Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201606899/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Nudepark II, fase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606899/1/R1.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de vereniging "Mooi Wageningen", gevestigd te Wageningen,

2.    [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Wageningen,

en

de raad van de gemeente Wageningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Nudepark II, fase 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017, waar Mooi Wageningen, vertegenwoordigd door dr. ir. H.J. Brons, drs. E. van Maanen en ir. U.H. Yntema, en [appellant sub 2] en anderen, in persoon van [appellant sub 2], zijn verschenen. Voorts is op die zitting de raad, vertegenwoordigd door H.G. van Olderen, bijgestaan door mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, verschenen. Verder is [belanghebbende], vertegenwoordigd door J.O. Karel en D. Lemmers, bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Goede procesorde

1.    De raad heeft ter zitting gesteld dat de nadere stukken van Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen zeer kort voor de zitting en daarmee in strijd met de goede procesorde zijn ingediend. Hij wijst er op dat de nadere stukken omvangrijke rapporten omvatten en dat er onvoldoende tijd is geweest om deskundigen dit te laten beoordelen.

2.    De nadere stukken van Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen zijn op 30 en 31 mei 2017 bij de Afdeling binnengekomen en zijn dus in elk geval ingediend binnen de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn. De stukken omvatten rapporten omtrent de behoefte aan bedrijfsruimte en het voorkomen van beschermde diersoorten in het plangebied. In de rapporten over de diersoorten zijn weliswaar meer diersoorten genoemd dan in de beroepschriften, maar naar het oordeel van de Afdeling zijn deze rapporten niet dusdanig van omvang dat de raad hier niet meer op heeft kunnen reageren. De Afdeling ziet daarom geen reden om die rapporten buiten beschouwing te laten. Evenmin ziet de Afdeling gelet op de omvang van het rapport over de behoefte grond om dit rapport buiten beschouwing te laten.

Inleiding

3.    Het plan voorziet onder meer in een nieuw aan te leggen bedrijventerrein, dat aansluit op de bestaande bedrijventerreinen Nudepark I en Nude 1980, ten zuidwesten van de kern van Wageningen. Het plan voorziet verder in een toegangsweg vanuit het bedrijventerrein Nudepark I, enkele watergangen en in een natuurbestemming voor een perceel van ongeveer 4 ha groot op 150 m ten westen van het plandeel met de bedrijfsbestemming. Het bedrijventerrein zal ongeveer 6 ha aan uitgeefbare gronden omvatten. De gronden waarop het bedrijventerrein is voorzien, zijn in eigendom van [belanghebbende]

    Mooi Wageningen heeft blijkens haar statuten tot doel het landschap en de natuur van de gemeente Wageningen te behouden en te ontwikkelen. [appellant sub 2] en anderen wonen op afstanden van 30 tot 300 m tot het plandeel met de bedrijfsbestemming. Hun woningen worden gescheiden van het plangebied door de Lawickse Allee.

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Intrekking beroepsgrond

5.    Ter zitting heeft Mooi Wageningen het betoog over het Natura 2000-gebied Rijntakken ingetrokken.

Procedure

6.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan op onjuiste gronden in procedure is gebracht. Zij voeren aan dat in de kaders die de raad in 2012 heeft vastgesteld, als voorwaarde is gesteld dat het plan in procedure zou worden gebracht als minimaal voor 2 ha aan voorlopige koopcontracten waren opgesteld. Volgens [appellant sub 2] en anderen is tussen [belanghebbende] en [bedrijf] op 8 april 2013 een voorlopige koopovereenkomst voor een perceel van 2,4 ha opgesteld. Deze overeenkomst is uitsluitend bedoeld om het plan in procedure te brengen en die overeenkomst kan niet als een reële verkoop worden beschouwd. Zij stellen dat [bedrijf] geen behoefte heeft aan een perceel van 2,4 ha en daar ook geen financiële middelen voor heeft. Tot slot betogen zij dat zij ten onrechte bij de procedure tot vaststelling van het plan niet zijn benaderd voor hun kennis omtrent flora en fauna en landschappelijke inpassing. Zij stellen dat onvoldoende maatschappelijk draagvlak bestaat en dat de besluitvorming tekort heeft geschoten in het democratisch inspraakproces.

