Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201609200/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
H.J. de Vries annotatie in TBR 2017/176

Uitspraak

201609200/1/R1.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te Zeewolde,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Zeewolde,

3.    [appellante sub 3], gevestigd te Zeewolde, en anderen,

4.    AROZ Landbouw B.V., gevestigd te Zeewolde,

5.    [appellant sub 5], wonend te Zeewolde,

6.    [appellant sub 6] en anderen, wonend te Zeewolde,

7.    [appellant sub 7], wonend te Zeewolde,

8.    [appellante sub 8], gevestigd te Zeewolde,

en

de raad van de gemeente Zeewolde,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3] en anderen, AROZ Landbouw, [appellant sub 5], [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 2], [appellant sub 7] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2017, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], [appellante sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door drs. R.A.M. van Woerden, AROZ Landbouw, vertegenwoordigd door F.C.P. Verdonk en C.F.J.M. Hermus, [appellant sub 5], bijgestaan door E. Wiarda, rechtsbijstandverlener te Oranjewoud, [appellant sub 6] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], [appellant sub 7], bijgestaan door ing. W.H. Lingeman, rechtsbijstandverlener te Zeewolde, [appellante sub 8], vertegenwoordigd door [gemachtigde D]], bijgestaan door [gemachtigde E], en de raad, vertegenwoordigd door S.L. Strauss, J.A. Zandvoort en J. Kleefstra zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Flevoland, vertegenwoordigd door ing. J.A. Dekker, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plangebied omvat het landelijk gebied en de natuurgebieden van de gemeente Zeewolde.

Ingetrokken beroepsgronden

2.    Ter zitting heeft [appellante sub 8] de beroepsgronden dat de planregels onduidelijk zijn over de vraag of haar windturbine is toegestaan en of artikel 3.1 van de Noodverordening niet in de weg staat aan het opnemen van bestemmingen en regels in een bestemmingsplan die ertoe strekken dat een bestaande windturbine vrijwel alle onderdelen van de windturbine mag vervangen door nieuwe onderdelen en/of vergroting van het bestaande vermogen van de windturbine, ingetrokken. Voorts heeft AROZ Landbouw ter zitting de beroepsgrond dat ten onrechte een logieshuisvesting voor seizoenarbeiders niet is toegestaan ter plaatse van de woning op haar perceel, ingetrokken.

Wettelijke bepalingen en planregels

3.    De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroepen over windturbines

Inleiding

5.    Evenals in het voorheen geldende bestemmingsplan zijn de bestaande windturbines met uitzondering van de windparken Alexia en Sternweg niet positief bestemd en vallen hiermee nogmaals onder het overgangsrecht. De raad is namelijk voornemens om deze windturbines binnen de planperiode te laten verwijderen. [appellante sub 1], [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] betogen dat de aanwezige windturbines op hun percelen ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd.

Beroepsgronden

6.    [appellante sub 1], [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] betogen dat hun windturbines ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Zij stellen dat het niet aannemelijk is dat de windturbines binnen de planperiode worden verwijderd. [appellant sub 6] en anderen voeren voorts aan dat gelet op het vastgestelde beleid in het verleden de verwachting door de raad is gewekt dat de gebouwde windturbines bij recht worden toegestaan. [appellante sub 8] betoogt voorts dat de raad in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door haar windturbine niet als zodanig te bestemmen, terwijl de lijnopstellingen aan de Sternweg en in de Zuidlob wel als zodanig zijn bestemd. Voorts betogen [appellante sub 1], [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] dat het geen redelijk doel dient om hun windturbines onder het overgangsrecht te brengen. Ook is het met het oog op de door het Rijk gewenste doelstelling van duurzame energie ongewenst dat de windturbines moeten worden verwijderd, aldus [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en [appellante sub 8]. [appellante sub 8] betoogt in dit verband dat het niet als zodanig bestemmen van de windturbines zal leiden tot een toename van het gebruik van fossiele brandstoffen, hetgeen de raad ten onrechte niet heeft onderkend. [appellante sub 1], [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 7] voeren voorts aan dat de raad de belangen die ondernemers hebben bij het bij recht toestaan van de windturbines, onvoldoende heeft meegewogen. Voorts stellen [appellant sub 6] en anderen dat hun windturbines niet in de weg staan aan de geplande lijnopstelling. [appellante sub 8] voert aan dat de windturbines geen belemmering vormen voor het open landschap van het buitengebied. Ook betoogt [appellante sub 1] dat het geen enkel doel dient om de windturbines onder het overgangsrecht te brengen, omdat hiermee geen sanering of onteigening mogelijk wordt gemaakt. Voorts voeren [appellant sub 6] en anderen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2629, aan dat de raad ten onrechte geen beëindigingsregeling voor windturbines in het plan heeft opgenomen die ertoe strekt dat de windturbines als zodanig worden bestemd waarbij beperkingen worden opgelegd aan de mogelijkheden voor vervangende nieuwbouw.     

