Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2286

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201703476/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:4237, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:40
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/2000
JV 2017/231 met annotatie van prof. mr. R.J.N. Schlössels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703476/1/V1.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2017 in zaak nr. 17/6537 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 20 april 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.S. van Aken, advocaat te Zierikzee, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De aanvraag van de vreemdeling van 27 januari 2017 is krachtens artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 buiten behandeling gesteld omdat de vreemdeling volgens een mededeling van het Centraal Orgaan asielzoekers (hierna: het COa) van 30 januari 2017 zonder toestemming zou zijn vertrokken uit het aanmeldcentrum Ter Apel.

    Het besluit is bekendgemaakt door in de centrale hal van het justitieel complex Schiphol een melding van terinzagelegging (hierna: de melding) op te hangen.

2.    De vreemdeling klaagt in de grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit op 9 februari 2017 op de juiste wijze is bekendgemaakt, zodat de beroepstermijn van één week de dag daarna is aangevangen en het op 23 maart 2017 door de rechtbank ontvangen beroepschrift daarom niet tijdig is ingediend. Daartoe voert de vreemdeling aan dat het besluit ten onrechte niet aan hem is uitgereikt, noch aan zijn gemachtigde is gezonden en dat de melding ten onrechte in het justitieel complex Schiphol is opgehangen omdat de vreemdeling in Ter Apel bekend was.

2.1.    Artikel 3:40 van de Awb luidt: "Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt".

    Artikel 3:41, eerste lid, luidt: "De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."

    Het tweede lid luidt: "Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze."

    Onderdeel C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 luidt:

"[…]

De beschikking in de algemene asielprocedure.

De IND zendt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. […]

Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, en het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken, wordt op de daarvoor bestemde plek in het aanmeldcentrum een melding van terinzagelegging opgehangen. […]"

2.2.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gemachtigde van de vreemdeling bekend was, dat de vreemdeling zonder toestemming is vertrokken uit het aanmeldcentrum Ter Apel en dat de melding is opgehangen in het justitieel complex Schiphol omdat het besluit daar is genomen.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling zijn betoog dat hij bij zijn aanvraag een begeleidende brief van zijn gemachtigde van 24 januari 2017 heeft overgelegd waardoor de staatssecretaris met zijn gemachtigde bekend was, niet heeft gestaafd en dat uit het systeem van de staatssecretaris niet blijkt dat deze brief is overgelegd. Het is dan ook niet gebleken dat de staatssecretaris bekend was met de gemachtigde, aldus de rechtbank. In de grieven wordt deze overweging niet met kracht van argumenten bestreden, zodat zij in zoverre falen.

2.4.    De rechtbank heeft voorts overwogen dat de vreemdeling zijn betoog dat de mededeling van het COa van 30 januari 2017 onjuist is, omdat een medewerker van het COa de vreemdeling toestemming heeft verleend om het weekeind na zijn aanmelding buiten Ter Apel door te brengen en de vreemdeling daarna weer in Ter Apel heeft verbleven, niet heeft gestaafd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris blijkens een telefoonnotitie de mededeling op dezelfde dag bij het COa heeft geverifieerd en dat uit de door de vreemdeling overgelegde brief van Verslavingszorg Noord-Nederland van 6 februari 2017 alleen kan worden afgeleid dat de vreemdeling op die dag ambulant is behandeld en is ingesteld op methadon. In de grieven wordt tegen deze overwegingen ingebracht dat het e-mailbericht waarin de mededeling is vervat zich niet in het dossier bevindt, zonder toe te lichten waarom dit aan de inhoud van de mededeling afbreuk zou doen ondanks dat de mededeling door het COa telefonisch is bevestigd. Daarom falen ook in zoverre de grieven.

2.5.    Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris heeft gehandeld in overeenstemming met zijn beleid door de melding op te hangen.

    De geschiktheid van een plaats voor het ophangen van de melding wordt bepaald door de doeltreffendheid van het ophangen van de melding op die plaats. De vreemdeling heeft de aanvraag in het aanmeldcentrum Ter Apel gedaan en is niet in verband te brengen met het justitieel complex Schiphol, anders dan doordat daar het besluit is genomen. Het ophangen van de melding in het justitieel complex Schiphol is onder deze omstandigheden geen andere geschikte wijze van bekendmaking als bedoeld in artikel 3.41, tweede lid, van de Awb.

    De grieven slagen in zoverre.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het vooroverwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaren.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2017 in zaak nr. 17/6537;

III.    verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

210.