6.1.    De raad stelt dat het plan niet op onjuiste gronden in procedure is gebracht. Voor het in procedure brengen van het plan was in 2013 een koopovereenkomst gesloten tussen [belanghebbende] en [bedrijf] voor een bedrijfsperceel van 2,2 ha en deze is in maart 2014 verlengd. Volgens hem bestond geen reden om aan te nemen dat dit geen reële verkoop was, gelet op de geografische spreiding van de klanten van [bedrijf] Voorts stelt de raad dat nooit de eis is gesteld dat een onherroepelijke en onvoorwaardelijke koopovereenkomst moest zijn gesloten. Hij heeft de voorwaarde van het beschikbaar zijn van een koopovereenkomst gesteld om enig zicht te krijgen op de in de markt bestaande behoefte. Dit was evenwel nog voor dat de zogeheten ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) in werking was getreden. Volgens hem diende ten tijde van het vaststellen van het plan de ladder te worden gevolgd en is uit de behoefteonderzoeken gebleken dat er in een behoefte wordt voorzien. Daarom was het ten tijde van het vaststellen van het plan niet langer relevant of [bedrijf] zich daadwerkelijk zou vestigen op het terrein.

6.2.    De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat het de raad, los van tussen [belanghebbende] en [bedrijf] in overeenkomsten gemaakte afspraken, vrij staat om een bestemmingsplan in procedure te brengen.

    Hij is daarbij gebonden aan de procedurele regels die in de Awb en de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) staan en aan onder meer de regels van het Bro en de provinciale verordening. Geen rechtsregel verplichtte ertoe om voorafgaand aan het in procedure brengen van het plan [appellant sub 2] en anderen te raadplegen omdat zij bijzondere kennis hebben over de flora en fauna in de omgeving. In het aangevoerde ziet de Afdeling ook anderszins geen grond dat het plan in strijd met de procedurele regels in de Awb of Wro tot stand is gekomen. Het betoog faalt.

Strijd met provinciale verordening en provinciaal beleid

7.    Mooi Wageningen betoogt dat het plan in strijd is met artikel 2.3.2.4  van de Omgevingsverordening Gelderland, waarin is bepaald dat een lokaal bedrijventerrein niet in grotere kavels kan voorzien dan 0,5 hectare. Zij voert aan dat het plan is vastgesteld om [bedrijf] zich te laten vestigen op een kavel van 2,4 hectare. [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten tijde van het opstellen van het ontwerp van het bestemmingsplan [bedrijf] niet voldeed aan het vigerende provinciale beleid en de destijds vigerende Ruimtelijke Verordening Gelderland van december 2012. Zij stellen dat [bedrijf] geen Wagenings bedrijf is en geen aantoonbare binding heeft met Wageningen. Om die reden kan zij zich niet vestigen op een lokaal bedrijventerrein. Verder had de raad moeten beoordelen of [bedrijf] niet kon uitbreiden op een bestaand logistiek centrum in Oss of naar direct beschikbare locaties aan de A12 en de A1. Tot slot betogen zij dat het plan financieel niet uitvoerbaar is omdat het hoofdzakelijk is opgesteld om de komst van [bedrijf] te faciliteren. Dit bedrijf verkeerde echter in een financieel slechte positie ten tijde van het vaststellen van het plan.

7.1.    Artikel 2.3.2.4 van de Omgevingsverordening Gelderland luidde ten tijde van het bestreden besluit:

"1. In bestemmingsplannen kan binnen nieuwe lokale bedrijventerreinen een kavelgrootte worden toegestaan van ten hoogste 0,5 hectare.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ruimere kavelgrootte worden toegestaan indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat er sprake is van een aan de betreffende gemeente, kern of locatie gebonden bedrijf waarbij de bedrijfsvoering een ruimere kavelgrootte noodzakelijk maakt."

