze in het algemeen, de wens om een gestuurde boring, de schadeloosstelling, de gevolgen van de open ontgraving voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage en de interferentie met GPS-apparatuur. Deze beroepsgronden falen.

Voorts betreft het de gebruiksbeperkingen uit het aanlegvergunningstelsel. Deze beroepsgrond slaagt.

50. [appellante sub 8], Farm Field Onroerend Goed en [appellant sub 10] en anderen betogen dat het tracé ten onrechte over hun agrarische gronden loopt. Volgens hen is onvoldoende gemotiveerd afgeweken van het eerste ontwerpplan, waarbij het tracé in de berm van de N242 lag. Hiervoor achten [appellante sub 8], Farm Field Onroerend Goed en [appellant sub 10] en anderen de beschikbare breedte voldoende. Voorts is volgens hen in een eerdere situatie ook een ontheffing verleend voor een leiding in het beheergebied van wegen vergelijkbaar met de N242.

50.1. Provinciale staten stellen dat aan de berm van provinciale wegen als de N242 een aanduiding beheergebied is toegekend. Volgens provinciale staten is het niet wenselijk hoogspanningsverbindingen aan te leggen op plekken zoals het beheergebied van een dergelijke weg, waar de wegbeheerder aan de landeigenaar mag vragen een kabeltracé te verplaatsen. In het eerste ontwerp was dit uitgangspunt niet goed toegepast, aldus provinciale staten.

50.2. In het eerste ontwerpplan was het tracé voorzien door aan een strook grond met een breedte van 50 m de bestemming "Leiding - Hoogspanning" toe te kennen. Ter hoogte van de gronden van indieners was deze strook toegekend aan de berm van de N242 en voor een gedeelte aan de gronden van indieners. Het tweede ontwerpplan is voor zover van belang gelijk aan het vastgestelde plan. Daarin is het tracé voorzien door aan een strook grond van 12 m breed de bestemming "Leiding - Hoogspanning" toe te kennen. Ter hoogte van de gronden van indieners is deze strook toegekend aan de gronden van indieners. Weliswaar valt de strook van 12 m uit het plan gedeeltelijk samen met de strook van 50 m uit het eerste ontwerpplan, maar dat neemt niet weg dat het plan bij recht niet meer de mogelijkheid bevat om het tracé in de berm van de N242 aan te leggen. Voorts valt de strook gedeeltelijk niet samen met de strook van 50 m uit het eerste ontwerpplan. In zoverre is het tracé opgeschoven naar de gronden van appellanten.

50.3. Zoals onder 18.1 tot en met 18.4 is overwogen is het een van de traceringsprincipes om buiten het beheergebied provinciale infrastructuur en Rijkswegen te blijven. Provinciale staten hebben in redelijkheid een belangrijk gewicht kunnen toekennen aan de reservering van deze gronden voor het onderhoud aan dan wel de uitbreiding van deze wegen. Nu deze gebieden als zodanig zijn aangewezen is daarvoor niet noodzakelijk dat concreet zicht bestaat op een uitbreiding van deze wegen.

Wat betreft de door appellanten genoemde eerdere situatie, waarbij vergunning is verleend om een leiding in de berm van een provinciale weg te leggen, hebben provinciale staten toegelicht dat het ging om de vervanging van een bestaande bovengrondse leiding en enkele gestuurde boringen. Thans is geen sprake van een dergelijke bijzondere situatie.

Voor zover [appellante sub 8] betoogt dat het plan leidt tot een beperking van bouwmogelijkheden voor bijvoorbeeld sleufsilo's op agrarische gronden buiten bouwvlakken gaat het om een plaatselijke beperking op gronden met een doorgaans grote omvang. Derhalve bestaat in de enkele stelling hieromtrent geen aanleiding voor het oordeel dat de agrarische bouw- en gebruiksmogelijkheden daardoor onevenredig worden beperkt.

50.4. Gelet op het vorenstaande bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet konden vasthouden of op onjuiste wijze toepassing hebben gegeven aan de traceringsprincipes uit overweging 18.1. Voorts zullen appellanten volledig schadeloos worden gesteld als bedoeld in overweging 21.4. In het aangevoerde bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het vastgestelde tracé hebben kunnen kiezen. Het betoog faalt.

