Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2344

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201604054/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s), onder meer op locatie 79-01, ter hoogte van de Johannes Bildersstraat 7 te Den Haag, en op locatie 79-02, ter hoogte van de Johannes Bildersstraat 2 en 4.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/556
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604054/1/A1.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Den Haag,

2.    [appellant sub 2], wonend te Den Haag,

3.    [appellant sub 3], wonend te Den Haag,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s), onder meer op locatie 79-01, ter hoogte van de Johannes Bildersstraat 7 te Den Haag, en op locatie 79-02, ter hoogte van de Johannes Bildersstraat 2 en 4.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2017, waar [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Schrijver en R. van Coevorden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp van het te nemen besluit naar voren brengen.

    Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.

    Ingevolge artikel 6:13 kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

    Onder het niet naar voren brengen van zienswijzen als bedoeld in artikel 6:13 moet mede worden verstaan: het buiten de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn naar voren brengen van zienswijzen.        

2.    Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerp van dit besluit heeft ter inzage gelegen van 4 februari 2016 tot en met 16 maart 2016. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben bij respectieve brieven van 28 maart 2016 en 30 maart 2016 buiten de termijn zienswijzen ingediend bij het college.

3.    [appellant sub 1] betoogt dat hij verschoonbaar te laat een zienswijze naar voren heeft gebracht. Daartoe wijst hij op de brief van 2 februari 2016, waarbij het college omwonenden heeft uitgenodigd voor een informatieavond over het ontwerp-plaatsingsplan. Volgens [appellant sub 1] valt daaruit af te leiden dat zienswijzen alleen schriftelijk konden worden ingebracht. Het college heeft volgens hem ten onrechte nagelaten omwonenden ervan in kennis te stellen dat behalve schriftelijk ook mondeling zienswijzen konden worden ingebracht.

    Bij de publicatie van het ontwerp-plaatsingsplan is de termijn waarbinnen een zienswijze naar voren kon worden gebracht kenbaar gemaakt. In de stelling dat uit de brief van 2 februari 2016 volgt dat zienswijzen alleen schriftelijk konden worden ingebracht en de stelling dat het college omwonenden niet ervan in kennis heeft gesteld dat zienswijzen ook mondeling konden worden ingebracht, wat van deze stellingen ook zij, kan geen reden worden gevonden voor het laten verlopen van de termijn voor het naar voren brengen van een zienswijze. [appellant sub 1] heeft geen omstandigheid aangevoerd die kan worden aangemerkt als verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. Nu hij niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb is zijn beroep niet-ontvankelijk.

4.    [appellant sub 3] betoogt dat hij verschoonbaar te laat een zienswijze naar voren heeft gebracht en voert daartoe aan dat hij in de periode waarin zienswijzen konden worden ingebracht wegens ernstige ziekte niet in staat was om dat te doen, omdat hij toen weinig in Den Haag was.

    Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2382) dat het in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende behoort om in geval van ziekte zorg te dragen voor de behartiging van zijn belangen, bijvoorbeeld door het inschakelen van een derde of een familielid. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat in de periode van terinzagelegging van het ontwerpbesluit geen mogelijkheid bestond om iemand in te schakelen ter behartiging van zijn belangen, waaronder het kennisnemen van publicaties van gemeentewege en het naar voren brengen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, teneinde de mogelijkheid open te houden tegen definitieve besluiten beroep te kunnen instellen. De door [appellant sub 3] naar voren gebrachte omstandigheden kunnen derhalve niet worden aangemerkt als verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding. Nu [appellant sub 3] niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb is zijn beroep niet-ontvankelijk.

5.    [appellant sub 2] heeft ter zitting zijn verzoek om schadevergoeding ingetrokken.

6.    Het college heeft bij het bestreden besluit onder meer locatie 79-01, ter hoogte van de Johannes Bildersstraat 7, aangewezen voor de plaatsing van twee ORAC’s. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het plaatsen van ORAC’s op deze locatie.

7.    Bij de keuze van een locatie voor ondergrondse afvalcontainers dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

8.    Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn "Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval" met kenmerk RIS 160943, gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:

"- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!).

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM masten en bovenleidingen (kosten!).

- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.

- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden."

9.    [appellant sub 2] betoogt dat het college locatie 79-01 in redelijkheid niet kon aanwijzen, nu bij plaatsing van de ORAC’s op die locatie een parkeerplaats verloren gaat.