7.2.    Artikel 3, lid 3.2.1, onder a, van de planregels luidt: "De oppervlakte van het bouwperceel bedraagt:

1. ter plaatse van de aanduiding ‘deelgebied 1’ minimaal 1.000 m2 en maximaal 3.000 m2;

2. ter plaatse van de aanduiding ‘deelgebied 2’ minimaal 600 m2 en maximaal 2.000 m2;

3. ter plaatse van de aanduiding ‘deelgebied 3’ minimaal 4.000 m2 en maximaal 5.000 m2;

4. ter plaatse van de aanduiding ‘deelgebied 4’ minimaal 600 m2 en maximaal 2.000 m2;"

7.3.    De Afdeling overweegt dat het plan niet uitsluitend in de vestiging van [bedrijf] op het bedrijventerrein voorziet en evenmin in een bouwperceelgrootte van 2,4 ha. Dat in het verleden een overeenkomst is gesloten voor de verkoop van een stuk grond van 2,4 ha maakt niet dat het plan, dat bij recht voorziet in kavelgroottes van maximaal 0,5 ha, in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland. Evenmin kan een dergelijke overeenkomst het plan of de Omgevingsverordening Gelderland opzij zetten. De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de raad had moeten beoordelen of [bedrijf] zich elders kon vestigen. Het plan voorziet immers niet in een bouwperceel van 2,4 ha dat enkel door [bedrijf] mag worden bebouwd en gebruikt. Om diezelfde reden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad in de financiële positie van [bedrijf] aanleiding had moeten zien om het plan financieel niet uitvoerbaar te achten. Het betoog faalt.

Ladder duurzame verstedelijking

8.    Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, b en c, van het Bro tot stand is gekomen.

9.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidde ten tijde van het bestreden besluit: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

10.    Ten aanzien van het bepaalde onder artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro voert Mooi Wageningen aan dat de behoefte enkel is gebaseerd op beleidsmatige uitgangspunten in het Regionaal Programma Bedrijventerreinen van 22 maart 2012 (hierna: RPB 2012) en niet op een enquête. Zij betoogt dat geen actuele regionale behoefte bestaat. Mooi Wageningen betoogt verder dat in de Regionale Structuurvisie 2005, het RPB 2012 en de Structuurvisie Wageningen 2013, Nudepark II is omschreven als een terrein dat voorziet in lokale behoefte, maar dat die behoefte in werkelijkheid niet bestaat. Zij stelt dat de lokale behoefte volgens het Structuurplan Wageningen 2003 ertoe zou moeten leiden dat het bedrijventerrein Nude 1980 wordt gerevitaliseerd door uitplaatsing van milieuhinderlijke bedrijvigheid en het daarmee beschikbaar komen van bedrijfsterreinen. Deze uitplaatsing is echter om verschillende redenen nooit op gang gekomen, zodat de behoefte ook niet is ontstaan. Zij voeren verder aan dat uit het RPB 2012 blijkt dat er geen regionaal belang is voor het Nudepark 2, fase 1. Verder stellen zij dat uit het onderzoek van Ecorys van maart 2016 blijkt dat het niet in de rede ligt dat er in de periode tot 2025 extra ruimtevraag ontstaat als gevolg van de revitalisering van de Industrieweg en omstreken in het marktgebied van Nudepark II, fase 1. Er is daarom op lokaal niveau geen behoefte aan extra ruimte. Mooi Wageningen voert verder aan dat geen rekening is gehouden met bepalende keuzefactoren voor ondernemers, zoals kavelgrootte. Verder wijst Mooi Wageningen er op dat in een rapport van de Rekenkamer Oost-Nederland van juni 2015 erop is gewezen dat er krimp zal optreden vanaf 2025.

    [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat in de onderzoeken naar de behoefte ten onrechte is uitgegaan van de vraag naar bedrijfsruimte binnen de bovenlokale markt. Volgens hen is het echter aannemelijk dat bedrijven buiten Wageningen naar omliggende gemeenten zullen gaan. Tot slot betogen zij dat er slechts een actuele regionale behoefte bestaat van maximaal 4,4 ha. Deze behoefte moet bovendien naar beneden worden bijgesteld, gelet op de afwezige vervangingsvraag gericht op Wageningen en de te optimistische interpretatie van de doorgaande autonome groei.

