Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201602869/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1770, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2015 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201602869/1/A2.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 maart 2016 in zaak nr. 15/6579 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2015 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Bij besluit van 24 augustus 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2017, waar [appellant], en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De in deze zaak van belang zijnde regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2.    Het CBR heeft aan [appellant] een EMG opgelegd naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant van 14 maart 2015, waarin mededeling wordt gedaan van het vermoeden dat [appellant] niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid van de houder van een rijbewijs. Deze mededeling is gebaseerd op het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant van 14 maart 2015 (hierna: het proces-verbaal). Het CBR heeft op grond van deze mededeling en het daarbij gevoegde proces-verbaal geconcludeerd dat [appellant] herhaaldelijk gedragingen als genoemd in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, heeft vertoond, te weten gedrag dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van het negeren van een rood licht en incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer dat blijkt uit rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid.

    [appellant] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR de EMG terecht heeft opgelegd. Volgens de rechtbank staat vast dat [appellant] door rood licht heeft gereden. Voorts kan volgens de rechtbank uit het enkele feit dat de maximumsnelheid is overtreden, worden geconcludeerd dat [appellant] heeft gereden met een niet aan de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. Als gelijksoortige verkeersdeelnemer kan het onopvallende dienstvoertuig worden aangemerkt, aldus de rechtbank. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de constatering in het proces-verbaal dat [appellant] de daarin vermelde snelheid heeft gereden. [appellant] heeft geen tegenbewijs geleverd, maar heeft in zijn brief van 13 maart 2015 aan de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: de CVOM) juist te kennen gegeven dat hij zich bewust is van de overtredingen en dat hij de straf dan wel boete die hij krijgt zal accepteren, aldus de rechtbank.    

    De rechtbank heeft verder overwogen dat het opleggen van een EMG geen criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is, zodat geen sprake is van dubbele bestraffing.

Het hoger beroep van [appellant]

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3686, heeft geoordeeld dat uit het enkele feit dat de maximumsnelheid is overschreden, geconcludeerd kan worden dat hij heeft gereden met een niet aan de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. Volgens hem is zijn situatie niet vergelijkbaar met de situatie in voornoemde uitspraak.

    Voorts is volgens [appellant] niet van belang wat zijn snelheid was na het passeren van de auto van de verbalisant. Het gaat er volgens hem om of hij reed met een aan de overige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op de door hem naar voren gebrachte variabelen die relevant zijn om te bepalen of hiervan sprake is. Overigens betwist [appellant] dat hij de door de verbalisant geconstateerde snelheid in het vervolgtraject heeft gereden, nu dit volgens hem technisch niet mogelijk was. Hij wijst er in dit verband op dat de verbalisant geen gebruik heeft gemaakt van geijkte apparatuur. Aan de brief die hij aan de CVOM heeft geschreven hebben het CBR en de rechtbank volgens hem teveel waarde toegekend. Die brief laat volgens hem onverlet dat moet worden vastgesteld dat de gestelde overtredingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

4.1.    In het proces-verbaal is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

"De Midden-Brabantweg is gelegen buiten de bebouwde kom. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur, aangeduid door een bord conform model A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met in bord A1 de aanduiding "70".

Ter plaatse de overtreding werden werkzaamheden uitgevoerd. Op het tijdstip van constatering werd aan deze werkzaamheden niet gewerkt. De Midden-Brabantweg is een doorgaande weg met twee rijstroken. Aan deze weg wordt continu gewerkt. De weg veranderd daar van dag tot dag.

[Verbalisant] zag dat deze bestuurder met dat motorvoertuig reed met een van de boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig afgelezen snelheid van ongeveer 138 kilometer per uur (afgelezen snelheid), hetgeen in werkelijkheid volgens het testrapport 133 (snelheid volgens ijktabel) kilometer per uur was, en na de wettelijk voorgeschreven correctie van 3 procent aan de hand van het testrapport van de betreffende snelheidsmeter met 128 (de gecorrigeerde snelheid) kilometer per uur, in elk geval een grotere snelheid dan de ter plaatse toegestane 70 kilometer per uur, in feite een overschrijding van 58 kilometer per uur.