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de windturbines binnen de planperiode worden verwijderd. De raad licht toe dat de provincie Flevoland en de gemeente Zeewolde met betrekking tot windenergie de doelstelling hebben dat met minder windturbines meer energie wordt geproduceerd. Dit beleid is opgenomen in de "Partiële herziening Omgevingsplan Flevoland voor windenergie", vastgesteld bij besluit van 13 juli 2016 door provinciale staten (hierna: Partiële herziening) en de Beleidsregel windmolens 2008, vastgesteld bij besluit van 17 juni 2008 door het college van gedeputeerde staten van Flevoland. Om dit beleidsuitgangspunt tot uitvoering te brengen is een proces in gang gezet waarbij vanuit de huidige windturbine-eigenaren initiatieven worden ontwikkeld voor het opschalen en saneren van windturbines. De raad acht het onwenselijk dat nieuwe windturbines worden opgericht of bestaande windturbines worden vervangen totdat de nieuwe plannen voor windturbines zijn uitgekristalliseerd. Om dit te kunnen waarborgen is de Noodverordening Wind, vastgesteld bij besluit van 18 februari 2015 door provinciale staten van Flevoland (hierna: Noodverordening) vastgesteld. Vervolgens is in het regioplan "Windenergie Zuidelijk en Oostelijk Flevoland" vastgesteld bij besluit van 27 juni 2016 door de raad en bij besluit van 13 juli 2016 door provinciale staten van Flevoland, (hierna: Regioplan) een gezamenlijke structuurvisie van de provincie en de betrokken gemeenten opgenomen. Ook worden in de Rijkscoördinatieregeling alle besluiten die nodig zijn voor de ontwikkeling van Windpark Zeewolde tegelijkertijd en in onderling overleg genomen. Het gaat om vergunningen, ontheffingen en het rijksinpassingsplan Windpark Zeewolde, waarvan het ontwerp is vastgesteld op 22 februari 2017 (hierna: RIP). Ook het RIP is gericht op het realiseren van een nieuw windpark waarbij de windturbines die onder het overgangsrecht zijn gebracht, worden gesaneerd. Alle windturbines die moeten worden gesaneerd zullen uiterlijk in 2026 zijn verwijderd, aldus de raad. Voorts voert de raad aan dat alle kosten voor het project onderdeel zijn van de exploitatie van de "Ontwikkelvereniging Zeewolde" (thans: Windpark Zeewolde BV). De kosten voor eventuele onteigening worden verhaald op de Ontwikkelvereniging. Daarover zijn afspraken gemaakt in een zogenoemde "Voorovereenkomst".

6.2.    In de toelichting behorend bij het ontwerp RIP staat dat het RIP is opgesteld omdat de Ontwikkelvereniging Zeewolde het initiatief heeft genomen om een windpark te realiseren in deelgebied Zeewolde. Met het initiatief wil de initiatiefnemer bijdragen aan het opwekken van duurzame energie in Flevoland. Door de 221 windturbines die momenteel in het plangebied aanwezig zijn te vervangen door 93 nieuwe turbines wordt niet alleen het aantal windturbines gehalveerd, maar ook de energieopbrengst meer dan verdubbeld. De nieuwe generatie windturbines heeft namelijk een veel grotere opwekkingscapaciteit. Naast het opwekken van meer duurzame energie, wordt met het verminderen van het aantal windturbines ook een bijdrage geleverd aan een verbetering van de landschappelijke inpassing van het windpark in Zeewolde.

