Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2349

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201508476/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:466, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Roermond van 17 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Thuserhof 22 Ponyhof Femke" te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508476/3/R1.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Roermond,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Roermond,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:466, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Roermond van 17 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Thuserhof 22 Ponyhof Femke" te herstellen.

Bij besluit van 11 mei 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Thuserhof 22 Ponyhof Femke" gewijzigd vastgesteld.

[appellant] en anderen hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 9.7.1 geoordeeld dat het besluit van 17 december 2015 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Hiertoe heeft zij overwogen dat uit artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels niet voortvloeit dat het zadelmak maken van paarden slechts binnen het bouwvlak mag plaatsvinden, terwijl de raad dit wel heeft beoogd. Tevens strookt artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels met betrekking tot het aantal lesklanten niet met de (voorgenomen) bedrijfsvoering van Ponyhof Femke zoals weergegeven in het bedrijfsplan.

    De Afdeling heeft voorts onder 11.5 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat op grond van artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels, bezien in combinatie met de aanduiding "bedrijfswoning" op de verbeelding, is uitgesloten dat een deel van het perceel dat noodzakelijkerwijs moet worden gepasseerd om de rijhal te bereiken, wordt gebruikt als toegangsweg naar de rijhal.

2.    Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 14 van de tussenuitspraak, onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen onder 9.7.1 en 11.5 is overwogen, is het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Roermond van 17 december 2015 gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak aan de raad de opdracht gegeven om met inachtneming van rechtsoverweging 14, de gebreken in het besluit van 17 december 2015 te herstellen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 11 mei 2017 het bestemmingsplan "Thuserhof 22 Ponyhof Femke" gewijzigd vastgesteld. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19 van de Awb van rechtswege mede onderwerp van het geding.

Gebruiksregels in het bestemmingsplan

4.    Om te voldoen aan de opdracht die in de tussenuitspraak is gegeven, heeft de raad bij het besluit van 11 mei 2017, artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels gewijzigd vastgesteld. In dit artikellid is nu bepaald dat het zadelmak maken van paarden binnen het bouwvlak dient plaats te vinden. Verder heeft de raad gesteld dat in het bedrijfsplan waarin de (voorgenomen) bedrijfsvoering van Ponyhof Femke is uiteengezet, door een verschrijving onduidelijk is weergegeven hoe het aantal lesklanten zich verhoudt tot hetgeen is bepaald in de desbetreffende planregel. Aan het bedrijfsplan is daarom een erratum toegevoegd. De raad heeft te kennen gegeven dat hieruit volgt dat artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels met betrekking tot het aantal lesklanten strookt met de (voorgenomen) bedrijfsvoering van Ponyhof Femke.

4.1.    [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze betoogd dat uit de nadere motivering van de raad niet volgt dat artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels strookt met de (voorgenomen) bedrijfsvoering van Ponyhof Femke. Hiertoe hebben zij passages uit het bedrijfsplan dat als bijlage bij het besluit van 17 december 2015 was gevoegd, vergeleken met passages uit het erratum bij het bedrijfsplan. [appellant] en anderen wijzen erop dat in het erratum is vermeld dat jonge ruiters tegelijkertijd zowel groeps- als individuele lessen volgen, terwijl in de eerdere versie van het bedrijfsplan was vermeld dat zij eerst individuele lessen dienen te volgen voordat zij aan groepslessen kunnen deelnemen. [appellant] en anderen wijzen er daarnaast op dat volgens het bedrijfsplan in totaal 25 mensen aanspraak kunnen maken op vrij rijden in de rijhal, terwijl dit aantal per week op 20 is gemaximeerd in artikel 3, lid 3.5.3, onder 3, van de planregels.

    [appellant] en anderen hebben in de tweede plaats betoogd dat niet duidelijk is hoe artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels moet worden uitgelegd. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat in de planregels ten onrechte niet is begrensd hoe vaak één persoon per week rijlessen mag volgen of vrij mag rijden en hoeveel uren per week maximaal mogen worden besteed aan het zadelmak maken van paarden. Dit kan er volgens hen onder meer toe leiden dat per week 200 personen vrij mogen rijden en 4.000 personen rijles mogen volgen. Omdat de rijhal dan intensiever zal worden gebruikt dan de raad bij het vaststellen van de planregels voor ogen heeft gehad, wordt met de formulering van de planregels volgens [appellant] en anderen niet de door de raad beoogde begrenzing van de gebruiksintensiteit gerealiseerd.

4.2.    Artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels luidt:

"Gebruikstijden en gebruiksintensiteit.

1. Het paardrijden (rijlessen, vrij rijden, zadelmak maken en inrijden) mag uitsluitend plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.

2. Per week mag aan maximaal 100 personen paardrijles worden gegeven, gedurende maximaal 40 uur per week.

3. Per week mogen maximaal 20 personen vrij rijden, gedurende in totaal maximaal 10 uur per week.

4. Het paardrijden als bedoeld onder 1 mag gedurende maximaal 10 uur per week plaatsvinden in de avondperiode (19.00 tot 23.00 uur) en niet in de nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur)."