51. Gelet op het overwogene onder 30 zijn de beroepen van [appellante sub 8], Farm Field Onroerend Goed en [appellant sub 10] gegrond.

Het beroep van [appellant sub 11] en anderen

52. [appellant sub 11] en anderen hebben agrarische gronden aan de Molenweg te Middenmeer. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de tracékeuze in het algemeen, de schadeloosstelling en een aantal aspecten over de planregels. Deze beroepsgronden falen.

Voorts betreft het de gebruiksbeperkingen uit het aanlegvergunningstelsel en de breedte van de strook grond waar het aanlegvergunningstelsel geldt. Deze beroepsgronden slagen.

53. [appellant sub 11] en anderen betogen dat het tracé had moeten worden voorzien op de gronden ten westen van de Molenweg in plaats van ten oosten daarvan. Op die gronden komen namelijk ook de windturbines ten behoeve waarvan het tracé wordt aangelegd. Door het tracé daar te leggen worden de nadelen neergelegd bij degenen die ook delen in de opbrengst van de windturbines. Hiermee wordt ook voorkomen dat appellanten dubbel worden getroffen, door aan de westelijke zijde een aantasting van het woon- en leefklimaat te hebben door de komst van de windturbines en aan de oostelijke zijde de nadelen te ondervinden van de aanleg van de hoogspanningsverbinding. Voorts is de aanleg ten westen van hun woningen eenvoudiger omdat er al sleuven worden gemaakt. Verder staat de veiligheid er niet aan in de weg. Het Handboek Risicozonering Windturbines heeft geen wettelijke status en wordt ook in andere gevallen niet altijd gevolgd, aldus [appellant sub 11] en anderen.

53.1. Zoals onder 18.1 tot en met 18.4 is overwogen hebben provinciale staten in redelijkheid de bufferzone als bedoeld in het Handboek Risicozonering Windturbines rond windturbines als traceringsprincipe kunnen aanhouden om schade aan hoogspanningsinfrastructuur te voorkomen. Een ander traceringsprincipe is het voorkomen van parallelloop met kabels en leidingen voor hoog- en middenspanning om negatieve beïnvloeding van de hoogspanningskabel te voorkomen. In de enkele omstandigheid dat in sommige bestaande situaties een kwetsbaar object binnen de bufferzone ligt bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het niet in redelijkheid onwenselijk hebben kunnen achten om dergelijke nieuwe situaties te creëren. In zoverre faalt het betoog.

53.2. Gebleken is evenwel dat de bufferzone niet de totale gronden ten westen van de Molenweg beslaat. In zoverre is een tracé denkbaar dat tussen de bufferzone en de Molenweg in ligt, door de gronden ten westen van de Molenweg van de eigenaren die voor een groot deel ook een windturbine zullen exploiteren als onderdeel van windpark Wieringermeer.

Provinciale staten hebben aangegeven dat dit tracé niet de voorkeur heeft omdat de gronden ten westen van de Molenweg in het midden zouden worden doorsneden in plaats van, zoals in het plan is voorzien, voor van de gronden van appelanten ten oosten van de Molenweg aan de zijkant.

Zoals onder 18.1 is overwogen hebben provinciale staten in redelijkheid het traceringsprincipe kunnen hanteren dat waar agrarische gronden dienen te worden doorkruist, dit zoveel mogelijk aan de zijkant zal gebeuren. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre provinciale staten in het voorliggende geval aan dit traceringsprincipe hebben kunnen vasthouden.

53.3. De Afdeling stelt voorop dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het bepalen van de gronden waar in een ontwikkeling wordt voorzien op zichzelf geen betekenis toekomt aan de vraag welke gronden het meeste baat hebben bij die ontwikkeling.