6.3.    In de toelichting bij de Noodverordening staat dat de provincie Flevoland met minder windmolens meer energie wil produceren. Voor het slagen van het opschalen en saneren is het van belang dat er geen initiatieven voor nieuwe windmolens worden gerealiseerd die niet binnen deze doelstelling passen.

6.4.    In de toelichting bij de Beleidsregel windmolens staat dat die is opgesteld met het doel dat met minder windturbines dezelfde, of zelfs meer, windenergievermogen wordt opgewekt, zodat via een geleidelijke afname een vermindering van het aantal windturbines bereikt kan worden, onder gelijktijdige toename van het opgewekte vermogen. De bestaande windturbineopstellingen in grote delen van de provincie zijn namelijk het landschapsbeeld gaan beheersen, hetgeen de provincie wil veranderen door gebruik te maken van de mogelijkheden die de technische ontwikkelingen en schaalvergroting van windturbines bieden.

6.5.    In de toelichting bij de Partiële herziening wordt voor de provincie Flevoland in algemene criteria het beleidskader vastgesteld voor de ontwikkeling van windturbines. Binnen de Partiële Herziening wordt ruimte gecreëerd voor het saneren en opschalen van windturbines, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Eén van die voorwaarden is dat nieuwe windturbines alleen worden toegestaan op basis van projecten voor opschalen en saneren binnen projectgebieden. Een project voor opschalen en saneren omvat zowel nieuw te bouwen windturbines als te saneren bestaande windturbines in een projectgebied, waarbij het opgesteld vermogen van de nieuwe windturbines toeneemt ten opzichte van het opgestelde vermogen van de te saneren windturbines.

6.6.    Het Regioplan is vastgesteld door de gemeenten Dronten, Lelystad en Zeewolde en de provincie Flevoland. Het Regioplan verdeelt Zuidelijk en Oostelijk Flevoland in vier projectgebieden, te weten Noord, Oost, Zuid en West, waarbinnen projecten voor windenergie worden uitgevoerd. Per projectgebied is er een directe koppeling tussen opschalen en saneren en kan er gedurende de looptijd van het Regioplan (2030) uitsluitend sprake zijn van één initiatiefnemer die één plan van opschalen en saneren maakt en realiseert voor het gehele projectgebied. Het Regioplan bevat een kaart waarop de plaatsingszones voor nieuwe windturbines staan aangegeven. Binnen de plaatsingszones mogen nieuwe lijnopstellingen van windturbines worden gerealiseerd. Buiten de zones zijn geen nieuwe windturbines mogelijk.

6.7.    Aan de plandelen ter plaatse van de windturbines van [appellante sub 1], [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] is de bestemming "Agrarisch" zonder de aanduiding "windturbine", onderscheidenlijk de bestemming "Bos - Natuur" toegekend. De gronden ter plaatse van de bestreden plandelen zijn derhalve niet bestemd voor windturbines. Tussen partijen is niet in geschil dat de windturbines legaal aanwezig zijn. De windturbines zijn derhalve planologisch toegestaan vanwege het in artikel 43, lid 43.1, van de planregels geregelde overgangsrecht voor bouwwerken.

    De Afdeling stelt voorop dat het ontwerp van het RIP en de Noodverordening niet zelfstandig ter beoordeling staan in het kader van deze procedure. In deze procedure ligt het bestemmingsplan voor. In dat kader moet worden beoordeeld of de windturbines onder het overgangsrecht mochten worden gebracht. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaande legale bebouwing kan slechts onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat concreet zicht bestaat op verwijdering van de bebouwing binnen de planperiode. Indien dit niet het geval is, dient de raad het bestaande legale bouwwerk planologisch in te passen, bijvoorbeeld door het als zodanig te bestemmen.