4.3.    De Afdeling stelt vast dat in artikel 3, lid 3.5.3, onder 1, van de planregels thans - in overeenstemming met de door haar gegeven opdracht - is geregeld dat het zadelmak maken van paarden slechts binnen het bouwvlak mag geschieden.

    Ten aanzien van artikel 3, lid 3.5.3, onder 2, van de planregels heeft de raad ervoor gekozen om niet de regeling aan te passen, maar de motivering daarvan. De Afdeling overweegt dat in de plantoelichting bij het besluit van 11 mei 2017 en in het erratum dat daarbij als bijlage is gevoegd - evenals in het bedrijfsplan dat als bijlage bij het besluit van 17 december 2015 was gevoegd - staat dat door Ponyhof Femke wordt gestreefd naar 100 lesklanten per week. Dit betekent dat 80 ruiters in groepen van vijf paardrijles krijgen, waarnaast aan 20 van deze ruiters tevens individuele les wordt gegeven. Dat brengt met zich dat de rijhal ten behoeve van deze 80 ruiters, 36 uur in gebruik is, zo vermeldt de plantoelichting. In de verdere toekomst wordt verwacht dat 20 extra lesklanten in groepen van vijf paardrijles zullen krijgen. Dit brengt het totaal aantal lesklanten op 100 en het totaal aantal uren op 40, hetgeen strookt met artikel 3, lid 3.5.3, onder 2, van de planregels.

    Naar het oordeel van de Afdeling is met deze nadere motivering van de raad komen vast te staan dat artikel 3, lid 3.5.3, onder 2, van de planregels, strookt met de (voorgenomen) bedrijfsvoering van Ponyhof Femke.

4.4.    In hetgeen [appellant] en anderen in hun zienswijze naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding om hierover anders te oordelen. De Afdeling ziet niet in dat de volgorde van het volgen van groeps- dan wel individuele lessen door jonge ruiters voor de (voorgenomen) bedrijfsvoering van Ponyhof Femke en de vertaling daarvan in de planregels relevant is. Voorts overweegt zij dat de omstandigheid dat in artikel 3, lid 3.5.3, onder 3, van de planregels is bepaald dat maximaal 20 personen per week vrij mogen rijden terwijl volgens het bedrijfsplan 25 personen hierop aanspraak kunnen maken, weliswaar kan betekenen dat niet alle verzoeken om vrij te mogen rijden elke week kunnen worden gehonoreerd, maar niet met zich brengt dat de (voorgenomen) bedrijfsvoering onjuist in de planregels is vertaald.

    Het betoog faalt in zoverre.

4.5.    Ten aanzien van hetgeen [appellant] en anderen overigens hebben aangevoerd overweegt de Afdeling dat de door hen gegeven interpretatie van artikel 3, lid 3.5.3, onder 2, van de planregels - namelijk dat wordt mogelijk gemaakt dat wekelijks 200 personen vrij mogen rijden en 4.000 personen paardrijles mogen volgen - niet als reële uitleg van deze planregel kan worden gezien, gelet op de omvang van het bedrijf en de beoogde bedrijfsvoering. De Afdeling overweegt voorts dat [appellant] en anderen terecht hebben aangevoerd dat in de planregels geen beperking is gesteld aan het aantal uren dat wekelijks mag worden besteed aan het zadelmak maken van paarden. Gelet echter op het feit dat deze activiteit alleen in de rijhal mag plaatsvinden en op de totale capaciteit van het bedrijf, heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid van kunnen afzien om dit in een planregel te regelen. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels rechtsonzeker is dan wel niet strookt met hetgeen de raad heeft beoogd te regelen.

    Het betoog faalt.

Toegangsweg

5.    Om te voldoen aan de opdracht die in de tussenuitspraak is gegeven, heeft de raad bij het besluit van 11 mei 2017 de aanduiding "bedrijfswoning" op de verbeelding verkleind, zodat een deel van de toegangsweg niet meer binnen deze aanduiding valt. Voor de begrenzing van de aanduiding "bedrijfswoning" in het besluit van 11 mei 2017 is uitgegaan van de grens die is aangehouden in het akoestisch onderzoek, zo heeft de raad gesteld. Volgens de raad biedt deze begrenzing voldoende ruimte om de rijhal via de toegangsweg te bereiken.

5.1.    [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze betoogd dat het gedeelte van de toegangsweg dat op grond van artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels, bezien in combinatie met de aanduiding "bedrijfswoning" op de verbeelding bij het besluit van 11 mei 2017 mag worden gebruikt om de rijhal te bereiken, daarvoor te smal is. De breedte van deze strook bedraagt volgens hen ter plaatse van de toegang van de openbare weg tot het perceel maximaal 1,22 m. [appellant] en anderen wijzen in dit verband op het rapport "Onderzoek ruimte gebruik voertuigen inrit" van Rijcurve.nl, dat is gedateerd op 5 juni 2017. Hieruit blijkt volgens hen dat het voor personenauto’s en trailers onmogelijk is om de rijhal te bereiken zonder gebruik te maken van het gedeelte van de toegangsweg dat ook thans nog binnen de aanduiding "bedrijfswoning" is gelegen.

