Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201701079/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:16300, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] voor 2015 op € 2.079,00 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201701079/1/A2.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Delft,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2016 in zaak nr. 16/6537 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] voor 2015 op € 2.079,00 gesteld.

Bij besluit van 21 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] voor 2016 op € 2.207,00 gesteld.

Bij besluit van 29 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget van [appellante] voor 2014 definitief vastgesteld op € 1.803,00.

Bij onderscheiden besluiten van 11 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] tegen de besluiten van 1, 21 en 29 april 2016 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Het

proces-verbaal van die uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. L.F. Delfgaauw, advocaat te Delft, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellante] woont samen met haar minderjarige kinderen, [dochter A] en [dochter B], en [persoon] op het adres [locatie] te Delft. De jaren 2014, 2015 en 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] voorschotten kindgebonden budget toegekend.

Wettelijk kader

2.    Artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) luidt als volgt:

"(…) voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen [wordt] onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en: […]

e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander; […]"

Besluitvorming

3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluitvorming het volgende ten grondslag gelegd. In de wet staan regels die bepalen wanneer een aanvrager van kindgebonden budget een toeslagpartner heeft en wie dat is. Een van de regels is dat de aanvrager automatisch een toeslagpartner heeft, als een aanvrager met een persoon op hetzelfde adres staat ingeschreven terwijl op dat adres ook een minderjarig kind van een van beiden staat ingeschreven. Dit is slechts anders als de aanvrager kan aantonen dat sprake is van een huurovereenkomst op zakelijke gronden. [appellante] heeft niet aangetoond dat sprake is van een dergelijke overeenkomst. [appellante] heeft ook de door de Belastingdienst/Toeslagen opgevraagde betaalbewijzen van de (onder)huur niet opgestuurd. Daarom kan niet worden beoordeeld of sprake is van een zakelijke huurovereenkomst tussen [appellante] en [persoon] en is [persoon] als toeslagpartner van [appellante] aangemerkt, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

Beroep

4.    De rechtbank heeft vastgesteld dat [persoon] vanaf 1 juni 2012 op hetzelfde adres staat ingeschreven als [appellante]. Ter onderbouwing van haar stelling dat [persoon] een deel van haar woning huurt en daarom niet als haar toeslagpartner moet worden aangemerkt, heeft [appellante] een schriftelijke huurovereenkomst tussen haar en [persoon] overgelegd. De rechtbank is met de Belastingdienst/Toeslagen van oordeel dat met de overeenkomst, waarin enkel is vastgelegd dat "het object" wordt gehuurd en verder niet is gespecificeerd wat onder "het object" moet worden begrepen, niet is aangetoond dat [persoon] een deel van de woning van [appellante] heeft gehuurd. [appellante] heeft verder geen andere stukken overgelegd waaruit een andere conclusie zou kunnen volgen. Zo zijn er geen betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [persoon] daadwerkelijk huur aan [appellante] heeft betaald. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [persoon] daarom terecht als toeslagpartner van [appellante] aangemerkt en het kindgebonden budget voor de jaren 2014, 2015 en 2016 juist vastgesteld, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. [appellante] stelt voorop dat uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir slechts volgt dat zij een huurovereenkomst moet kunnen overleggen en dat zij dit heeft gedaan. [appellante] licht toe dat [persoon], met wie zij geen affectieve relatie heeft, maar alleen een onderneming voert, sinds medio 2012 een kamer in haar woning huurt en dat hij gebruik maakt van haar keuken, sanitair en woonkamer. Dat beiden een eigen huishouden voeren blijkt uit de overgelegde foto’s, waarop onder meer te zien is dat er twee koelkasten in de keuken staan. De huur werd tot en met december 2016 contant voldaan en van de betalingen werd door [appellante] een overzicht bijgehouden dat iedere maand door haar en [persoon] werd getekend. Omdat de huurovereenkomst niet heel precies is geformuleerd, hebben [appellante] en [persoon] een nieuwe overeenkomst opgesteld. De betalingen vinden sinds 1 januari 2017 plaats via de bank, aldus [appellante].

5.1.    De Afdeling stelt vast dat, zoals [appellante] ter zitting ook heeft erkend, de door haar overgelegde huurovereenkomst onvoldoende bewijs oplevert om aan te kunnen nemen dat [persoon] de jaren 2014, 2015 en 2016 een deel van de woning van [appellante] huurde op zakelijke gronden, omdat in de overeenkomst niet is verduidelijkt op welk gedeelte van de woning deze betrekking heeft. [appellante] heeft in hoger beroep een lijst overgelegd waarop de huur voor de desbetreffende maand, de huurprijs en de parafen van [appellante] en [persoon] staan. Uit de lijst blijkt net zo min als uit de overeenkomst waarvoor precies huur zou zijn betaald. [appellante] heeft verder een uitdraai van haar bankrekeningoverzicht overgelegd, waarop te zien is dat [persoon] het jaar 2017 tot dusver maandelijks € 200,00 heeft overgemaakt. De onderhavige zaak ziet evenwel niet op 2017 en aan de uitdraai kan dan ook niet de waarde worden gehecht die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien. Dit geldt ook voor het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat [appellante] heeft overgelegd. Uit dit uittreksel blijkt dat [appellante] en [persoon] op het adres van de woning een paramedische praktijk voeren. Ook uit door [appellante] overgelegde foto’s valt niet af te leiden dat [persoon] een deel van de woning op zakelijke gronden huurde. Zoals de Belastingdienst/Toeslagen op zitting desgevraagd te kennen gaf, kan het goed zijn dat de twee koelkasten die te zien zijn op de foto van de keuken door alle bewoners worden gebruikt. Op de foto’s is verder te zien dat in één kamer drie bedden staan en in één kamer één bed staat. Hieruit kan evenmin worden afgeleid dat [persoon] een deel van de woning huurde op zakelijke gronden. Het document dat [persoon] en [appellante] hebben opgesteld om te verduidelijken wat zij hebben bedoeld in de huurovereenkomst tot uitdrukking te brengen en hoe de huur er feitelijk uit heeft gezien is subjectief van aard en hieraan kan dan ook niet de betekenis worden toegekend die [appellante] daaraan toegekend wenst te zien. Uit het vorenstaande volgt dat [appellante] niet heeft aangetoond dat [persoon] een gedeelte van haar woning huurde op zakelijke gronden. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon] terecht als toeslagpartner van [appellante] heeft aangemerkt en het kindgebonden budget voor de jaren 2014, 2015 en 2016 juist heeft vastgesteld.

    Het betoog faalt.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

735.