    De raad heeft voor zijn standpunt dat de windturbines worden verwijderd binnen de planperiode gewezen op de Partiële herziening, de Beleidsregel windmolens, de Noodverordening, het vast te stellen RIP en het Regioplan. De omstandigheid dat de raad in het verleden medewerking heeft verleend aan de totstandkoming van windturbines, betekent niet dat hij nu geen nieuw beleid mag maken met betrekking tot de wenselijkheid van bepaalde windturbines. De bestuursorganen van de provincie en de gemeente Zeewolde hebben voornoemde algemeen verbindende voorschriften en beleid vastgesteld omdat zij er naar streven dat met minder windmolens meer energie wordt geproduceerd. Vanwege dit streven heeft de raad de desbetreffende windturbines onder het overgangsrecht gebracht zodat de windturbines niet geheel kunnen worden vernieuwd. Anders dan [appellante sub 1] betoogt zijn de windturbines derhalve wel degelijk met een doel onder het overgangsrecht gebracht.

    [appellante sub 1], [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en [appellante sub 8] betogen dat voornoemde algemeen verbindende voorschriften en beleid er niet toe dwingen om de windturbines onder het overgangsrecht te brengen. In dit verband hebben zij gewezen op het RIP. De Afdeling overweegt dat het RIP er weliswaar niet toe verplicht dat de desbetreffende windturbines onder het overgangsrecht worden gebracht, maar het RIP is er op gericht om de 221 windturbines die momenteel in het plangebied aanwezig zijn te vervangen door 93 nieuwe turbines. Bovendien moet de raad in deze procedure aannemelijk maken dat zicht bestaat op verwijdering van de bebouwing binnen de planperiode. Hiervoor is niet vereist dat het RIP definitief is vastgesteld.

    Ook is door [appellante sub 1], [appellante sub 3] en anderen en [appellante sub 8] gewezen op de Noodverordening. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] dat het vanwege artikel 2.3 van de Noodverordening aannemelijk is dat de windturbines langer dan de planperiode blijven staan, overweegt de Afdeling dat in artikel 2.3 van de Noodverordening voorwaarden zijn opgenomen die aan een omgevingsvergunning voor een nieuwe windturbine moeten worden verbonden. Eén van die voorwaarden is dat - gelet op het verbod om voor de realisatie van windturbines een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd te verstrekken - de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die maximaal 25 jaar bedraagt. Uit dit artikel kan geen recht worden afgeleid dat de desbetreffende windturbines deze gehele periode mogen blijven staan. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 8] dat de raad ten onrechte niet heeft onderkend dat hij onder verwijzing naar artikel 5.1 van de Noodverordening de windturbines als zodanig had kunnen bestemmen, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 5.1 van de Noodverordening is een hardheidsclausule opgenomen. [appellante sub 8] heeft geen omstandigheden gesteld waaruit volgt dat artikel 5.1 van de Noodverordening in dit geval zou moeten worden toegepast. Bovendien is de bevoegdheid die in artikel 5.1 van de Noodverordening is opgenomen, niet toebedeeld aan de raad maar aan het college van gedeputeerde staten.

    Voorts heeft de raad gewezen op de Beleidsregel windmolens ter onderbouwing van zijn standpunt dat de desbetreffende windturbines binnen de planperiode zullen worden verwijderd. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 8] dat de artikelen 4.1.1 en 4.1.2 van de Beleidsregel windmolens er uitsluitend toe strekken om geen nieuwe windturbines te realiseren, onderscheidenlijk toestaan dat bestaande windturbines worden vervangen, overweegt de Afdeling als volgt. De artikelen 4.1.1 en 4.1.2 van de Beleidsregel windmolens verplichten er niet toe dat de windturbines van [appellante sub 1], [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] onder het overgangsrecht worden gebracht. De raad heeft echter terecht betoogd dat in de Beleidsregel windmolens een regeling is opgenomen die er toe strekt dat nieuwe windturbines slechts mogen worden opgericht als deze tegelijkertijd een equivalent bestaande windturbines vervangen. Het RIP is er concreet op gericht om de 221 windturbines die momenteel in het plangebied aanwezig zijn te vervangen door 93 nieuwe turbines.

    Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 7] dat er weinig draagvlak is onder de eigenaren van de windturbines voor het plan van de raad om de windturbines te verwijderen, overweegt de Afdeling dat die omstandigheid er niet toe leidt dat de windturbines niet kunnen worden verwijderd. Voor onteigening is namelijk geen toestemming van de eigenaren van de windturbines nodig. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] dat het plan niet uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling als volgt. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan is relevant dat een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. De raad heeft zich onbestreden op het standpunt gesteld dat alle kosten voor eventuele onteigening worden verhaald op de "Ontwikkelvereniging Zeewolde", omdat dit kosten betreft voor het project die onderdeel zijn van de exploitatie door de "Ontwikkelvereniging Zeewolde". De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.

    [appellant sub 7] heeft aangevoerd dat de benodigde toestemming van het Rijk, Schiphol en Defensie voor de aanleg van het Windpark Zeewolde nog niet zijn verleend, waardoor onzeker is of dit project doorgang zal vinden. De Afdeling overweegt dat in deze procedure het bestemmingsplan voorligt. Dit is niet het plan waarin het Windpark Zeewolde wordt mogelijk gemaakt. De raad heeft overigens ter zitting onbestreden gesteld dat het Rijk, waaronder het Ministerie van Defensie, en Schiphol thans geen bezwaren naar voren hebben gebracht tegen het Windpark Zeewolde als zodanig. Gelet hierop ziet de Afdeling niet in dat de raad er bij zijn besluitvorming niet van mocht uitgaan dat het Windpark Zeewolde zal worden gerealiseerd. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 8] dat haar windturbine wellicht niet wordt verwijderd omdat die binnen het gebied ligt dat is aangewezen om ontwikkeld te worden tot Windpark Zeewolde, overweegt de Afdeling als volgt. Weliswaar staat de windturbine van [appellante sub 8] in het gebied dat is aangewezen om ontwikkeld te worden tot Windpark Zeewolde, maar het is de bedoeling dat de nieuwe windturbines veel groter worden en meer energie kunnen opwekken. De raad heeft hierover onbestreden ter zitting gesteld dat het voorziene type windturbine met een ashoogte van 100 -120 m de schaal van het agrarisch erf ontstijgt. Gelet hierop is het niet aannemelijk geworden dat de windturbine van [appellante sub 8] niet wordt verwijderd.

    In het kader van de vaststelling van de Partiële herziening, de Beleidsregel windmolens, de Noodverordening, het RIP, het Regioplan en dit plan is een afweging gemaakt. Hierbij is doorslaggevend gewicht toegekend aan het belang dat is gediend bij het realiseren van het Windpark Zeewolde. [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en [appellante sub 8] miskennen met hun stelling dat het met het oog op de door het Rijk gewenste doelstelling van duurzame energie ongewenst is dat hun windturbines moeten worden verwijderd, dat nieuwe windturbines worden gebouwd waarbij het opgesteld vermogen van de nieuwe windturbines toeneemt ten opzichte van het opgestelde vermogen van de te saneren windturbines. Dat er nog meer duurzame energie kan worden opgewekt indien de bestaande windturbines blijven behouden naast het Windpark Zeewolde, is inderdaad juist. De raad heeft echter een belangenafweging gemaakt over het behoud van bestaande windturbines naast toekomstige windturbines. Hierbij heeft hij ervoor gekozen de windturbines die in dit plan onder het overgangsrecht zijn gebracht, te saneren omdat op die manier verrommeling van het landschap door deze windturbines wordt tegengaan en de ruimtelijke uitstraling van het gebied verbetert. Dit betekent echter niet dat de belangen van de betrokken ondernemers niet bij de vaststelling van voornoemde besluiten zijn betrokken. De raad heeft ter zitting onbestreden gesteld dat de huidige eigenaren de mogelijkheid is geboden om te participeren in het project Windpark Zeewolde. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid op andere wijze rekening had moeten houden met de belangen van de betrokken ondernemers.

