Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2304

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201701399/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2013 definitief vastgesteld op nihil en € 2.300,00 aan teveel betaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701399/1/A2.

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 januari 2017 in zaak nr. 16/2680 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2013 definitief vastgesteld op nihil en € 2.300,00 aan teveel betaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 25 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2017, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigden], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] huurde in 2013 een woning aan de [locatie], te Emmen. Daarvoor heeft hij huurtoeslag aangevraagd. Op basis van de door [appellant] ingediende aanvraag heeft de Belastingdienst/Toeslagen hem een voorschot huurtoeslag verstrekt.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 16 oktober 2015, gehandhaafd bij besluit van 25 mei 2016, ten grondslag gelegd dat [appellant] in 2013 een vastgesteld inkomen had van € 10.421,00 en dat een medebewoner, [zoon], in dat jaar een vastgesteld inkomen had van € 24.917,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij dat besluit op basis van het gezamenlijke toetsingsinkomen ten bedrage van € 35.338,00, de huurtoeslag voor 2013 op nihil gesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft op basis van de door [appellant] overgelegde stukken niet kunnen vaststellen dat [zoon] vanaf januari 2012 niet meer bij hem woonachtig was.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn besluit van 25 mei 2016 op een onjuiste wettelijke grondslag heeft gebaseerd, nu huurtoeslag slechts in afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) kan worden toegekend indien de foutieve adresinschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: Basisregistratie Personen, hierna: GBA) niet aan betrokkene kan worden toegerekend. Anders dan het bestreden besluit doet vermoeden, is daarbij niet van belang of betrokkene kan aantonen dat de inschrijving niet klopt, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien de om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu de foutieve adresinschrijving aan [appellant] is toe te rekenen.

3.    In geschil is of de Belastingdienst/Toeslagen [zoon] mocht aanmerken als medebewoner, in welk geval de dienst het inkomen van [zoon] kon betrekken bij de beoordeling van de aanspraak van [appellant] op huurtoeslag.

4.    Wettelijk kader

4.1.    De Wht, zoals ten tijde van belang, luidt:

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

[…]

Artikel 7

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

[…]

Artikel 9

1. […]

2. In afwijking van het eerste lid kan een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de GBA niet aan de huurder kan worden toegerekend.

5.    De Awir, zoals ten tijde van belang, luidt:

Artikel 2

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

[…]

e. medebewoner: de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA.

[…]

Artikel 7

[…]

2. Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen.

[…]

6.    Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir heeft bij de beoordeling of iemand als medebewoner moet worden aangemerkt en derhalve diens vermogen ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wht moet worden betrokken bij de berekening van de draagkracht en de hoogte van de huurtoeslag, de inschrijving in GBA als uitgangspunt te gelden. Uit artikel 9, tweede lid, van de Wht, volgt dat dit anders is als de onjuiste inschrijving in de GBA niet aan de huurder kan worden toegerekend. Daarbij moet komen vast te staan dat de inschrijving van de GBA onjuist is. Vervolgens moet worden beoordeeld of de onjuiste inschrijving voor rekening van de huurder komt.

7.    Niet in geschil is dat [zoon] in 2013 in de GBA stond ingeschreven op hetzelfde adres als [appellant].

    Gebleken is dat [appellant] bij brief van 10 januari 2012 het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Emmen (hierna: het college) heeft geïnformeerd dat [zoon] met ingang van 1 januari 2012 niet meer bij hem woonachtig is op de [locatie], te Emmen. Bij brief van 28 juli 2014 heeft [appellant] het college onder verwijzing naar zijn brief van 10 januari 2012 erop gewezen dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de informatie die hij in laatstgemelde brief heeft gegeven over de verhuizing van zijn zoon voldoende was. Het college heeft op 3 september 2014 bericht dat het vertrek van [zoon] niet kon worden geregistreerd omdat van hem geen aangifte is ontvangen en ingevolge de Wet Basisregistratie Personen alleen betrokkene zelf de aangifte kan doen. De rechtbank heeft onder verwijzing naar artikel 9, tweede lid, van de Awir, terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermeende onjuiste inschrijving in de GBA niet aan hem kan worden toegerekend. Dat uit het bericht van het college van 3 september 2014 blijkt dat de brief van 10 januari 2012 is ontvangen, laat onverlet dat [appellant] na zijn mededeling in die brief geen navraag heeft gedaan bij het college of de inschrijving in de GBA van zijn zoon op zijn adres daadwerkelijk was aangepast, terwijl hij wist of behoorde te weten dat die inschrijving van belang kon zijn voor zijn recht op en de hoogte van de door hem aangevraagde huurtoeslag. Evenmin kan [appellant] worden gevolgd in zijn betoog dat, nu de aanslag gemeentelijke belastingen die hij op 28 januari 2012 heeft ontvangen een aanzienlijk lager aanslagbedrag bevat dan het jaar 2011, hij er van uit mocht gaan dat zijn zoon per 1 januari 2012 was uitgeschreven. [appellant] kon niet zondermeer van deze veronderstelling uitgaan, teminder nu niet aannemelijk is dat hij in 2012 geen post van overheidswege op naam van zijn zoon heeft ontvangen, aangezien de gegevens uit de GBA daarvoor leidend zijn en uit de berichtgeving van het college van 3 september 2014 juist blijkt dat [zoon] niet per 1 januari 2012 is uitgeschreven.

    Gelet op het vorenstaande mocht de Belastingdienst/Toeslagen zich op grond van de inschrijving in de GBA op het standpunt stellen dat de zoon van [appellant] in 2012 medebewoner in de zin van artikel 7, tweede lid, van de Awir was.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De rechtbankuitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017

343.