Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201607151/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:10985, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 7 november 2012 en 30 juli 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen vreemdelingen 1, 3 en 4 een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201607151/1/V1.

Datum uitspraak: 28 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 augustus 2016 in zaken nrs. 15/16440, 15/23063, 15/23065, 15/23067 en 15/23069 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] (tezamen hierna: de vreemdelingen)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 7 november 2012 en 30 juli 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen vreemdelingen 1, 3 en 4 een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij onderscheiden besluiten van 1 september 2015 en 29 december 2015 (hierna: de besluiten) heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.C. de Klerk, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdelingen 1 en 2 zijn de jongste dochter (hierna: de jongste dochter) onderscheidenlijk de zoon (hierna: de zoon) van vreemdelingen 3 en 4 (hierna: de ouders). Zij zijn samen met de oudste dochter in 2001 Nederland ingereisd. Hun (opvolgende) asielaanvragen zijn afgewezen. De oudste dochter en haar in Nederland geboren minderjarige kinderen is bij besluit van 1 september 2015 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel uitoefening van familie- en gezinsleven met haar echtgenoot verleend.

2.    De besluiten van 7 november 2012 hebben betrekking op aanvragen van de jongste dochter onderscheidenlijk de zoon om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'conform beschikking staatssecretaris' te verlenen, onderscheidenlijk op aanvragen van de ouders om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'uitoefenen gezinsleven in het kader van artikel 8 van EVRM' te verlenen.

3.    De besluiten van 30 juli 2013 hebben betrekking op aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen' te verlenen.

4.    De rechtbank heeft aan haar uitspraak ten grondslag gelegd dat met de door de staatssecretaris gemaakte afweging en de motivering daarvan geen 'fair balance' is gevonden tussen enerzijds het belang van de vreemdelingen bij uitoefening van hun privéleven en de belangen van zowel de vreemdelingen als de oudste dochter en haar kinderen bij uitoefening van het familieleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, zodat de besluiten in strijd zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 7:12 van de Awb.

5.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw heeft genomen en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de afwijzing van de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen geen schending inhoudt van het recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

5.1.    De staatssecretaris heeft niet ten onrechte vooropgesteld dat de vreemdelingen nimmer rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad en tezamen zullen terugkeren naar Soedan, waar de ouders het grootste deel van hun leven hebben gewoond.

5.2.    De staatssecretaris heeft in de besluiten erkend dat de vreemdelingen zijn ingeburgerd en dat het voor hen niet gemakkelijk zal zijn om terug te keren naar Soedan. Dat de jongste dochter en de zoon ondanks de moeilijke omstandigheden waarin zij verkeren een middelbare schoolopleiding hebben afgerond is volgens de staatssecretaris zeker noemenswaardig. Voorts heeft de staatssecretaris meegewogen dat de vreemdelingen in de jaren van verblijf in Nederland vriendschappen hebben opgebouwd en dat hun sociale leven zich hier afspeelt. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris deze omstandigheden onvoldoende in ogenschouw heeft genomen.

5.3.    Ten aanzien van de gestelde hoge mate van emotionele verbondenheid tussen de oudste dochter en de vreemdelingen - als gevolg van hun gezamenlijke binnenkomst in Nederland, het gezamenlijk voeren van verblijfsprocedures, het delen van dezelfde woning, de medische problemen van de moeder en het zorgdragen voor elkaar en voor de minderjarige kinderen van de oudste dochter - heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij voor het dagelijks functioneren of geestelijk welzijn afhankelijk zijn van de oudste dochter, noch dat dit omgekeerd het geval is. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris deze omstandigheden onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is voorts niet onduidelijk of de vreemdelingen in staat zullen zijn de oudste dochter en haar gezin in Nederland te bezoeken en of en hoe de vreemdelingen vanuit Soedan in staat zullen zijn contact met hen te onderhouden, nu tegen de ouders en de jongste dochter een inreisverbod voor de duur van twee jaar is uitgevaardigd en de staatssecretaris heeft gewezen op de mogelijkheid om contact te onderhouden door middel van moderne communicatiemiddelen.

5.4.    Met betrekking tot de overweging van de rechtbank dat uitzettingshandelingen achterwege zijn gebleven, heeft de staatssecretaris terecht aangevoerd dat de door de vreemdelingen in 2001, 2003 en 2005 ingediende asielaanvragen alle zijn afgewezen, waarbij zij zijn gewezen op hun vertrekplicht, verwijdering van de vreemdelingen lange tijd niet mogelijk was omdat hun verblijfplaats onbekend was en dat sinds 2009 door de Dienst Terugkeer en Vertrek drie maal een vertrekprocedure is gestart waaraan de vreemdelingen niet hebben meegewerkt. Dat de kinderen onderwijs genoten, brengt, anders dan de vreemdelingen hebben betoogd, niet mee dat de staatssecretaris geacht moest worden bekend te zijn met de verblijfplaats van de vreemdelingen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet heeft meegewogen dat hij niet heeft voorkomen dat de vreemdelingen hun familie-, gezins- en privéleven in Nederland konden intensiveren.

5.5.    Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, overwogen dat de door de staatssecretaris toegepaste beoordeling of voor de vreemdelingen onoverkomelijke of bijzondere obstakels bestaan om zich in Soedan te vestigen, niet volstaat en hij in de belangenafweging moet betrekken of te verwachten valt dat het hele gezin bij terugkeer in Soedan een 'degree of hardship' zal ondervinden. De rechtbank heeft aldus niet onderkend dat de staatssecretaris in aanmerking heeft genomen dat de ouders het grootste deel van hun leven in Soedan hebben gewoond en dat de jongste dochter en de zoon weliswaar weinig banden hebben met Soedan, maar dat zij samen met hun ouders zullen terugkeren. Gelet hierop en op de leeftijd van de jongste dochter en de zoon - ten tijde van de besluiten 21 onderscheidenlijk 19 jaar - heeft de staatssecretaris het niet ten onrechte mogelijk geacht dat zij zich met behulp van hun familieleden handhaven en daar een bestaan opbouwen.

    Overigens heeft de staatssecretaris met betrekking tot het door de vreemdelingen gestelde risico dat de jongste dochter bij terugkeer in Soedan zal worden besneden, terecht opgemerkt dat de door de vreemdelingen bij het EHRM ingediende klacht bij arrest van 7 juni 2016, R.B.A.B. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2016:0607JUD000721106, is verworpen.

    Voorts heeft de rechtbank, door onder verwijzing naar de beslissing van het EHRM van 10 november 2005, Paramsothy t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2005:1110DEC001449203, te overwegen dat de bij de moeder vastgestelde medische klachten in haar voordeel moeten worden meegewogen, niet onderkend dat de vreemdelingen niet hebben gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de moeder bij terugkeer in Soedan wegens die omstandigheden ernstig in het uitoefenen van haar privéleven zal worden beperkt als bedoeld in dat arrest.

5.6.    Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdelingen uitvalt.

    De grief slaagt.

6.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Over het beroep van de vreemdelingen tegen de besluiten overweegt de Afdeling dat zij, voor zover zij met het voren overwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden heeft beslist, niet aan deze gronden toekomt. Over deze gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze gronden, dan wel onderdelen van voormelde besluiten waarop zij betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 augustus 2016 in zaken nrs. 15/16440, 15/23063, 15/23065, 15/23067 en 15/23069;

III.    verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. De Groot

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2017

210.