    Ter ondersteuning van hun argumenten hebben [appellant sub 2] en anderen en Mooi Wageningen een memo van Kubiek Ruimtelijke Plannen, gedateerd 30 mei 2017, overgelegd. Uit dit memo blijkt volgens hen onder meer dat op andere bedrijventerreinen nog voldoende ruimte beschikbaar is.

10.1.    De raad stelt dat onderzoeksbureau Stec Groep onderzoek heeft gedaan naar de vraag of wordt voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro gestelde voorwaarden. De conclusie van Stec Groep is dat er een actuele regionale marktvraag van 10 ha bestaat en dat die niet op bestaande bedrijventerreinen kan worden gevonden. Om die reden zijn de ruimtelijke effecten van Nudepark II, fase 1, in de vorm van leegstand, versnelde veroudering en dalende vastgoedwaarden beperkt. De conclusies van het rapport van Stec Groep zijn bevestigd in een nader onderzoek van Ecorys, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Aanvullend onderzoek Nudepark II, fase 1", van 24 maart 2016. Volgens de raad hebben Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen de conclusies van deze rapporten niet met een tegenrapport dat door een deskundige is opgesteld, weerlegd.

10.2.    In het bij de plantoelichting behorende rapport "Memo Laddertoets Nudepark II, fase 1" van Stec Groep, gedateerd mei 2015, is de regionale marktvraag beschreven. In paragraaf 1.3.3 van dit rapport is geconcludeerd dat een vraag van 24,2 ha (voor kavels onder de 0,75 ha) bestaat en een aanbod van in totaal ongeveer 14 ha. In het rapport wordt geconcludeerd dat de behoefte in totaal ongeveer 10 ha bedraagt. In een rapport "Aanvullend onderzoek Nudepark II, fase 1", gedateerd 24 maart 2016, opgesteld door Ecorys, is vermeld dat voor de getallen die Stec Groep noemt, valide methoden en logische uitgangspunten zijn gehanteerd. Verder is vermeld dat de leegstand in het marktgebied van Nudepark II, fase 1, onvoldoende ruimte biedt voor de totale geraamde vraag. In paragraaf 4.1 tot en met 4.3 van het rapport van Ecorys is ingegaan op de vraag of de revitalisering van het bedrijventerrein aan de Industrieweg, dat meer naar het oosten ligt, nog effecten heeft op de vraag naar ruimte op Nudepark 2, fase 1 (de zogeheten vervangingsvraag). Geconcludeerd is dat de revitalisering nauwelijks effect heeft op de vraag naar vervangende bedrijfsruimte en dat de door Stec Groep geraamde vervangingsvraag plausibel is.

    In het memo van Kubiek is geconcludeerd dat de ruimtevraag is overschat en dat niet duidelijk is waar de vervangingsvraag vandaan komt. Deze conclusies zijn evenwel niet nader onderbouwd. Verder is in het rapport van Ecorys uitgelegd waarom het niet in de rede ligt dat er in de periode tot 2025 extra vervangingsvraag als gevolg van de revitalisering van de Industrieweg in het marktgebied van Nudepark II, fase 1 ontstaat. De Afdeling ziet daarom in hetgeen in het rapport van Kubiek is vermeld in zoverre geen grond voor het oordeel dat de conclusies in het rapport van Stec Groep en Ecorys wat betreft de vraag naar bedrijfsruimte niet aannemelijk zijn. Over het rapport van de Rekenkamer Oost-Nederland overweegt de Afdeling dat in het rapport van Ecorys is weerlegd dat na 2025 voor een te groot overaanbod moet worden gevreesd. Voorts is beschreven hoe het overaanbod is teruggebracht. Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen hebben het rapport van Ecorys in zoverre niet gemotiveerd bestreden. Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen hebben ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat in de rapporten van Stec Groep en Ecorys een te rooskleurig beeld is geschetst van de behoefteraming. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarom uit mogen gaan van de behoefteraming in de rapporten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd en heeft hij terecht gesteld dat er een actuele regionale behoefte bestond aan ten minste een bedrijventerrein van de omvang waarin het plan voorziet. Het betoog faalt.

