Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2312

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201700051/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6246, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft de raad de aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [belanghebbende] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201700051/1/A2.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 november 2016 in zaak nr. 16/1985 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft de raad de aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [belanghebbende] afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2017, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De raad heeft aan [belanghebbende]n een toevoeging verleend ten behoeve van 24 uren rechtsbijstand door [appellant] voor het voeren van verweer in een strafrechtelijke procedure. Op 4 maart 2015 heeft [appellant] een aanvraag (hierna ook: de eerste aanvraag) ingediend om toekenning van 50 extra uren rechtsbijstand. De raad heeft dit verzoek bij besluit van 17 maart 2015 toegewezen, omdat sprake is van een bewerkelijke zaak. Op 17 juni 2015 heeft [appellant] een aanvraag (hierna ook: de tweede aanvraag) ingediend om toekenning van 45 extra uren. De raad heeft de tweede aanvraag bij het besluit van 3 juli 2015 afgewezen, omdat de in vervolg op die aanvraag aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn voor de conclusie dat nog meer uren gerechtvaardigd zijn. Bij het besluit van 22 januari 2016 heeft de raad deze afwijzing gehandhaafd. Daaraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat de begroting bij de tweede aanvraag nauwelijks afwijkt van de begroting bij de eerste aanvraag en dat de begroting en tijdbesteding in alle opzichten ruim zijn bemeten. Het aantal van 74 verleende uren is objectief bezien in redelijkheid voldoende voor de nog te verrichten handelingen, aldus de raad.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden in de strafzaak niet binnen de verleende 74 uren kunnen worden verricht en de tweede aanvraag deugdelijk gemotiveerd heeft afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de begroting bij de eerste aanvraag blijkt dat deze niet alleen de voorbereiding van de strafzaak betrof nu daarin, evenals in de begroting bij de tweede aanvraag, tijd is begroot voor de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling ter zitting, het opstellen van een pleitnota, de inhoudelijke zitting en het bespreken van het vonnis met cliënt. Voorts heeft de raad zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de begroting en tijdsbesteding ruim zijn bemeten, aldus de rechtbank.

3.    De artikelen 22, eerste lid, aanhef en onder a, en 31 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr 2000) luiden:

Artikel 22

"1.    Ten aanzien van strafzaken die in de bijlage zijn aangemerkt als strafrecht verdachten wordt:

a. indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd."

Artikel 31

"1.    In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

2.    Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

3.    Nadat de tijd waarmee het bestuur heeft ingestemd is verstreken, dient de rechtsbijstandverlener een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de desbetreffende werkzaamheden en kan hij daarbij een begroting indienen met betrekking tot de tijdbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzeemheden. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing."

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad in redelijkheid de tweede aanvraag om extra uren heeft kunnen afwijzen. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte meer betekenis gehecht aan de begroting dan aan het overzicht van de tijdbesteding. De werkelijke tijdbesteding week af van de begroting bij de eerste aanvraag. Ten eerste zijn, achteraf bezien, in die begroting de inhoudelijke behandeling ter zitting en de voorbereiding daarvan ten onrechte begroot. Voorts hebben de bestudering van vijftien getuigenverklaringen en drie door hem aangevraagde getuigenverhoren meer tijd gevergd dan gepland en is op 16 juni 2015 een extra regiezitting gehouden. De raad heeft de op dit punt gegeven toelichting in de brief van 16 november 2015 niet weerlegd. Verder vergde de door de officier van justitie gevorderde opname van zijn cliënt in het Pieter Baan Centrum aparte studie. Zijn cliënt was onder meer mensenhandel ten laste gelegd, hetgeen een uitgebreide delictsomschrijving met vele facetten betreft en de tenlastelegging bevatte veel feitelijke handelingen, waardoor veel getuigenverklaringen moesten worden doorgenomen. De extra toegekende vijftig uren zijn opgegaan aan de voorfase van de strafzaak en ten tijde van de tweede aanvraag waren nog 30 uur en 35 minuten nodig om de zaak af te ronden, aldus [appellant].

4.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden in de strafzaak, waarvoor de toevoeging is verleend, niet binnen het forfait van 24 uren en de reeds toegekende 50 extra uren gesubsidieerde rechtsbijstand konden worden verricht en dat de raad dit standpunt toereikend heeft gemotiveerd. De raad heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de begroting bij de tweede aanvraag nauwelijks afwijkt van de begroting bij de eerste aanvraag. Zo zijn op beide begrotingen posten opgenomen voor voorbereiding en inhoudelijke behandeling van de zaak, voorbereiding getuigenverhoor, pleitnota’s en bespreken vonnis met cliënt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, anders dan [appellant] stelt, uit de begrotingen niet blijkt dat de eerste begroting betrekking had op werkzaamheden in de voorfase en de tweede begroting op werkzaamheden in verband met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Dat, zoals [appellant] ook heeft gesteld, voor de getuigenverhoren dan wel het doornemen van verslagen daarvan meer tijd nodig was dan gepland, maakt niet dat de raad de verzochte extra uren gesubsidieerde rechtsbijstand moest toekennen. Daarbij is van belang dat, gegeven het forfaitaire karakter van het toevoegingenstelsel, niet elke overschrijding van het aantal verleende uren tot honorering van een verzoek om extra uren behoeft te leiden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:950).

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

507.