9.1.    Het college heeft in de Nota van Antwoord, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, toegelicht dat de parkeerdruk op wijkniveau wordt beoordeeld en dat de parkeerdruk in wijk 79, waar de ORAC’s zijn gepland, na de plaatsing ervan niet zal stijgen boven de norm van 90%, in welk geval het college geen parkeerprobleem aanwezig acht. De Afdeling acht het beleid dat het college in dit verband hanteert niet onredelijk.

    Gelet op het vorenstaande heeft het college in de stelling dat plaatsing van de ORAC’s op locatie 79-01 leidt tot verlies van een parkeerplaats in redelijkheid geen aanleiding hoeven te vinden om af te zien van aanwijzing van die locatie.

    Het betoog faalt.

10.    [appellant sub 2] betoogt dat het college in verband met de verkeersveiligheid niet in redelijkheid locatie 79-01 heeft kunnen aanwijzen. Volgens [appellant sub 2] zijn er in de omgeving ervan diverse scholen en is deze locatie gelegen aan een drukke en onoverzichtelijke weg. Hij voert aan dat een krappe bocht moet worden genomen om de ORAC’s op de locatie te bereiken. Hij stelt dat daardoor een gevaarlijke situatie ontstaat voor de vele schoolgaande kinderen die deelnemen aan het drukke verkeer ter plaatse. Verder vreest hij voor een toename van automobilisten, die per auto huisvuil naar de ORAC’s komen brengen. Zij zullen volgens hem ook de krappe bocht moeten nemen om de ORAC’s te bereiken. Ook daardoor wordt volgens hem de situatie ter plaatse onveiliger voor de schoolgaande kinderen. Verder voert [appellant sub 2] aan dat de aanwijzing van de locatie het college aanleiding heeft gegeven om op 1 september 2016 ten behoeve van de verkeersveiligheid een verkeersbesluit te nemen. Dat verhoudt zich volgens [appellant sub 2] niet tot het standpunt dat het college bij het bestreden besluit over de verkeersveiligheid heeft ingenomen.

10.1.    Voor zover [appellant sub 2] de besluitvorming van het college rondom het inmiddels ingetrokken verkeersbesluit aan de orde wil stellen, stelt de Afdeling voorop dat in deze procedure uitsluitend het bestreden besluit ter beoordeling staat. Het verkeersbesluit betrof een parkeerverbod op een gedeelte van de rijbaan waarnaast locatie 79-01 is gelegen. Het college heeft bij het bestreden besluit niet het standpunt ingenomen dat het vanwege de verkeersveiligheid nodig is om een parkeerverbod in te stellen teneinde op die locatie ORAC’s te kunnen plaatsen. Voor zover het college na het nemen van dat besluit met het oog op de plaatsing van de ORAC’s het verkeersbesluit heeft genomen ten behoeve van de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer, heeft het college daarover ter zitting toegelicht dat dat besluit in zoverre op een onjuiste motivering berust en dat het daarom is ingetrokken. Volgens het college geeft de plaatsing van de ORAC’s geen aanleiding om vanwege de verkeersveiligheid een parkeerverbod in te stellen. Dit standpunt is in overeenstemming met het standpunt dat het college bij het bestreden besluit over de verkeersveiligheid heeft ingenomen.

    In de Nota van Antwoord is naar voren gebracht dat de afvalinzamelaar in de buurt met de inzamelwagen heeft proefgereden en daarbij geen knelpunten heeft geconstateerd ten aanzien van de locatie. Verder heeft volgens het college het vooroverleg verkeerszaken, dat alle locaties beoordeelt, ten aanzien van de locatie niet negatief geadviseerd. Het college heeft ter zitting naar aanleiding van door [appellant sub 2] getoond filmmateriaal erkend dat de ORAC’s nabij scholen liggen en dat bij het begin en einde van de schooldag veel schoolgaande kinderen langs de route komen, waaraan de ORAC’s zijn gelegen. Volgens het college was het daarvan op de hoogte en heeft het daarom met de Haagse Milieuservice afgesproken dat bij het begin en einde van de schooldag ter plaatse geen ORAC’s worden geleegd. De medewerkers die het legen van de ORAC’s verzorgen met de leegwagen zullen volgens het college ook die momenten op de dag vermijden omdat dat een efficiënte lediging van de ORAC’s dient. Verder is er volgens het college geen aanleiding om aan te nemen dat veelvuldig per auto huisvuil naar de ORAC’s wordt gebracht. De Afdeling ziet geen aanleiding om deze toelichting onjuist te achten.