5.2.    De Afdeling stelt vast dat de breedte van het gedeelte van de toegangsweg dat op de verbeelding niet binnen de aanduiding "bedrijfswoning" is gelegen, ter plaatse van de toegang tot de openbare weg ongeveer 1,25 m bedraagt. Deze breedte is - zoals [appellant] en anderen terecht hebben aangevoerd - ontoereikend voor de toegankelijkheid van de rijhal voor personenauto’s en trailers. De Afdeling ziet derhalve aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen.

    Het betoog slaagt.

Afstand tot geurgevoelig object; vergunning verplaatsing bijgebouw

6.    [appellant] en anderen hebben er in hun zienswijze voorts op gewezen dat de raad de richtafstanden in de VNG-brochure wat betreft - onder meer - het aspect geur in de plantoelichting noemt in paragraaf 7.1. In de plantoelichting is volgens hen ten onrechte vermeld dat bij het bepalen van de richtafstand kan worden uitgegaan van de feitelijke locatie van woonbebouwing in plaats van de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.     

    [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze daarnaast te kennen gegeven dat op 11 april 2017 een omgevingsvergunning is aangevraagd voor de verplaatsing van het bijgebouw op het perceel Thuserhof 23. Deze vergunning is bij besluit van 22 mei 2017 door het college van burgemeester en wethouders verleend. De afstand tussen het emissiepunt van de rijhal en de beoogde, nieuwe locatie van het bijgebouw bedraagt volgens [appellant] en anderen minder dan 30 m. [appellant] en anderen wijzen erop dat rechtsoverweging 10.8 van de tussenuitspraak - waarin is geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder ter plaatse van het bijgebouw op het perceel Thuserhof 23 - om die reden achterhaald is. In die rechtsoverweging is namelijk nog uitgegaan van de huidige locatie van het bijgebouw, gelegen op een afstand van ten minste 48 m van de rijhal.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat paragraaf 7.1 van de plantoelichting bij het besluit van 11 mei 2017 overeenstemt met paragraaf 6.1 van de plantoelichting bij het besluit van 17 december 2015. Zij begrijpt het betoog van [appellant] en anderen over de richtafstanden in de VNG-brochure aldus, dat zij zich keren tegen rechtsoverweging 10.2 van de tussenuitspraak. Voorts begrijpt dat Afdeling het betoog van [appellant] en anderen over de omgevingsvergunning aldus, dat zij wensen dat rechtsoverweging 10.8 op de beoogde, nieuwe locatie van het bijgebouw wordt afgestemd.

    De Afdeling overweegt dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Zeer uitzonderlijke gevallen zijn hier niet aan de orde. Ten aanzien van de omgevingsvergunning overweegt de Afdeling dat het besluit tot vaststelling van het plan is genomen op 11 mei 2017, terwijl het besluit tot verlening van de vergunning is genomen op 22 mei 2017. Nu het besluit tot verlening van de vergunning derhalve dateert van ná de vaststelling van het plan, kon de raad daarmee bij die vaststelling geen rekening houden.

    Het betoog faalt.

Conclusie en opdracht

7.    Het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 11 mei 2017 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de aanduiding "bedrijfswoning" op de verbeelding ter plaatse van de aanwezige toegangsweg, vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb. Daarbij neemt de Afdeling in overweging, zoals in de tussenuitspraak reeds is overwogen onder 11.5, dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van het gebruik van de thans aanwezige toegangsweg voor verkeer ten behoeve van de rijhal. Voor het overige blijft het besluit van 11 mei 2017 in stand.

8.     Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

9.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij wijst de Afdeling erop dat voor de vergoeding van de kosten van het opstellen van het door [appellant] en anderen ingediende deskundigenrapport een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur wordt gehanteerd. Door [appellant] en anderen is op het proceskostenformulier vermeld dat de deskundige in totaal 10 uren heeft besteed aan het door hem uitgebrachte rapport. Dit aantal uren acht de Afdeling redelijk. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van dit deskundigenrapport bedraagt derhalve € 750,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Roermond van 17 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Thuserhof 22 Ponyhof Femke" gegrond;

II.    vernietigt het besluit van 17 december 2015;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Roermond van 11 mei 2017 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Thuserhof 22 Ponyhof Femke" gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 11 mei 2017 voor zover het betreft de aanduiding "bedrijfswoning" op de verbeelding ter plaatse van de aanwezige toegangsweg;

V.    draagt de raad van de gemeente Roermond op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Roermond tot vergoeding van bij [appellant] en anderen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 803,11 (zegge: achthonderddrie euro en elf cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    gelast dat de raad van de gemeente Roermond aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Groen, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Groen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

831.