11.    Mooi Wageningen betoogt ten aanzien van artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro dat, omdat de behoefteraming volgens haar niet juist tot stand is gekomen, evenmin duidelijk is of de behoefte niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen. [appellant sub 2] en anderen betogen dat binnen het bestaande stedelijk gebied voldoende ruimte is om de behoeftevraag op te vangen. Zij wijzen er onder meer op dat diverse bedrijfspanden op Nudepark I leegstaan. Voorts voeren zij aan dat bij de bepaling van de heruitgeefbare ruimte op bestaande terreinen de vrijgekomen locatie aan de Costerweg niet is meegenomen en dat niet is gekeken naar mogelijke uitplaatsing van maatschappelijke functies naar geschiktere locaties. Zij wijzen er in dit verband op dat op Nudepark I, in de haven en op Nude 1980/Industrieweg een aantal verenigingen in verouderde gebouwen op zichtlocaties is gevestigd. Verder zijn in het rapport van Kubiek nog enkele andere bedrijventerreinen genoemd waar ruimte vrij is, namelijk op de bedrijventerreinen van De Klomp en Remmerden, het DELM-terrein en diverse kavels op het bedrijventerrein BTA-12-Zuid.

11.1.    De raad stelt dat de bestaande leegstand op het bedrijventerrein Nudepark I niet statisch is, omdat leegstaande panden worden gevuld en in andere panden tijdelijk leegstand is. Een analyse van de bestaande leegstand is per definitie een momentopname. Volgens hem hebben de panden die ten tijde van de onderzoeken van Stec Groep en Ecorys leegstonden nadien een nieuwe gebruiker gekregen. Verder stelt de raad dat de door [appellant sub 2] en anderen genoemde leegstaande bedrijfslocaties tezamen minder dan 1 ha in beslag nemen. Zelfs als die in het bestaande aanbod worden meegenomen, kan niet worden gesteld dat er onvoldoende marktruimte is. Over de maatschappelijke functies stelt de raad dat deze vooralsnog niet worden wegbestemd zodat die ruimte niet vrijkomt.

11.2.    In paragraaf 1.4 van het rapport van Stec Groep is vermeld hoe de geraamde vraag mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen. Van de behoefte aan 24,2 ha kan ongeveer 14 ha binnen bestaand stedelijk gebied en op regionale terreinen worden opgevangen. Daardoor resteert een vraag van ongeveer 10 ha die niet binnen stedelijk gebied kan worden opgevangen. Omdat het plan voorziet in een bedrijventerrein van 6 ha, wordt onder deze vraag gebleven. In dit rapport en het rapport van Ecorys is voorts ingegaan op leegstaande percelen op een groot aantal bedrijventerreinen, waaronder ook het terrein BTA-12, het DELM-terrein en een ander terrein in Remmerden. In het rapport van Ecorys is vermeld dat de drie kavels op BTA-12 tezamen met een kavel op bedrijventerrein De Vallei in Ede een omvang van 1 ha hebben en dat die kavels in het segment liggen zoals die op Nudepark II, fase 1 worden voorzien. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het BTA-12-terrein hoofdzakelijk in veel grotere kavels voorziet dan het plan en dat die daarom  niet mee mogen worden gerekend met de beschikbare ruimte binnen bestaand stedelijk gebied. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat de omstandigheid dat een kavel op het moment van vaststellen van het plan leeg staat niet betekent dat die kavel ook uitgeefbaar is of kan worden aangeboden. Deze kavels kunnen immers al zijn uitgegeven. Zo is het DELM-terrein volgens hem al verkocht en wordt dit thans gebruikt als parkeerplaats. Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen hebben dat niet bestreden. Ook dit 4,2 ha grote perceel kon daarom niet worden meegerekend bij de actuele beschikbare ruimte. Over het terrein Rhenen-Remmerden van 0,6 ha overweegt de Afdeling dat ook indien dit terrein zou worden meegerekend bij de beschikbare en uitgeefbare grond, nog steeds een vraag van meer dan 9 ha zou bestaan die niet binnen stedelijk gebied kan worden opgevangen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte terecht op het standpunt heeft gesteld dat de behoefte niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen. Het betoog faalt.