In dit geval lijkt evenwel een vergelijkbaar alternatief aanwezig, waarbij het tracé tussen de bufferzone voor de windturbines en de Molenweg door de gronden zou lopen van eigenaren die ook te maken krijgen met de bouw van een windturbine en een kabelsleuf nabij de windturbines. Niet gebleken is dat in dit concrete geval een doorsnijding van de westelijke gronden door het midden - buiten de bufferzone van de windturbines - een grotere schade met zich zou brengen dan een doorsnijding van de oostelijke gronden van appellanten aan de zijkant. Op de westelijke percelen zal immers reeds de bouw van de windturbines worden uitgevoerd. Zoals appellanten hebben betoogd, kan op deze wijze de hinder vanwege beide projecten worden gecombineerd en tot een kleiner aantal percelen worden beperkt, waarmee de totale hinder voor alle betrokkenen kleiner is.

Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten onvoldoende gemotiveerd een doorslaggevend gewicht toegekend aan het traceringsprincipe om agrarische gronden zoveel mogelijk aan de zijkant te doorsnijden. Aan de voordelen van een tracé ten westen van de Molenweg is onvoldoende gemotiveerd voorbij gegaan. Het betoog slaagt.

54. In hetgeen [appellant sub 11] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel in het verlengde van de zijdelingse perceelsgrenzen van de gronden van [appellant sub 11] en anderen aan de [locatie 6] tot en met [locatie 7] te Middenmeer. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Gelet hierop, en het overwogene onder 30, is het beroep van [appellant sub 11] en anderen gegrond.

Het beroep van [appellant sub 12] en anderen

55. [appellant sub 12] en anderen hebben onder meer gronden aan de Middenweg te Heerhugowaard en aan de [locatie 8] te Hauwert. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de tracékeuze in het algemeen, een aantal aspecten over de planregels, de schadeloosstelling en de gevolgen van de open ontgraving voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage. Deze beroepsgronden falen.

Voorts betreft het de gebruiksbeperkingen uit het aanlegvergunningstelsel en de breedte van de strook grond waar het aanlegvergunningstelsel geldt. Deze beroepsgronden slagen.

56. [appellant sub 12] en anderen betogen dat ten onrechte niet is tegemoetgekomen aan hun verzoek om het tracé van de ondergrondse hoogspanningsverbinding te laten samenvallen met het tracé van de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding. Hierbij voeren zij aan dat TenneT zich voor een andere locatie juist sterk maakte om een bovengronds en een ondergronds tracé te laten samenvallen omdat dit voordelig is voor de grondeigenaar/-gebruiker van de grond. In dit verband verwijzen zij naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2142. TenneT kan niet in de ene zaak het samenvallen met een ander tracé op grond van uitgangspunten aanbevelen en in een andere zaak het samenvallen met een ander tracé op grond van uitgangspunten willen vermijden, aldus [appellant sub 12] en anderen.

56.1. Gebleken is dat de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding midden over agrarische gronden van derden en gedeeltelijk over gebouwen en een kassencomplex loopt. Reeds hierom hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door [appellant sub 12] en anderen aangedragen alternatief zich niet verdraagt met de traceringsprincipes uit 18.1. Voorts bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet konden vasthouden of op onjuiste wijze toepassing hebben gegeven aan de traceringsprincipes. Voorts zullen [appellant sub 12] en anderen volledig schadeloos worden gesteld als bedoeld in overweging 21.4. In het aangevoerde bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het vastgestelde tracé hebben kunnen kiezen. Het betoog faalt.

57. [appellant sub 12] en anderen betogen dat het tracé ten onrechte over de gronden van [bedrijf] aan de [locatie 8] te Hauwert loopt en hebben daartoe een alternatief tracé aangedragen.

57.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

57.2. [appellant sub 12] en anderen hebben het plandeel ter plaatse van het bedrijf van [bedrijf] aan de [locatie 8] te Hauwert niet in hun beroepschrift bestreden, anders dan door het inlassen van een groot aantal zienswijzen dat als bijlage bij het beroepschrift is gevoegd. Een deel van de hiermee ingelaste beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Voor het overige is weliswaar vermeld dat zij een alternatief hebben aangedragen, maar is het alternatief in het beroepschrift en de ingelaste zienswijze niet inhoudelijk omschreven of aan de hand van een kaart duidelijk gemaakt. Voor zover in de zienswijze in dit verband wordt verwezen naar een eerdere zienswijze of andere stukken, zijn die niet bij het beroepschrift gevoegd. Gelet hierop hebben [appellant sub 12] en anderen eerst ter zitting een alternatief tracé aangedragen.

