Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2298

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201704838/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:5075, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201704838/1/V3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 juni 2017 in zaak nr. 17/10864 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 7 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.G.A.M. Halfers, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

    Overwegingen

1.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat uit de brief van 1 juni 2017 van de psychiater van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie Zuid-Holland (hierna: de psychiater) moet worden geconcludeerd dat in ieder geval vanaf 1 juni 2017 voortzetting van de bewaring schadelijk is voor de vreemdeling en dat de maatregel van bewaring daarom met ingang van die datum onrechtmatig is, blijk heeft gegeven van een onjuiste waardering van die brief nu de psychiater daarin niet heeft gesteld dat de vreemdeling detentieongeschikt is. Daarnaast heeft de rechtbank geen acht geslagen op de mogelijkheden om de voor de vreemdeling vereiste zorg, mogelijk met hulp en ondersteuning door medicatie, binnen een justitiële inrichting te blijven verlenen, aldus de staatssecretaris.

1.1.    De staatssecretaris heeft zich ter zitting van de rechtbank op het volgende standpunt heeft gesteld. De medische informatie van de psychiater vormt geen reden de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Uit navraag voorafgaande aan de zitting is gebleken dat de regievoerder van de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: de DT&V) en de medische dienst van het detentiecentrum, die tweemaal per week overleg voeren, niet op de hoogte waren van de brief van de psychiater. Zij waren verbaasd over de inhoud van de brief. Tijdens het laatste overleg op 6 juni 2017 heeft de medische dienst nog geconcludeerd dat de medische situatie van de vreemdeling stabiel is. Vervolgens hebben de regievoerder en de medische dienst alsnog de brief van de psychiater in hun overleg besproken en dit heeft niet geleid tot een andere conclusie. De psychische gesteldheid van de vreemdeling wordt dagelijks gemonitord. Voorts is niet via de daartoe openstaande procedure bepaald dat hij detentieongeschikt is. Indien de vreemdeling meent dat hij detentieongeschikt is, ligt het op zijn weg om daartoe de procedure bij de DT&V aanhangig maken. Dan kan vervolgens worden onderzocht of hij daadwerkelijk detentieongeschikt is, aldus de staatssecretaris.

1.2.    In de brief van 1 juni 2017 geeft de psychiater, die de vaste consulterende psychiater van het Detentiecentrum Rotterdam is, te kennen dat bij de vreemdeling thans sprake is van een depressieve stoornis zonder psychiatrische maar met vitale kenmerken en dat de vreemdeling beperkte copingvaardigheden heeft. Teruglezend in het medisch dossier en na overleg met de GZ-psychologen en huisarts van het Detentiecentrum Rotterdam ziet de psychiater aanwijzingen dat de huidige detentie leidt tot toenemende schade van de psychiatrische gezondheid wat volgens de psychiater bij een jonge man met beperkte copingvaardigheden uit psychiatrisch oogpunt onwenselijk is.

1.3.    Hoewel de aanwijzingen die de psychiater ziet, duiden op een zorgwekkende situatie die nauwlettende aandacht behoeft, volgt uit de brief van de psychiater niet dat hij de vreemdeling detentieongeschikt acht en dat voortzetting van zijn detentie medisch onverantwoord is. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de psychiater en degenen die in het detentiecentrum zijn belast met het toezien op de detentiegeschiktheid van de gedetineerden ook geen mededeling van die strekking hebben gedaan. Nu voorts in het detentiecentrum medische zorg aanwezig is en de geestelijke gezondheidssituatie van de vreemdeling de specifieke aandacht van de medische dienst heeft, is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de vreemdeling vanaf 1 juni 2017 detentieongeschikt was. De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 mei 2017 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond is beslist, aan deze grond niet wordt toegekomen. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt dus buiten het geding.

3.    Gelet op het bovenstaande zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 mei 2017 alsnog ongegrond verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 juni 2017 in zaak nr. 17/10864;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bakker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2017

395.