Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201609585/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:14262, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2014 heeft de raad een aan [wederpartij] verleende toevoeging ingetrokken en het door de raad aan de rechtsbijstandverlener van [wederpartij] betaalde bedrag van € 1.152,93 van [wederpartij] gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609585/1/A2.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2016 in zaak nr. 16/4495 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de raad.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2014 heeft de raad een aan [wederpartij] verleende toevoeging ingetrokken en het door de raad aan de rechtsbijstandverlener van [wederpartij] betaalde bedrag van € 1.152,93 van [wederpartij] gevorderd.

Bij besluit van 8 april 2016 heeft de raad het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 april 2016 vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2017, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, mr. B. Niemeijer en mr. C.W. Wijnstra, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 28 juli 2011 heeft de raad aan [wederpartij] een toevoeging toegekend, waarbij hem op grond van zijn verzamelinkomen een eigen bijdrage is opgelegd van € 482,00. Dit verzamelinkomen was op dat moment door de Belastingdienst nog niet definitief vastgesteld. Vervolgens heeft de raad een hercontrole uitgevoerd. Uit die hercontrole is gebleken dat het verzamelinkomen van [wederpartij] in 2009 boven de wettelijke grens ligt, waardoor hij met terugwerkende kracht geen recht heeft op een toevoeging. Op grond hiervan heeft de raad bij het besluit van 9 juli 2014 de aan [wederpartij] verleende toevoeging ingetrokken en het bedrag van € 1.152,93 dat de raad aan de rechtsbijstandverlener van [wederpartij] heeft uitbetaald van [wederpartij] gevorderd.

    Bij brief van 29 juli 2014 heeft [wederpartij] daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om peiljaarverlegging naar 2011, het jaar waarin de toevoeging is aangevraagd.

    In het besluit van 8 april 2016 heeft de raad zich, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Bezwaar van de raad, op het standpunt gesteld dat [wederpartij] geen recht heeft op een toevoeging omdat het vastgestelde verzamelinkomen in het peiljaar 2009 te hoog is om voor een toevoeging in aanmerking te komen en dat het bedrag van € 1.152,93 terecht van [wederpartij] is gevorderd. De raad heeft zich in dat besluit tevens op het standpunt gesteld dat het verzoek om peiljaarverlegging niet in behandeling kan worden genomen omdat dit verzoek meer dan zes weken na bekenmaking van het besluit op de aanvraag om een toevoeging en daarmee te laat is ingediend. Gelet hierop, en nu niet is gebleken van andere relevante omstandigheden, kan [wederpartij] evenmin een geslaagd beroep doen op zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan van invordering moet worden afgezien.

Geschil

2.    Ingevolge artikel 34c, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt een aanvraag om peiljaarverlegging bij de raad ingediend binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging. In geschil is of deze termijn van zes weken voor het aanvragen van peiljaarverlegging herleeft met de bekendmaking van het besluit waarbij na hercontrole is bepaald dat de aanvrager met terugwerkende kracht geen recht heeft op een toevoeging.

Oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft voornoemde vraag bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zowel uit artikel 34a, eerste lid, van de Wrb als uit de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling blijkt dat het ambtshalve te nemen besluit na hercontrole in de plaats treedt van het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging en daarmee de rechtsgevolgen van dat besluit worden vervangen. Nu het intrekkingsbesluit in de plaats treedt van het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging, herleeft ook de termijn van zes weken na bekendmaking van dat besluit om een aanvraag om peiljaarverlegging te doen. Uit de wet noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van de betreffende bepalingen volgt dat de wetgever heeft beoogd deze mogelijkheid uit te sluiten. Die mogelijkheid is evenmin strijdig met het wettelijke systeem of de rechtszekerheid voor de raad. Uit de wetsgeschiedenis valt op te maken dat met de termijn van zes weken voor het aanvragen van peiljaarverlegging uit efficiëntie- en rechtszekerheidsoverwegingen is aangesloten bij de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. De aanvraag om peiljaarverlegging dient gelijktijdig met het bezwaarschrift te worden behandeld. Nu ook tegen het besluit na de hercontrole bezwaar en beroep open staat wordt dit systeem niet doorbroken, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    De raad betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met de bekendmaking van het besluit, waarbij na hercontrole is bepaald dat de aanvrager met terugwerkende kracht geen recht heeft op een toevoeging, de termijn van zes weken voor het aanvragen van peiljaarverlegging herleeft. De raad voert daartoe aan dat uit de systematiek van de Wrb volgt dat enkel bij een besluit dat is genomen op de aanvraag om een toevoeging gedurende zes weken een verzoek om peiljaarverlegging kan worden ingediend. De raad verwijst daarvoor naar de memorie van toelichting bij de Wrb waarin staat dat de raad in het geval van een peiljaarverlegging op basis van de gegevens die bekend zijn op het moment van de aanvraag om een toevoeging een inkomen berekent dat het verzamelinkomen zo dicht mogelijk benadert. Voorts geeft artikel 34c, derde lid, van de Wrb nadrukkelijk aan dat het verzoek om peiljaarverlegging binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging gedaan moet worden. Daarnaast is het niet mogelijk om meerdere malen een dergelijk verzoek in te dienen. De raad wijst daarbij op de memorie van toelichting bij artikel 34d van de Wrb. Verder geldt op grond van artikel 34d, eerste lid, van de Wrb dat indien het verzoek om peiljaarverlegging door de raad wordt afgewezen, geen hercontrole van het inkomen en het vermogen in het jaar van aanvraag plaatsvindt. Voorts betreft het besluit na hercontrole een ambtshalve besluit waarbij enkel het voorlopige inkomensgegeven wordt gewijzigd naar het inmiddels definitieve inkomensgegeven. Gelet op het ambtshalve karakter van het besluit bestaat hierbij geen ruimte voor een nadere financiële beoordeling. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kan uit het feit dat artikel 34a van de Wrb stelt dat het ambtshalve genomen besluit in de plaats treedt van de eerdere beslissing op de aanvraag om een toevoeging niet worden afgeleid dat de termijn van zes weken om een verzoek om peiljaarverlegging te doen herleeft. Die zinsnede geeft slechts aan dat het recht op een toevoeging vervalt dan wel is gewijzigd vanaf de datum waarop de toevoeging is verzocht. Dat is een logisch gevolg van het voorlopige karakter van de verlening van een toevoeging in het geval dat deze is gebaseerd op een nog niet vastgesteld verzamelinkomen, aldus de raad.

4.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.2.    Uit artikel 34a, eerste lid, van de Wrb volgt dat het ambtshalve te nemen besluit na hercontrole van het inkomensgegeven van de rechtzoekende in het peiljaar in de plaats komt van het eerder op de aanvraag om een toevoeging genomen besluit. Met de rechtbank en anders dan de raad leidt de Afdeling hieruit af dat het besluit na hercontrole het eerder genomen besluit vervangt en derhalve aangemerkt kan worden als een nieuw besluit op de aanvraag om een toevoeging. Daaraan doet niet af dat het besluit na hercontrole ambtshalve en enkel vanwege een gewijzigd inkomensgegeven is genomen. Dit betekent dat aan dit besluit dezelfde rechtsgevolgen zijn verbonden als aan het oorspronkelijke besluit op de aanvraag, waaronder de mogelijkheid voor de rechtzoekende om ingevolge artikel 34c, eerste en derde lid, van de Wrb gedurende een termijn van zes weken een verzoek om peiljaarverlegging in te dienen. Ook een redelijke uitleg van de artikelen 34a, 34c en 34d van de Wrb brengt met zich dat de termijn voor het indienen van een verzoek om peiljaarverlegging na het besluit na hercontrole herleeft. [wederpartij] had immers geen aanleiding om in de fase van de aanvraag van de toevoeging om peiljaarverlegging te verzoeken, omdat zijn aanvraag om een toevoeging was gehonoreerd. Pas door het besluit na hercontrole, waarbij de aan hem verleende toevoeging werd ingetrokken, was duidelijk dat hij op grond van zijn inkomen in het peiljaar geen recht had op een toevoeging en dat hij door een verzoek om peiljaarverlegging daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen. [wederpartij] had dus pas na het besluit na hercontrole belang bij een verzoek om peiljaarverlegging.

    Anders dan de raad aanvoert volgt uit de systematiek van de Wrb niet dat enkel op het moment dat een besluit is genomen op de aanvraag om een toevoeging een verzoek om peiljaarverlegging kan worden ingediend. Het beroep op de memorie van toelichting doet geen afbreuk aan de tekst van artikel 34a, eerste lid, van de Wrb. Voorts sluit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2003/04, 29 685, nr. 3, blz. 6) niet uit dat de termijn om een verzoek om peiljaarverlegging te doen herleeft. Ook als het verzoek om peiljaarverlegging wordt gedaan in bezwaar tegen het besluit na hercontrole moet immers bij de beoordeling van dat verzoek het inkomen van de aanvrager in het jaar waarin om een toevoeging is verzocht worden betrokken.