Niet gebleken is dat [appellant sub 12] en anderen dit nadere argument niet in een eerder stadium naar voren hebben kunnen brengen. Gelet hierop is het eerst ter zitting aanvoeren van deze argumenten in dit geval in strijd met de goede procesorde. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om dit betoog wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten.

58. Gelet op het overwogene onder 30 is het beroep van [appellant sub 12] en anderen gegrond.

Het beroep van [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen

Algemeen

59. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen hebben diverse agrarische gronden in dan wel nabij de gemeente Anna Paulowna. Een deel van hun beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Dat betreft in elk geval de procedurele aspecten, de samenhang met windpark Wieringermeer ten aanzien van de noodzaak, de besluitvorming en de milieueffectrapportage, de tracékeuze in het algemeen, de risico's voor de gezondheid, de schadeloosstelling en de gevolgen van de open ontgraving voor de kwaliteit van de agrarische gronden en de drainage. Deze beroepsgronden falen.

Voorts betreft het de gebruiksbeperkingen uit het aanlegvergunningstelsel. Deze beroepsgrond slaagt.

Het tracédeel Middenmeer - Anna Paulowna

60. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat het gekozen tracé tussen transformatorstation Middenmeer en transformatorstation Anna Paulowna onvoldoende is gemotiveerd. Volgens hen wordt in de plantoelichting slechts ingegaan op het gekozen tracé, maar niet op alternatieve tracés.

60.1. Bij de plantoelichting zijn belemmeringenkaarten gevoegd. Daarop zijn diverse belemmeringen zoals een regionale waterkering, de aanwezigheid van windturbines en weidevogelleefgebieden weergegeven. Provinciale staten hebben toegelicht dat het gekozen tracé in hoofdlijnen volgt uit de belemmeringenkaarten in combinatie met de traceringsprincipes. Gelet hierop is het gekozen tracé ook in hoofdlijnen op onderzoek gebaseerd en gemotiveerd. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in de plantoelichting niet hebben kunnen volstaan met de onderbouwing van het gekozen tracé op een groter detailniveau.

61. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat ten onrechte eerst de locatie van transformatorstation Middenmeer en pas daarna het tracé van de hoogspanningsverbinding is bepaald. Daarmee zijn de belangen van de grondeigenaren en -gebruikers niet betrokken bij de locatiekeuze van het transformatorstation, terwijl de locatiekeuze van directe invloed is op de mogelijke tracés.

61.1. Zoals hiervoor onder 10.5 is overwogen is gelet op de doelstellingen niet aannemelijk geworden dat een zodanige andere locatie voor transformatorstation Middenmeer mogelijk was dat dit van invloed zou zijn op het tracé ter hoogte van de gronden van [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen in de gemeente Anna Paulowna. Derhalve kan worden geoordeeld dat de ingeroepen norm kennelijk niet ziet op de bescherming van hun belangen. Gelet hierop staat artikel 8:69a Awb er aan in de weg staat dat het besluit om die reden wordt vernietigd.

De locaties van [appellante sub 14] en [appellante sub 14A]

62. [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen betogen dat het tracé door bouwblokken van woningen, agrariërs en bedrijven loopt. Daardoor worden de uitbreidingsmogelijkheden belemmerd. Desgevraagd hebben zij ter zitting aangegeven dat dit betoog betrekking heeft op drie concrete locaties.

62.1. De eerste locatie betreft de gronden van [appellante sub 14] aan de [locatie 9] te Breezand. Die gronden zijn voorzien van een woonbestemming.

Ter zitting hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat het tracé onbedoeld binnen 15 m van de woonbestemming ligt, zodat niet is uitgesloten dat de voorziene woning ter plaatse binnen de 0,4 µT zone zou komen te liggen. Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

62.2. De tweede locatie betreft de gronden voor het agrarische bedrijf van [appellante sub 14] aan de [locatie 10] te Breezand. Ter plaatse van het voorziene tracé heeft [appellante sub 14] damwanden en een waterbassin waarin tulpenbollen worden gewassen.

