Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2295

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201701010/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Herinvulling De Wissel (plandeel Beukenlaan) te Beetsterzwaag" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201701010/2/R3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te Beetsterzwaag, gemeente Opsterland,

verzoekers,

en

1. de raad van de gemeente Opsterland;

2. het college van burgemeester en wethouders van Opsterland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Herinvulling De Wissel (plandeel Beukenlaan) te Beetsterzwaag" vastgesteld.

Bij besluit van 21 december 2016 heeft het college aan Stichting Talant een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee gebouwen aan het dierenplein op het adres De Wissel 1 in Beetsterzwaag.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Tegen deze besluiten hebben onder meer [verzoekers] beroep ingesteld.

[verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekers] en Stichting Alliade hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 augustus 2017, waar [verzoekers] en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kramer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Alliade, vertegenwoordigd door mr. L. Mathey, advocaat te Groningen, [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het plan

2.    Het plan ziet op een deel van het terrein van een woon- en zorgcomplex in Beetsterzwaag. Met het plan wordt beoogd een herontwikkeling van het complex mogelijk te maken.

Inleiding

3.    [verzoekers], die wonen nabij de noordoosthoek van het plangebied, willen met hun verzoek bereiken dat er niet gebouwd mag worden op het noordelijke gedeelte van het zogenoemde middenterrein (ten noorden van de Beukenlaan), ook wel de Ezelskamp genoemd. Hiertoe hebben zij verzocht om het besluit tot vaststelling van het plan alsmede het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee gebouwen aan het dierenplein te schorsen.

Spoedeisend belang

4.    [verzoekers] hebben een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, nu het plan reeds in werking is getreden en daarna op grond van het plan enkele aanvragen tot verlening van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen zijn gedaan, waaronder voor het bouwen van het zogenoemde Trefpunt op het noordelijke gedeelte van het zogenoemde middenterrein.

Inhoudelijk

5.    [verzoekers] betogen onder meer dat het plan voor hen tot onaanvaardbare geluidsoverlast zal leiden. Daartoe wijzen zij erop dat bewoners van het zorgcomplex ongecontroleerd kunnen schreeuwen en krijsen. Deze geluiden dringen volgens hen door tot in alle woon- en werkvertrekken van hun woning. De bestemming "Groen", die is toegekend aan de gronden nabij hun woning, maakt het volgens hen mogelijk dat de daar geplande dierenweide wordt gebruikt voor dagbesteding dan wel therapeutische activiteiten. Hierdoor zullen zij de gehele dag geluidsoverlast kunnen ondervinden van bewoners van het zorgcomplex die zich daar bevinden. Voorts verwachten zij ook geluidsoverlast van bewoners die zich bevinden nabij de gebouwen waarvoor bij het besluit van 21 december 2016 een omgevingsvergunning is verleend en bij het gebouw dat ten zuiden daarvan zal zijn gelegen, het zogenoemde Trefpunt. In dit laatste gebouw zal volgens hen een horecavoorziening en een winkel worden gevestigd. Volgens [verzoekers] heeft de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met hun belang bij een goed woon- en leefklimaat.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan ook bij de woning van verzoekers niet tot onaanvaardbare overlast zal leiden. Volgens de raad is en blijft het terrein in gebruik als een zorgcentrum en valt dit in de systematiek van de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) onder milieucategorie 2. Ook onderdelen zoals de kinderboerderij en ondergeschikte horecafuncties vallen volgens de raad in deze milieucategorie. Hierbij geldt een richtafstand van 30 m tot milieugevoelige functies. De woning van [verzoekers] ten noordoosten van het plangebied ligt op minimaal 43 m vanaf de gronden met de maatschappelijke bestemming. Hier is volgens de raad de kinderboerderij gesitueerd.

5.2.    Aan de gronden van het noordelijke deel van het zogenoemde middenterrein die het dichtst bij de woning van [verzoekers] liggen, is de bestemming "Groen" toegekend. Aan de overige gronden van dit deel van het terrein is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Aan een deel van deze gronden met de bestemming "Maatschappelijk" is tevens de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

    Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. bebossing;

c. dierenweide;

met daaraan ondergeschikt:

d. paden;

e. extensieve dagrecreatie;

f. tuinen, erven en terreinen;

g. in- en uitritten;

h. waterlopen en waterpartijen;

i. nutsvoorzieningen;

met de daarbijbehorende:

j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

    Artikel 4, lid 4.1, luidt: "De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van:

    1. maatschappelijke voorzieningen;

    2. bijzondere woonvormen;

met daaraan ondergeschikt:

b. dienstverlenende en ambachtelijke bedrijven, voor zover ten dienste van in sub a genoemde functies;

c. een kinderboerderij;

d. een al dan niet overkapte mestoverslag, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - mestopslag’;

e. (ontsluitings)wegen, straten en paden;

f. parkeervoorzieningen;

g. groenvoorzieningen;

h. nutsvoorzieningen;

i. cultuurgrond;

j. sport- en speelterreinen;

met de daarbijbehorende:

k. tuinen, erven en terreinen;

l. bouwwerken, geen gebouwen zijnde."