    Gelet op het vorenstaande is er in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond gelegen om te oordelen dat het college vanwege de voorbijkomende schoolgaande kinderen en gezien de gevolgen die het legen van de ORAC’s voor de verkeerssituatie ter plaatse heeft, aanleiding had moeten zien om vanwege de verkeersveiligheid af te zien van locatie 79-01. Hierbij heeft de Afdeling ook in aanmerking genomen dat voor zover mensen al met de auto huisvuil naar de ORAC’s zullen brengen, het niet aannemelijk is dat er als gevolg daarvan een verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

    Het betoog faalt.

11.    [appellant sub 2] betoogt dat het college locatie 79-01 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen, nu uit van gemeentewege ontvangen informatie valt af te leiden dat zich op die locatie leidingen bevinden.

11.1.    Volgens het college was er bij de gemeente gemeld dat er op de locatie een leiding is geconstateerd. Bij het graven van proefsleuven is volgens het college echter gebleken dat daar geen kabel of leiding is. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze toelichting.

    Het betoog faalt.

12.    [appellant sub 2] betoogt dat het college locatie 79-01 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen, nu het volgens hem niet nodig is om daar in ORAC’s te voorzien. Hij voert aan dat de huishoudens ten behoeve waarvan het college die locatie heeft aangewezen gebruik kunnen maken van een andere locatie die het college heeft aangewezen, te weten locatie 79-02.

12.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de omwonenden waarvoor hij locatie 79-01 heeft aangewezen de loopafstand te groot wordt indien die komt te vervallen en zij hun huisvuil moeten wegbrengen naar ORAC’s op locatie 79-02. Ter zitting is vast komen te staan dat voor die omwonenden de loopafstand meer dan 75 m zal bedragen wanneer zij gebruik maken van ORAC’s op locatie 79-02. Niet is gebleken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college in dit geval van de in de randvoorwaarde gestelde maximale loopafstand van 75 m had moeten afwijken. Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid ervoor had moeten kiezen om af te zien van ORAC’s op locatie 79-01 en de op die locatie aangewezen bewoners, in plaats daarvan, gebruik te laten maken van ORAC’s op locatie 79-02.

    Het betoog faalt.

13.    [appellant sub 2] betoogt dat het college locatie 79-01 niet in redelijkheid kon aanwijzen, nu volgens hem in of naast het plantsoen in de Johannes Bildersstraat (hierna: het plantsoen) een locatie te vinden is die geschikter is voor de plaatsing van de ORAC’s. Hij voert daartoe aan dat bij plaatsing van de ORAC’s in het plantsoen geen parkeerplaats verloren hoeft te gaan. Volgens hem kunnen de ORAC’s goed in het plantsoen worden ingepast wanneer ervoor wordt gekozen om daar een aantal bomen te kappen die in slechte staat verkeren. Verder voert hij aan dat de gemeente werkzaamheden heeft verricht naast zijn huis om ruimte te maken voor het plaatsen van ORAC’s op locatie 79-01. Hij stelt dat daarbij een boom ongeveer 1 m is verplaatst en voert aan niet te begrijpen dat dit wel mogelijk is, terwijl het door hem voorgestelde alternatief volgens het college niet mogelijk is vanwege ter plaatse aanwezige bomen.

13.1.    Het college heeft aangevoerd dat in het plantsoen diverse bomen en lichtmasten aanwezig zijn en dat hij gelet op de randvoorwaarden zo min mogelijk bomen wil kappen of verplaatsen en zo min mogelijk lichtmasten wil verplaatsen. Volgens het college vormen de bomen en de lichtmasten ter plaatse een belemmering bij het legen van de ORAC’s met de leegwagen. Gelet op het vorenstaande is er volgens het college geen geschikte locatie in het plantsoen voor de plaatsing van de ORAC’s. Voor zover [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat er aanleiding is om een aantal bomen in het plantsoen te kappen vanwege de staat waarin deze verkeren, heeft het college aangevoerd dat er in het plantsoen slechts 1 dode boom is die gekapt moet worden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat op de plek waar die boom staat een nieuwe boom komt. De overige bomen in het plantsoen wil het college behouden. Wat betreft de boom die ter hoogte van locatie 79-01 is verplaatst heeft het college aangevoerd dat deze boom is doodgegaan en dat deze zal worden vervangen.

    De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. Gezien die toelichting heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat er in het plantsoen een locatie is die zodanig geschikter is dat het college daarom in redelijkheid voor aanwijzing daarvan had moeten kiezen. Nu [appellant sub 2] niet heeft geconcretiseerd waar naast het plantsoen een locatie is gelegen die volgens hem geschikter is dan locatie 79-01, is er reeds daarom geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid voor een locatie naast het plantsoen had moeten kiezen.

    Het betoog faalt.

14.    Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

402.