Ter zitting hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat het tracé onbedoeld de damwanden en het waterbassin doorkruist. Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

62.3. De derde locatie betreft de gronden voor het composteerbedrijf van [appellante sub 14A] aan de [locatie 11] te Breezand. [appellante sub 14A] is een van de indieners van het beroep van [appellante sub 14] en anderen. De exploitatie van het composteerbedrijf vereist een vloeistofdichte vloer. Daarvoor is een gedeelte van het perceel geasfalteerd. Gebleken is dat het tracé ten koste gaat van planologisch reeds toegestane uitbreidingsmogelijkheden voor de vloeistofdichte vloer.

Ter zitting hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat dit bij de voorbereiding van het plan niet is onderkend. Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Conclusie

63. Gelet op het overwogene onder 30 is het beroep van [appellante sub 13] en anderen gegrond.

64. In hetgeen [appellante sub 14] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft:

- het plandeel in het verlengde van de voorste en achterste perceelsgrenzen van de gronden van [appellante sub 14] met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 9] te Breezand;

- het plandeel ter plaatse van de gronden van [appellante sub 14] aan de [locatie 10] te Breezand.

- het plandeel ter plaatse van de gronden van [appellante sub 14A] aan de [locatie 11] te Breezand.

Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Gelet hierop, en het overwogene onder 30, is het beroep van [appellante sub 14] en anderen gegrond.

Opdracht en proceskosten

65. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb provinciale staten op te dragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen.

66. Provinciale staten dienen ten aanzien van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellant sub 7], [appellante sub 8], [appellant sub 11] en anderen, [appellant sub 12] en anderen, [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 15] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellant sub 7], [appellante sub 8], Farm Field Onroerend Goed B.V., [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 11] en anderen, [appellant sub 12] en anderen, [appellante sub 13] en anderen en [appellante sub 14] en anderen, gegrond;

III. vernietigt het bij besluit van 4 april 2016 door provinciale staten van Noord-Holland vastgestelde inpassingsplan "Netuitbreiding Kop van Noord-Holland" voor zover het betreft:

a. artikel 4, lid 4.4.1, onder a, c en d, van de planregels en voor zover het aanlegvergunningstelsel geen uitzondering kent voor het aanleggen van drainage tot 1 m diep;

b. het aanlegvergunningstelsel wat betreft artikel 4, lid 4.4.1, aanhef, van de planregels;

c. het plandeel in het verlengde van de zijdelingse perceelsgrenzen van de gronden van [appellant sub 5] met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 2] te Middenmeer;

d. het plandeel in het verlengde van de voorste en achterste perceelsgrenzen van de gronden van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] aan de [locatie 3] te Heerhugowaard;

e. het plandeel ter hoogte van de waterbassins achter de bedrijfsbebouwing van [appellant sub 7] aan de [locatie 4] en [locatie 5] te Heerhugowaard;

f. het plandeel in het verlengde van de zijdelingse perceelsgrenzen van de gronden van [appellant sub 11] en anderen aan de [locatie 6] tot en met [locatie 7] te Middenmeer;

g. het plandeel in het verlengde van de voorste en achterste perceelsgrenzen van de gronden van [appellante sub 14] met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 9] te Breezand;

h. het plandeel ter plaatse van de gronden van [appellante sub 14] aan de [locatie 10] te Breezand;

i. het plandeel ter plaatse van de gronden van [appellante sub 14A] aan de [locatie 11] te Breezand;