5.3.    Op een afstand van ongeveer 20 m van de woning van [verzoekers] bevinden zich gronden waaraan in het plan de bestemming "Groen" is toegekend. Deze gronden mogen worden gebruikt voor onder meer een dierenweide. Uit de stukken blijkt dat het de bedoeling is dat hier dieren van de kinderboerderij lopen, die het plan mogelijk maakt op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk". Het plan verzet zich er niet tegen dat bewoners van het zorgcomplex, waarvan bekend is dat zij ongecontroleerd kunnen gaan schreeuwen of krijsen, zich in de dierenweide begeven. Gelet op de afstand tot de woning van [verzoekers] valt niet uit te sluiten dat dit tot ernstige geluidhinder bij die woning leidt. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad hier geen akoestisch onderzoek naar heeft gedaan. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad dit gelet op de mogelijke geluidsoverlast ten onrechte nagelaten.

    Hetzelfde geldt voor zover het geluidsoverlast betreft ten gevolge van het stemgeluid van bewoners, afkomstig van het zogenoemde dierenterrein tussen de twee gebouwen waarvoor het college bij besluit van 21 december 2016 een omgevingsvergunning heeft verleend en van de terrassen rond het ten zuiden daarvan op te richten Trefpunt. Voorshands is ook niet gebleken dat de raad hiernaar een akoestisch onderzoek heeft gedaan. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kon de raad in dit geval niet volstaan met een verwijzing naar de richtafstand uit de VNG-brochure. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de raad een brief, gedateerd 22 juni 2017, heeft verzonden aan Talant, die het woon- en zorgcomplex exploiteert. In die brief maakt de raad duidelijk dat hij er bij het nemen van zijn besluit tot vaststelling van het plan vanuit is gegaan dat de door Talant in haar brief van 21 november 2016 genoemde maatregelen ter voorkoming van onder meer geluidsoverlast zouden worden getroffen. Gelet op een toezegging van Talant met die strekking tijdens een schorsing van de raadsvergadering is een motie ingetrokken waarin werd voorgesteld deze maatregelen in het besluit op te nemen. Deze maatregelen betroffen onder meer het zo recht mogelijk tegenover elkaar situeren van de twee schuurgebouwen van de kinderboerderij, het iets zuidelijker situeren van deze gebouwen waardoor de afstand tot de woning van [verzoekers] groter wordt en het plaatsen van een hardglazen scherm van circa 2 m hoog tussen deze twee gebouwen aan de open zijde naar de dierenweide (noordzijde). De brief van 22 juni 2017 wordt afgesloten met de opmerking dat de raad van mening is dat Talant verwachtingen heeft gewekt die de besluitvorming hebben beïnvloed. De raad vraagt Talant daarom met klem om zo spoedig mogelijk bij het college van burgemeester en wethouders een aangepaste omgevingsvergunning aan te vragen waarin de maatregelen uit de brief van 21 november 2016 zijn verwerkt. De voorzieningenrechter leidt voorshands uit de brief van 22 juni 2017 af dat de raad van oordeel is dat het plan zonder de hiervoor bedoelde maatregelen onvoldoende bescherming tegen geluidsoverlast biedt. Dat deze brief alleen is bedoeld om een goede verstandhouding tussen Talant en omwonenden te bevorderen, zoals de raad ter zitting naar voren heeft gebracht, komt de voorzieningenrechter, gelet op de inhoud van die brief, op voorhand niet aannemelijk voor.

    Gezien het vorenstaande heeft de raad naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderzocht of het gebruik dat het plan mogelijk maakt op het noordelijke gedeelte van het middenterrein niet leidt tot onaanvaardbare geluidsoverlast voor [verzoekers]. Het besluit van 21 november 2016 van de raad is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Conclusie

6.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

    Deze voorziening heeft tot gevolg dat het plan niet in werking treedt voor het noordelijke gedeelte van het zogenoemde middenterrein, zoals dat gedeelte is aangegeven op de kaart bij de beslissing. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op de belangen van Talant, geen aanleiding voor schorsing van andere plandelen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is binnen het geschorste plandeel een invulling mogelijk die in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

    Vanwege de samenhang met het plan heeft de voorlopige voorziening ook betrekking op het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen van twee gebouwen aan het dierenplein. Deze vergunning treedt door de getroffen voorlopige voorziening niet in werking, zodat derhalve niet kan worden begonnen met de bouw hiervan.

7.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover [verzoekers] hebben verzocht om veroordeling in de kosten van een overnachting ten behoeve van het bijwonen van de zitting, overweegt de voorzieningenrechter dat gelet op het aanvangstijdstip van de zitting en de reisafstand voor hen een overnachting redelijkerwijs niet nodig was. De raad wordt daarom niet veroordeeld tot vergoeding van die kosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening:

a. het besluit van de raad van de gemeente Opsterland van 21 november 2016 tot vaststelling van het plan "Herinvulling De Wissel (plandeel Beukenlaan) te Beetsterzwaag", voor zover het het plandeel betreft zoals is weergegeven op de bij de beslissing gevoegde kaart;

b. het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Opsterland van 21 december 2016, kenmerk 20160233V;

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Opsterland en het college van burgemeester en wethouders van Opsterland tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 124,36 (zegge: honderdvierentwintig euro en zesendertig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Opsterland en het college van burgemeester en wethouders van Opsterland aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoeden, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Lap

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2017

288.