    Het betoog dat het niet mogelijk is om meerdere malen een verzoek om peiljaarverlegging te doen leidt voorts niet tot een ander oordeel. De passage in de memorie van toelichting waar de raad in dit verband naar verwijst (Kamerstukken II 2003/04, 29 685, nr. 3, blz. 19) ziet niet op een situatie als hier aan de orde, maar op de situatie dat reeds positief op de aanvraag om peiljaarverlegging is beslist. Het is in dat geval niet mogelijk om wederom een verzoek om peiljaarverlegging te doen. Daarvoor bestaat op dat moment ook geen aanleiding, omdat het verzoek om peiljaarverlegging reeds is gehonoreerd en een eventuele extra inkomensdaling door de raad bij het besluit na hercontrole zal worden betrokken.

4.3.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de termijn van zes weken voor het aanvragen van peiljaarverlegging uit artikel 34c, derde lid, van de Wrb herleeft met de bekendmaking van het besluit waarbij na hercontrole is bepaald dat de aanvrager met terugwerkende kracht geen recht heeft op een toevoeging.

4.4.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat de raad alsnog uitvoering dient te geven aan de uitspraak van de rechtbank en een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak in hoger beroep.

6.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Polak    w.g. Dallinga

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

18-809. BIJLAGE

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

peiljaar: het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag om een toevoeging wordt gedaan;

[…]

Artikel 34a

1. Het inkomen van de rechtzoekende is het inkomensgegeven in het peiljaar. Voor zover van de rechtzoekende geen inkomensgegeven beschikbaar is, wordt onder inkomen verstaan het bedrag dat in het peiljaar het inkomen zo goed mogelijk benadert, dan wel het door het bestuur op grond van door de rechtzoekende overgelegde gegevens vastgestelde bedrag aan inkomen. Indien een inkomensgegeven over het peiljaar beschikbaar is dat afwijkt van het eerder toegepaste inkomensgegeven of het bedrag, bedoeld in de tweede volzin, en dat gevolg heeft voor het al dan niet verlenen van een toevoeging of de hoogte van de door de rechtzoekende verschuldigde eigen bijdrage, neemt het bestuur ambtshalve een besluit dat in de plaats komt van het eerder genomen besluit. Artikel 34d, eerste lid, derde volzin, is van toepassing.

2. Indien op grond van het ambtshalve besluit van het bestuur, bedoeld in het eerste lid, de rechtzoekende een hogere eigen bijdrage verschuldigd is, is hij hetgeen meer moet worden betaald verschuldigd aan het bestuur. Is de rechtzoekende een lagere eigen bijdrage of geen eigen bijdrage verschuldigd, dan kan hij het teveel betaalde vorderen van het bestuur. Over de te betalen of te vorderen bedragen worden geen renten en kosten vergoed. Artikel 34f is van overeenkomstige toepassing.

[…]

Artikel 34c

1. Indien in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan sprake is van een terugval in het inkomen of vermogen, neemt het bestuur op aanvraag van de rechtzoekende een besluit dat is gebaseerd op het inkomen of vermogen in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan. Artikel 25, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Onder terugval van inkomen of vermogen wordt verstaan een vermindering van het inkomen of vermogen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.

3. De aanvraag wordt bij het bestuur ingediend binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging.

[…]

Artikel 34d

1. Indien het bestuur de aanvraag, bedoeld in artikel 34c, eerste lid, niet heeft afgewezen, neemt het bestuur indien een inkomensgegeven over het jaar van de aanvraag beschikbaar is dat afwijkt van het eerder toegepaste inkomensgegeven of het bedrag, bedoeld in artikel 34a, eerste lid, tweede volzin, en dat gevolg heeft voor het al dan niet verlenen van een toevoeging of de hoogte van de door de rechtzoekende verschuldigde eigen bijdrage, ambtshalve een besluit dat in de plaats komt van het eerder genomen besluit, bedoeld in artikel 34c, eerste lid, met dien verstande dat dit besluit niet van een hoger inkomensgegeven uitgaat dan zou zijn toegepast in het peiljaar, bedoeld in artikel 34a, eerste lid. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het vermogen in het jaar van de aanvraag. Het besluit heeft geen gevolg voor de beschikking tot verlening en vaststelling van de vergoeding alsmede voor het recht van de rechtsbijstandverlener om de eigen bijdrage die voortvloeit uit de draagkracht zoals berekend in het eerder genomen besluit te vorderen.

2. Artikel 34a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

[…]

Artikel 34f

1. De rechtzoekende is het bedrag dat in het kader van de verlening van rechtsbijstand door het bestuur is betaald aan de rechtsbijstandverlener verschuldigd aan het bestuur, indien de rechtzoekende op grond van het besluit, bedoeld in artikel 34d, eerste lid, geen recht heeft op de verlening van rechtsbijstand.

2. Het bestuur vordert het bedrag, bedoeld in het eerste lid, van de rechtzoekende, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.

[…]