IV. draagt provinciale staten van Noord-Holland op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een herstelbesluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. treft de voorlopige voorzieningen:

a. dat de rechtsgevolgen van artikel 4, lid 4.4.1, onder a, c en d, van de planregels in stand blijven, met dien verstande dat deze planregels niet gelden voor zover het betreft werken en werkzaamheden tot 0,8 m diep en het aanleggen van drainage tot 1 m diep;

b. dat de rechtsgevolgen van artikel 4, lid 4.4.1, aanhef, van de planregels in stand blijven, met dien verstande dat het betrekking heeft op de strook grond waar ten behoeve van TenneT een zakelijk recht dan wel een gedoogplicht kan worden gevestigd, met dien verstande dat na de vestiging daarvan het aanlegvergunningstelsel uitsluitend betrekking heeft op de strook grond waar het zakelijk recht dan wel de gedoogplicht is gevestigd;

VI. bepaalt dat de onder V opgenomen voorlopige voorzieningen vervallen op het moment van inwerkingtreding van het door provinciale staten van Noord-Holland nieuw te nemen besluit;

VII. verklaart de beroepen van de Hofsteestichting, [appellant sub 4], [appellant sub 1] en [appellant sub 3] ongegrond;

VIII. veroordeelt Provinciale staten van Noord-Holland tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

- aan [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- aan [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 491,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellante sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- aan [appellant sub 11] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- aan [appellant sub 12] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- aan [appellante sub 13] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- aan [appellante sub 14] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IX. gelast dat de provinciale staten van Noord-Holland aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 5];

- € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 7];

- € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 8], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor Farm Field Onroerend Goed B.V.;

- € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 10] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellant sub 11] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellant sub 12] en anderen vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 13] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 14] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Hagen w.g. Hupkes

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017

BIJLAGE

Planregels inpassingsplan "Netuitbreiding Kop van Noord-Holland" van 4 april 2016

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.8 belemmeringenstrook:

een strook grond of water waaraan beperkingen kunnen worden opgelegd in verband met de veiligheid van ondergrondse en/of bovengrondse kabels en leidingen;

1.19 hoogspanningsverbinding:

ondergrondse (hoogspannings)verbinding die is bestemd voor transport van electriciteit op een spanningsniveau van 110 kV of hoger;

1.20 kabelbed:

ruimtebeslag dat door een gemeenschappelijk tracé van één of meer kabels, die toebehoren aan één netwerkbeheerder, wordt gevormd;

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 4 Leiding - Hoogspanning

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van maximaal 150 kV;

met de daarbij behorende:

b. belemmeringenstrook van ten hoogste 5 meter ter weerszijden van het kabelbed;

c. het behoud van de aardkundige waarden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - aardkundige waarden';

d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

met dien verstande dat:

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge de basisbestemming op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

4.2 Bouwregels

4.2.1 Gebouwen

a. In afwijking van wat elders in deze regels is bepaald, mogen op of in de in lid 4.1 onder a en b genoemde gronden geen gebouwen worden gebouwd.

b. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag op of in de in lid 4.1 onder a en b genoemde gronden uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging of vernieuwing van bestaande bouwwerken.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in de in lid 4.1 onder a en b bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de hoogspanningsverbinding worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 meter.

4.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2 voor het bouwen binnen de belemmeringenstrook overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de in lid 4.1 onder a en b bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanbrengen van beplantingen en bomen;

b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;

d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, ontginnen, drainage en ophogen;

e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

f. het permanent opslaan van goederen.

4.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 4.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

a. verband houden met de aanleg van de betreffende hoogspanningsverbinding;

b. reeds in uitvoering zijn of vergund zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan;

c. het normale onderhoud van de hoogspanningsverbinding en belemmeringenstrook of van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen.

4.4.3 Voorwaarden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 kan worden verleend indien:

a. de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig schaden;

b. de aardkundige waarden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - aardkundige waarden' niet onevenredig worden geschaad dan wel dat er afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden.

4.4.4 Advies

Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1, wint burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Artikel 8 Algemene wijzigingsregels

8.1 wetgevingszone - wijzigingsgebied 1

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland kunnen het plan wijzigen om de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' te verschuiven ter plaatse van de aanduiding wetgevingszone - wijzigingsgebied 1, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;

b. uit een ingesteld bodemonderzoek blijkt, dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;

c. door middel van onderzoek is aangetoond dat kan worden voldaan aan de vigerende natuurbeschermingswetgeving (dus zowel soorten- als gebiedsbescherming).