12.    Over het bepaalde onder artikel 3.1.6, tweede lid, onder c, van het Bro voert Mooi Wageningen aan dat het de bedoeling is om het plangebied als een bedrijventerrein in te richten voor bedrijven met een zware milieucategorie en waar A-wegen op aantakken. Uit de Regionale Structuurvisie van maart 2015 blijkt volgens haar dat beide Nudeparken slecht bereikbaar zijn via de N225. Ook in het RPB 2012 zijn de Nudeparken als slecht bereikbaar voor vracht- en bedrijfsverkeer aangemerkt. [appellant sub 2] en anderen voeren voorts aan dat de bereikbaarheid van Nudepark I op dit moment al slecht is vanwege knelpunten bij de diverse wegen zoals de N781 tussen de A12 en Wageningen, de N225, de brug bij Rhenen, de oostelijke rondweg bij Veenendaal en de Nijenoordallee. [appellant sub 2] en anderen wijzen er op dat uit het gemeentelijke mobiliteitsplan van 2013 blijkt dat in de toekomst die problemen ook niet zullen worden opgelost. Ook ontbreekt op alle bestaande bedrijventerreinen een glasvezelnetwerk zodat de digitale bereikbaarheid beperkt is.

12.1.    De raad stelt dat de ontwikkeling voldoet aan de eisen die provinciaal aan intergemeentelijke bedrijventerreinen binnen de marktregio worden gesteld. Het terrein wordt in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein (Nudepark I) gerealiseerd en biedt ruimte aan een passend milieuregime (maximaal milieucategorie 3). Het plangebied wordt ontsloten via het bestaande bedrijventerrein Nudepark I. Een aansluiting wordt gerealiseerd op de weg Nudepark met een directe verbinding op de N225 via de rotonde aan het begin van het Nudepark. Een eigen ontsluiting op de N225 is volgens de raad onwenselijk omdat dit de doorstroming zou kunnen belemmeren. Verder stelt hij dat gelet op het karakter van het bedrijventerrein een ontsluiting via een provinciale weg afdoende is.

12.2.    Artikel 3.1.6, tweede lid, onder c, van het Bro vereist niet dat een bedrijventerrein direct op een A-weg moet worden ontsloten. In paragraaf 2.2.2 van de plantoelichting, onder het laatste kopje "Optimale inpassing en bereikbaarheid" is beschreven hoe het bedrijventerrein Nudepark II, fase 1, wordt ontsloten. Dat gebeurt vooral via Nudepark I aan de oostzijde. Het terrein is ook per bus en fiets bereikbaar. In hetgeen Mooi Wageningen heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet voorziet in een passende ontsluiting zoals bedoeld in deze bepaling. De Afdeling ziet in de redactie noch de toelichting op artikel 3.1.6, tweede lid, onder c, van het Bro aanknopingspunten voor het oordeel dat onder de ontsluiting ook de digitale ontsluiting door een glasvezelnetwerk zou moeten worden begrepen. Het betoog faalt.

Verkeer

13.    Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het bedrijventerrein Nudepark II onvoldoende bereikbaar is voor vrachtverkeer. Dit zal congestie met zich brengen.

13.1.    In de plantoelichting is vermeld dat het gemotoriseerd verkeer wordt ontsloten via het bestaande bedrijventerrein Nudepark I, dat wordt ontsloten op de Lawickse Allee. De capaciteit van de Lawickse Allee is zodanig dat de geraamde 742 extra voertuigbewegingen, waarvan 10 % vrachtverkeer, als gevolg van het plan kunnen worden opgevangen. Verder zal een rotonde worden aangelegd die zorg draagt voor de aansluiting van Nudepark I op de Lawickse Allee en die wordt afgestemd op de realisatie van Nudepark II. Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de capaciteit van de Lawickse Allee onvoldoende is om de te verwachten verkeersstromen te kunnen afhandelen. Daarom ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan aanvaardbaar is uit oogpunt van mogelijke verkeershinder ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en anderen. Voor zover Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen wijzen op verkeerscongestie bij diverse uitvalswegen van Wageningen, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de bijdrage aan de verkeersbewegingen op die wegen zo groot is dat de raad om die reden het plan niet had mogen vaststellen. Het betoog faalt.

