Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2347

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201704095/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[appellant] en anderen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "Duurzaam Industriepark Cranendonck".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704095/1/R2.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck, en anderen,

en

de raad van de gemeente Cranendonck,

verweerder.

Procesverloop

[appellant] en anderen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "Duurzaam Industriepark Cranendonck".

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2017, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant A], [appellant B] en [appellant C], en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en ir. A. Klein Elhorst, zijn verschenen.

Overwegingen

Belanghebbendheid

1.    De Afdeling ziet zich eerst voor de vraag gesteld of [appellant] en anderen belanghebbenden zijn bij het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7462, worden als belanghebbenden bij het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van een plan aangemerkt diegenen die belanghebbende zouden zijn als het reële besluit zou strekken tot het niet, dan wel overeenkomstig het ter inzage gelegde ontwerpplan vaststellen van het bestemmingsplan.

    Om als belanghebbende bij een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.

    Het ontwerp van het plan voorziet onder meer in een bedrijventerrein ten behoeve van bedrijven tot en met categorie 5.2, als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - 1".

    [appellant A], [appellant D] en [appellant B] wonen op een afstand van ongeveer 3,7 km ten noorden van het plangebied. Zij hebben vanaf hun percelen geen zicht op het plangebied. Tussen hun woningen en het plangebied ligt een deel van de kern van Budel, bedrijventerrein Airpark en Fabrieksstraat en de luchthaven Budel.

    [appellant E] woont op een afstand van ongeveer 1,1 km ten westen van het plangebied. Hij heeft vanaf zijn perceel geen zicht op het plangebied. Tussen zijn woning en het plangebied ligt een vrijwel aaneengesloten bosgebied.

        Voormelde personen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze omstandigheden een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks bij het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan zou worden geraakt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op de afstand en ligging van hun woningen ten opzichte van het plangebied en de daarin mogelijk gemaakte activiteiten, niet aannemelijk is dat zij gevolgen van enige betekenis zullen kunnen ondervinden van de ontwikkelingen die met de vaststelling van het plan mogelijk gemaakt zouden worden, dan wel van het uitblijven van de vaststelling daarvan. Voor zover [appellant] en anderen ter zitting hebben aangevoerd dat de gevolgen van inrichtingen waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (hierna: Brzo) van toepassing is, zich over grote afstand kunnen uitstrekken, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) dit besluit van toepassing is op inrichtingen waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing is. Ingevolge artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder g, van de regels van het ontwerp van het plan, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein -1" gerekend, het gebruik voor risicovolle inrichtingen. Risicovolle inrichting wordt in artikel 1 van de planregels gedefinieerd als: een inrichting, bij welke ingevolge het Bevi een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. Anders dan waarvan [appellant] en anderen uitgaan laat het plan de vestiging van inrichtingen waarop het  Brzo van toepassing is, niet toe.

    De conclusie is dat [appellant A], [appellant D], [appellant B] en [appellant E] geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zijn bij het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "Duurzaam Industriepark Cranendonck". Het beroep is niet-ontvankelijk, voor zover het door hen is ingesteld.  Ter voorlichting merkt de Afdeling op dat daarmee geen antwoord is gegeven op de vraag of alle appellanten belanghebbend zullen zijn bij een besluit omtrent vaststelling van het plan, dat ten opzichte van het ontwerp van het plan ook gewijzigd vastgesteld kan worden.

2.    Artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening luidt:

"Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:

a. t/m d. […]

e. de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan."

3.    Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft met ingang van 23 december 2016 tot en met 2 februari 2017 ter inzage gelegen. De raad heeft nog niet beslist omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. De termijn als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro is derhalve overschreden.

4.    [appellant] en anderen hebben de raad bij brief van 29 april 2017 medegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan te nemen. Vervolgens hebben zij beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit omtrent het bestemmingsplan. Zij verzoeken om de raad op te dragen om alsnog een besluit omtrent de vaststelling van het plan te nemen en te bepalen dat de raad een dwangsom verbeurt als niet binnen de door de Afdeling te stellen termijn alsnog een besluit wordt genomen.

5.    Gezien het in 3 en 4 overwogene en gelet op de omstandigheid dat de raad niet binnen twee weken nadat hij in gebreke is gesteld alsnog heeft beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan is het beroep gegrond.

6.    De raad dient op grond van artikel 8:55d van de Awb alsnog een besluit te nemen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de door de raad in het verweerschrift gestelde omstandigheid dat de eerstvolgende raadsvergadering vanwege het zomerreces plaatsvindt op 19 september 2017. De Afdeling bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de raad een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat de raad in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is ingediend door [appellant A], [appellant D], [appellant B] en [appellant E];

II.    verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III.    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Duurzaam Industriepark Cranendonck";

IV.    draagt de raad van de gemeente Cranendonck op om uiterlijk 19 september 2017 alsnog te besluiten omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "Duurzaam Industriepark Cranendonck" en dit besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken;

V.    bepaalt dat de raad van de gemeente Cranendonck aan [appellant] en anderen, voor zover ontvankelijk, een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde datum van 19 september 2017 overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 (zegge: honderd euro) bedraagt, met een maximum van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro);

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Cranendonck aan [appellant] en anderen, voor zover ontvankelijk, het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

325.