Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
201704888/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2017, kenmerk 888437/889281, heeft de raad de bestemmingsplannen "Heeswijkse Aa-Beemden" en "Geluidzone [naam van bedrijf belanghebbende]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201704888/2/R2.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

en

de raad van de gemeente Bernheze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2017, kenmerk 888437/889281, heeft de raad de bestemmingsplannen "Heeswijkse Aa-Beemden" en "Geluidzone [naam van bedrijf belanghebbende]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 augustus 2017, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. I.L. van Geel, advocaat te Helmond, en de raad, vertegenwoordigd door ing. E. van Dijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    De wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3.    Met voornoemde bestemmingsplannen wordt het bedrijf van [belanghebbende] aan de [locatie A] in Heeswijk-Dinther als zodanig bestemd en wordt de mogelijkheid geboden om het bedrijf op het aangrenzende perceel [locatie B] uit te breiden. Daartoe is in de verbeelding van het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" aan de gronden aan de [locatie B] en [locatie A] de bestemming "Bedrijf", de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-, sloop- en recyclingbedrijf" en een bouwvlak van ongeveer 2,7 hectare toegekend.

    [verzoekster] heeft ter zitting aan de hand van foto’s toegelicht dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zich uitsluitend richt tegen de vaststelling van het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" (hierna: het plan), voor zover het plan ter plaatse van het perceel [locatie B] buitenopslag van onder andere bouwstoffen toestaat. [verzoekster] stelt daarvan ernstige stofhinder te ondervinden.

4.    Partijen zijn onder andere verdeeld over de vraag of het plan is vastgesteld in overeenstemming met artikel 6.10 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014). Artikel 6 van Hoofdstuk 3 (structuren) van de Verordening 2014 bevat regels die van toepassing zijn op de groenblauwe mantel. Vast staat dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ligt binnen een gebied dat in de Verordening 2014 is aangemerkt als groenblauwe mantel. Voorts staat vast en is overigens tussen partijen niet in geschil dat het plan voorziet in een niet-agrarische functie. Ingevolge het eerste lid van artikel 6.10 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel onder een aantal voorwaarden voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie. Ingevolge het tweede en derde lid van dat artikel kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel onder een aantal voorwaarden voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het systeem van de Verordening 2014 dat niet-agrarische ontwikkelingen als bedoeld in artikel 6.10 alleen zijn toegestaan als dit uitdrukkelijk is bepaald. Nieuwvestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel is derhalve in beginsel niet toegestaan.

5.    [verzoekster] betwist het standpunt van de raad dat het bedrijf van [belanghebbende] als een bestaande niet-agrarische functie kan worden aangemerkt. Zij betoogt dat het plan voorziet in een vestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel, waardoor het plan moet voldoen aan de voorwaarden in het eerste lid van artikel 6.10 van de Verordening 2014. Volgens [verzoekster] voldoet het plan, behoudens de voorwaarde onder g van het eerste lid van dit artikel, niet aan de gestelde voorwaarden.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voorziet in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, waardoor het plan moet voldoen aan de voorwaarden in het tweede en derde lid van artikel 6.10 van de Verordening 2014. Ter zitting heeft de raad hierover toegelicht dat het bedrijf reeds jaren op deze locatie is gevestigd en dat het bedrijf voor de huidige bedrijfsvoering op het perceel [locatie A] over een onherroepelijke milieuvergunning (oud) beschikt. Volgens de raad is in dit geval artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014 van toepassing en is op basis van deze bepaling sprake van een bestaande niet-agrarische functie.

5.2.    Artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014, voor zover van belang, bepaalt dat waar in de verordening wordt gesproken over een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang daaronder wordt verstaan "datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden toestaat". De voorzieningenrechter stelt vast dat de percelen [locatie B] en [locatie A] in het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" hadden. Voorts was aan de gronden aan de [locatie B] de functieaanduiding "intensieve veehouderij" toegekend en aan de gronden aan de [locatie A] de functieaanduiding "agrarisch loonbedrijf". Gezien deze bestemming en bijbehorende functieaanduidingen is de voorzieningenrechter er gelet op artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014 niet van overtuigd dat het plan voorziet in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie op de percelen [locatie B] en [locatie A]. Voorts is gebleken dat indien het plan voorziet in een vestiging van een niet-agrarische functie - hetgeen de voorzieningenrechter gezien onder meer de uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:266, rechtsoverweging 36.5 en verder, eveneens betwijfelt - het plan niet voldoet aan de voorwaarden in het eerste lid van artikel 6.10 van de Verordening 2014. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is derhalve niet uitgesloten dat artikel 6.10 van de Verordening 2014 in de weg staat aan de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling.

5.3.    Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de reikwijdte van het verzoek alsmede de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan omdat het plan in werking is getreden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen voor zover het betreft het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" en voor zover dat plan betrekking heeft op het perceel [locatie B]. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat [gemachtigde] ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij op korte termijn een omgevingsvergunning voor bouwen aangaande het perceel [locatie B] zal gaan aanvragen. Voormelde schorsing heeft tot gevolg dat het plan niet als toetsingskader geldt bij de beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.

6.    Gelet op hetgeen in 5.3 is overwogen, behoeven de overige gronden van [verzoekster] thans geen bespreking.

7.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Bernheze van 20 april 2017, kenmerk 888437/889281, voor zover het betreft het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" en voor zover dat bestemmingsplan betrekking heeft op het perceel [locatie B];

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Bernheze tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Bernheze aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Reichardt, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Reichardt

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

772. BIJLAGE

* Bij rechtsoverweging 5 t/m 5.2.

Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.95. vestiging

mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op het bouwvlak van een bestaand bouwperceel.

Artikel 2 Werking van deze verordening

[…] 3. Waar in deze verordening gesproken wordt over een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, wordt daaronder verstaan:

a.    datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden toestaat, met inbegrip van datgene wat nadien wordt toegestaan op grond van:

I.    een uitwerking van het geldend bestemmingsplan, mits dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet; of

II.    een besluit van het gemeentebestuur als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter.

b.    datgene waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.

Artikel 6.10 Niet-agrarische functies

1.    Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits:

a.    de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m2 bedraagt;

b.    de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

c.    is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;

d.    de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

e.    de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;

f.    de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;

g.    de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2;

h.    is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang;

i.    de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.

2.    Een bestemmingsplan kan voorzien in een uitbreiding of wijziging van een bestaande niet-agrarische functie onder overeenkomstige toepassing van de bepalingen in het eerste lid.

3.    In afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a.    de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;

b.    overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6, tweede lid (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebied) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt;

c.    de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

d.    de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.