Aantasting van het landschap

14.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten behoeve van de aanleg van het bedrijventerrein bomen gekapt moeten worden. Deze bomen bieden evenwel een visuele afscherming van de bedrijven en bebouwing in de haven ten zuidoosten van het plangebied. Verder stellen zij dat de bomen alleen gekapt zullen worden om een watergangstelsel aan te leggen dan wel te verbreden. Volgens hen is die aanleg en verbreding ook mogelijk zonder het kappen van de bomen.

14.1.    De raad stelt dat de bestaande landschappelijke kwaliteiten ook na de ontwikkeling van het plan behouden blijven. Aan de noordzijde van het plan blijft de laanbeplanting langs de Lawickse Allee behouden. Deze laanbeplanting wordt door het verbreden van de berm versterkt. Over de te kappen bomen stelt de raad dat deze geen monumentale waarde hebben en dat ze niet op de lijst van gemeentelijke monumentale bomen voorkomen.

14.2.    Over de te kappen bomen is in paragraaf 4.4 van de plantoelichting vermeld dat van de 151 te kappen bomen in het plangebied er voor 104 een omgevingsvergunning voor kappen moet worden aangevraagd. Er is getoetst aan de APV en de gemeentelijke lijst van monumentale bomen. Verder is vermeld dat uit een visuele inspectie van de bomen is gebleken dat deze in redelijke tot normale conditie verkeren, maar dat er een verwaarloosd beeld is ontstaan vanwege het gebrek aan onderhoud. Geen van de bomen is als monumentaal aangewezen. Over de watergangen is in paragraaf 4.8.6 van de toelichting vermeld dat de waterafvoer vanuit de watergang ten zuiden van Nudepark I via het centrale deel van het plangebied naar het retentiegebied plaatsvindt. Dit heeft enerzijds als voordeel dat de watergangen in het plangebied en het retentiegebied optimaal worden benut. Anderzijds wordt de doorstroming van het watersysteem bij regenval in droge perioden zoveel mogelijk bevorderd. In deze paragraaf is voorts beschreven hoe de stroomroute loopt en welke bomen voor de watergang moeten wijken.

    De Afdeling overweegt dat het aannemelijk is dat de kap van de bomen aantasting van het uitzicht vanaf de Lawickse Allee oplevert. De afstand tot de te kappen bomen ten behoeve van de watergangen bedraagt vanaf de Lawickse Allee ongeveer 280 m. De raad heeft, gelet op de ligging van het retentiegebied aan de westzijde van het plangebied, in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen bij realisering van de route van het waterafvoersysteem waarin het plan voorziet dan aan het behoud van het uitzicht vanaf de Lawickse Allee. Het betoog faalt.

Duurzaamheid

15.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan onvoldoende zekerheid biedt dat het overeengekomen duurzaamheidsprofiel zoals dat is genoemd in de door de gemeente Wageningen vastgestelde kadernota van 12 maart 2012 wordt gerealiseerd. Volgens hen hadden de planregels dit moeten borgen door middel van een taakstelling.

15.1.    In paragraaf 2.2.4 van de plantoelichting onder het kopje "Duurzaamheid" is beschreven dat een duurzaamheidsprofiel is opgesteld waarmee is gewaarborgd dat wordt voldaan aan het beleid voor duurzame gebiedsontwikkeling. In zoverre is voldaan aan de hierboven genoemde kadernota. De raad heeft er daarom in redelijkheid van kunnen afzien om planregels hieromtrent op te nemen, nog daargelaten hoe deze regels precies zouden kunnen luiden. Het betoog faalt.

