Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201701853/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:972, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 17 maart 2016 heeft de staatssecretaris gereageerd op een verzoek van de vreemdeling om hem onderdak dan wel leefgeld te verstrekken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701853/1/V1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 februari 2017 in zaak nr. 16/11779 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij brief van 17 maart 2016 heeft de staatssecretaris gereageerd op een verzoek van de vreemdeling om hem onderdak dan wel leefgeld te verstrekken.

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Voorgeschiedenis en inleiding

1.    De vreemdeling verblijft in Nederland sinds 2000. De staatssecretaris heeft op hem artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag) van toepassing verklaard. Zijn asielaanvraag uit 2000 en een opvolgende asielaanvraag uit 2011 zijn om die reden afgewezen. Voorts heeft de staatssecretaris tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaren. Bij uitspraak van 10 februari 2015 heeft de rechtbank in het beroep daartegen overwogen dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zich duurzaam verzet tegen de uitzetting van de vreemdeling naar Libanon en dat niet is gebleken dat een vertrek naar een ander land ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan de vertrekplicht mogelijk is. Niettemin kon, aldus de rechtbank in die uitspraak, het standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdeling zich niet bevindt in de uitzonderlijke situatie dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel was de rechterlijke toetsing doorstaan, omdat de staatssecretaris doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang dat Nederland geen vluchthaven wordt voor personen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. De Afdeling heeft deze uitspraak bij uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4088, bevestigd.

    De staatssecretaris weigert de vreemdeling onderdak dan wel leefgeld te verstrekken, omdat de staatssecretaris op hem artikel 1(F) van toepassing heeft verklaard. Het geschil spitst zich toe op de vraag of die weigering de rechterlijke toetsing doorstaat.

Grief

2.    In de enige grief betoogt de vreemdeling allereerst dat de rechtbank met haar overweging dat zich geen bijzonder geval voordoet dat de staatssecretaris ertoe dwingt hem onderdak dan wel leefgeld te bieden, omdat zijn leefomstandigheden niet verschillen van andere uitgeprocedeerde vreemdelingen in Nederland die als gevolg van hun illegale status geen opvang hebben, niet heeft onderkend dat er voor hem een duurzaam uitzetbeletsel aan de orde is. Door de handelwijze van de staatssecretaris dreigt hij in een uitzichtloze situatie te belanden, wat een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Voorts heeft de vreemdeling in de grief aangevoerd dat de rechtbank, gezien de bijzondere omstandigheden waarin hij verkeert, ten onrechte niet heeft geoordeeld dat op de staatssecretaris in dit geval op grond van artikel 8 van het EVRM een positieve verplichting rust om de gevraagde hulp te bieden.

Beleid zoals dat uit de praktijk naar voren komt

3.    De staatssecretaris laat vreemdelingen aan wie hij artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen en die wegens het risico op een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet naar het land van herkomst mogen worden uitgezet, dan wel niet worden toegelaten tot een derde land, in beginsel niet toe tot de VBL, omdat zicht op vertrek uit Nederland binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Toetsingskader    

4.    De onder 3 weergegeven algemene regel heeft de staatssecretaris niet bij besluit vastgesteld en evenmin op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Het betreft dan ook geen beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Dit betekent dat het voormelde slechts als een interne vaste gedragslijn kan worden aangemerkt en dat artikel 4:82 van de Awb niet van toepassing is; vergelijk uitspraken van de Afdeling van 6 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:430 en 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1041. Hieruit volgt dat de staatssecretaris per concreet geval moet motiveren waarom hij, gezien de persoon van de desbetreffende vreemdeling en diens perspectief voor vertrek uit Nederland, ervoor heeft gekozen hem het gevraagde onderdak dan wel leefgeld te weigeren.

Toepassing toetsingskader en beoordeling grief

5.    De interne vaste gedragslijn als onder 3 weergegeven, is op zichzelf niet onredelijk. Gegeven de op de desbetreffende vreemdeling rustende vertrekplicht acht de Afdeling het uitgangspunt van de staatssecretaris gerechtvaardigd dat in het algemeen het koppelingsbeginsel zich verzet tegen het verstrekken van een uitkering aan illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen en dat specifiek voor een vreemdeling op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is het algemeen belang ermee wordt gediend dat de staatssecretaris dat illegaal verblijf niet faciliteert door het bieden van onderdak dan wel leefgeld. Aldus wordt zoveel mogelijk voorkomen dat Nederland een vluchthaven wordt voor vreemdelingen ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan gedragingen als bedoeld in voormeld artikel 1(F). Van belang is voorts of een vreemdeling als uitgeprocedeerde asielzoeker geheel van de staat afhankelijk is en, terwijl hij zich in een situatie bevindt die wegens een gebrek aan ondersteuning onverenigbaar is met de menselijke waardigheid, wordt geconfronteerd met inactiviteit dan wel officiële onverschilligheid, in de zin van de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juli 2016 (Hunde tegen Nederland), ECLI:CE:ECHR:2016:0705DEC001793116. Voor de beantwoording van de vraag of de vreemdeling in die situatie verkeert, acht de Afdeling van beslissende betekenis dat de staatssecretaris weliswaar een beleid voert dat erop is gericht tegen te gaan dat Nederland een vluchthaven wordt voor vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, maar dat hij tegelijkertijd in dat beleid een ondergrens heeft aangebracht door zodanige vreemdelingen die voldoen aan de strikte vereisten neergelegd in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op basis van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Onder deze omstandigheden is inactiviteit dan wel officiële onverschilligheid in de zin van voormelde beslissing van 28 juli 2016 niet aan de orde. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen staat het de vreemdeling vrij om op een door hem te bepalen moment de staatssecretaris te verzoeken alsnog voor evengenoemde verblijfsvergunning in aanmerking te komen en daartoe een aanvraag om opheffing van het inreisverbod in te dienen.

    Het beroep op artikel 3 van het EVRM faalt.

6.    Het beroep op artikel 8 van het EVRM faalt evenzeer, reeds omdat uit het verslag van de hoorzitting naar voren komt dat, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, de vreemdeling beschikt over een netwerk in Dongen, Prinsenbeek en Breda dat hem opvangt en onderhoudt.

    De grief faalt.

7.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en

mr. G. van der Wiel en mr. J. Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Groeneweg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2017

32.