Door mij is met ongeveer gelijke snelheid achter genoemd motorvoertuig gereden met een onderlinge afstand van ongeveer 100 meter en over een afstand van ongeveer 700 meter. De door de verdachte gereden snelheid is door mij vastgesteld met behulp van een voor de meting getest en op de voorgeschreven wijze gebruikt verkeersmiddel, de in het dienstvoertuig, wagenparknummer […], zonder gecontroleerde snelheidsmeter. Zie hiervoor het afzonderlijke proces-verbaal van bevindingen".

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:962), mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

    Voor zover [appellant] betoogt dat de resultaten van de snelheidsmeting in twijfel dienen te worden getrokken wegens het niet geijkt zijn van de snelheidsmeter van het dienstvoertuig van de politie, faalt dit betoog. Het CBR heeft terecht van belang geacht dat uit het proces-verbaal en het mutatierapport van 14 maart 2015 blijkt dat de snelheidsmeter van het dienstvoertuig een snelheid van 138 kilometer per uur aangaf en dat deze snelheid dusdanig hoog is dat niet aannemelijk is dat met een wel geijkte snelheidsmeter snelheden rond de toegestane maximumsnelheid zouden zijn geconstateerd. Dit blijkt het ook uit de test die verbalisant heeft gedaan, waarbij een geijkte dienstmotorfiets achter het dienstvoertuig heeft gereden en vindt verder bevestiging in de brief die [appellant] aan de CVOM heeft geschreven. De stelling van [appellant] dat het technisch gezien niet mogelijk was op de betreffende weg met de door de verbalisant geconstateerde snelheid te rijden kan, wat daar van zij, daaraan niet afdoen.

    De rechtbank is bovendien terecht tot het oordeel gekomen dat het CBR uit het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid heeft mogen afleiden dat is gebleken dat [appellant] heeft gereden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. Dat er buiten [appellant] en de verbalisant naar gesteld geen andere verkeersdeelnemers waren ten tijde van de geverbaliseerde feiten maakt niet dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] heeft gereden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. Daarbij komt dat, zoals het CBR ter zitting nader heeft toegelicht, het rijden met een te hoge snelheid ook zonder andere verkeersdeelnemers in de directe nabijheid een gevaar kan opleveren voor verkeersdeelnemers die tegemoet worden gereden en bij in- en uitritten. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] het dienstvoertuig op hoge snelheid heeft gepasseerd.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid heeft gereden.

    Het betoog faalt.

4.3.    [appellant] betoogt tenslotte tevergeefs dat de rechtbank niet voldoende gemotiveerd is ingegaan op zijn betoog dat de EMG dient te worden gekwalificeerd als een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd over de aard van de overtreding en de aard en zwaarte van de opgelegde educatieve maatregel, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het opleggen van een EMG een maatregel gebaseerd op een "criminal charge" in de zin van artikel 6 van het EVRM is. Het opleggen van een EMG is een bestuurlijke maatregel die erop gericht is deelname aan een educatieve maatregel af te dwingen, ter bevordering van de verkeersveiligheid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3387, is de verplichting tot betaling van de kosten van een opgelegde EMG niet aan te merken als punitief van aard, omdat deze kosten worden voldaan voor deelname aan de EMG-cursus en geen boete wegens overtreding van een voorschrift betreffen. Met zijn verwijzing naar het rapport 'Recidivemeting LEMA en EMG 2009-2010' van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum heeft [appellant] niet aangetoond dat de EMG, zoals hij stelt, geen enkel nuttig of mogelijk zelfs een negatief effect heeft.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Van Dokkum

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

480. BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130, eerste lid

"Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld."

Artikel 131, eerste lid

"Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

b. oplegging van een alcoholslotprogramma, of

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen."

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2, eerste lid

"Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1."

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a

"Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:

a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie."

Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a

"Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag."

Bijlage 1, onder A, onderdeel III

" […] 3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

a) rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

[...]

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

[…]

g. het negeren van een rood verkeerslicht; […]"