Beschermde diersoorten

16.    Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar binnen het plangebied voorkomende beschermde diersoorten, namelijk de grote modderkruiper, de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis, een kerkuil, een steenuil, de buizerd, amfibieën en poelkikkers. Het is daardoor onzeker of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet kan worden verleend en, als deze niet kan worden verleend, of het plan uitvoerbaar is. Ter onderbouwing van hun stelling dat binnen het plangebied beschermde dieren voorkomen hebben zij een rapport van EcoNatura, gedateerd 27 mei 2017, overgelegd. Volgens hen toont dit rapport aan dat in het plangebied naast voor de genoemde dieren het plangebied ook dient als foerageergebied of verblijfplaats voor de kamsalamander, ringslang, grote bonte specht, patrijs, huismus, laatvlieger, waterspitsmuis en hermelijn. Verder heeft [appellant sub 2] een rapport opgesteld waarin zij haar waarnemingen van diverse diersoorten heeft weergegeven.

17.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en Flora- en faunawet ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil nu het plan is vastgesteld voor 1 januari 2017 moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

18.    De raad heeft in aanvulling op de natuuronderzoeken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, nieuwe onderzoeken laten uitvoeren door Staro Natuur en Buitengebied en door Klokmilieu. Deze rapporten dateren van respectievelijk 18 oktober 2016 en 26 oktober 2015. In het rapport van Staro van 18 oktober 2016 is vermeld dat geen kerkuil is aangetroffen in de loods. Ook van de steenuil is geen rust- of verblijfplaats gevonden binnen het plangebied. Verder is over de steenuil vermeld dat het plangebied een klein deel van het foerageergebied omvat en dat voldoende foerageergebied overblijft na realisering van het plan. Ten aanzien van de buizerd is vermeld dat in de te kappen bomen geen nesten aanwezig zijn. Over de bosuil is vermeld dat het niet aannemelijk is dat deze foerageert in de uiterwaarden en dat het plangebied geen functioneel onderdeel is van het territorium. In het onderzoek van Klokmilieu, dat zich concentreert op de door Mooi Wageningen en [appellant sub 2] genoemde vleermuizen, is beschreven dat overeenkomstig het vleermuisprotocol is onderzocht of zich vleermuizen in de bebouwing binnen het plangebied bevonden. Er zijn volgens het rapport geen vaste rust- of verblijfsplaatsen aanwezig in de te slopen bebouwing binnen het plangebied. De Afdeling overweegt dat Mooi Wageningen en [appellant sub 2] en anderen met hun stellingen dat de door hen genoemde diersoorten aanwezig zijn of zouden moeten zijn en met de door hen overgelegde foto’s, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen genoemde diersoorten daadwerkelijk binnen het plangebied aanwezig zijn of essentieel foerageergebied verliezen. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat voor de van toepassing zijnde diersoorten geen ontheffing kan worden verleend. Voor het oordeel dat de raad op voorhand had moeten zien dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege de destijds geldende Flora- en Fauna wet, ziet de Afdeling daarom geen aanleiding. Het betoog faalt.

Ophoging gronden

19.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat onvoldoende is onderzocht wat de effecten van ophoging van gronden binnen het plangebied zullen zijn op de natuurwaarden en watergangen. Verder is niet duidelijk met welke grond de ophoging plaatsvindt.

19.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het ophogen van het terrein geen effecten heeft op de watergangen en de wettelijk beschermde natuurwaarden. Uitsluitend de poelkikker komt voor in de wateren aan de zuidwestzijde van het plangebied, en in het mitigatieplan voor de poelkikker is rekening gehouden met de ophogingswerkzaamheden door deze buiten het voortplantingsseizoen uit te voeren. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de effecten van terreinophoging niet zijn meegenomen bij de vaststelling van het plan. Voorts betreft de vraag welke grondsoort wordt gebruikt een kwestie van uitvoering en heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat uitvoeringswerkzaamheden niet in deze procedure aan de orde kunnen komen. Het betoog faalt.

Slotconclusie en proceskosten

20.    De beroepen zijn ongegrond.

21.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

361.