    Over de door [appellante sub 8] gemaakte vergelijking met de lijnopstellingen aan de Sternweg en in de Zuidlob die wel als zodanig zijn bestemd, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Hiertoe heeft de raad onbestreden gesteld dat de lijnopstellingen Sternweg en Zuidlob na 2008 als pilot voor het Windpark Zeewolde zijn gerealiseerd en hierdoor buiten de doelstelling van het beleid voor opschalen en saneren vallen. Ook vallen deze lijnopstellingen buiten het plangebied van het regioplan. In hetgeen [appellante sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 8] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

    Gelet op de vastgestelde algemeen verbindende voorschriften en het beleid die tot doel hebben dat de desbetreffende windturbines binnen de planperiode worden verwijderd, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat concreet zicht bestaat op verwijdering van de desbetreffende windturbines binnen de planperiode. Om die reden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de windturbines ten onrechte onder het overgangsrecht heeft gebracht.

    Het betoog faalt.

6.8.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2629, overwogen dat de raad kan overwegen een beëindigingsregeling voor windturbines in het plan op te nemen indien het niet aannemelijk is dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van de windturbines. Nu in dit geval wel concreet zicht op de verwijdering van de windturbines bestaat, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft gekozen voor het achterwege laten van een beëindigingsregeling voor windturbines.

    Het betoog faalt.

7.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] en anderen ongegrond. Ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Overige beroepsgrond [appellant sub 6] en anderen

8.    [appellant sub 6] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 6] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

    Het betoog faalt.

9.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] en anderen ongegrond. Ten aanzien van [appellant sub 6] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Overige beroepsgrond [appellant sub 7]

10.    [appellant sub 7] richt zich voorts tegen het bestemmingsplan "Oosterwold" dat betrekking heeft op een gebied in de nabijheid van het perceel van [appellant sub 7]. Hij betoogt dat hij in zijn bedrijfsuitvoering wordt belemmerd door de woningen die in dit plan zijn toegelaten.

10.1.    De Afdeling overweegt dat het bestemmingsplan "Oosterwold" niet in deze procedure voorligt. Dit plan kan daarom niet in deze procedure worden beoordeeld. Om die reden moet deze beroepsgrond buiten inhoudelijke bespreking blijven.

    Het betoog faalt.

11.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond. Ten aanzien van [appellant sub 7] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Overige beroepsgrond [appellante sub 8]

12.    [appellante sub 8] richt zich voorts tegen het plandeel ter plaatse van de [locatie 1], waar zij een agrarisch bedrijf exploiteert. [appellante sub 8] voert aan dat in dit plan ten onrechte het bouwvlak niet met 2,5 ha is vergroot. De vergroting van het bouwvlak is namelijk nodig zodat [appellante sub 8] in de toekomst ruimte heeft om een mechanisch gekoelde kistenbewaarplaats en een potstal voor het houden van vee te realiseren, aldus [appellante sub 8].

12.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat bij het bestemmen van agrarische bouwpercelen de bestaande feitelijke en legale situatie het uitgangspunt is. Om een goede ruimtelijke afweging te kunnen maken en randvoorwaarden te kunnen stellen, moet er sprake zijn van een concreet plan. De raad acht het ongewenst om op voorhand ruimte te reserveren voor toekomstige ontwikkelingen.

12.2.    In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een voldoende concreet initiatief. De raad heeft in redelijkheid geen rekening hoeven houden met het initiatief nu dit onvoldoende concreet is.

    Het betoog faalt.

13.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 8] ongegrond. Ten aanzien van [appellante sub 8] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beroepsgronden van [appellante sub 2]

14.    [appellante sub 2] exploiteert een agrarisch bedrijf ter plaatse van de percelen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4]. Op de percelen [locatie 2] en [locatie 4] staan woningen die door derden worden bewoond. [appellante sub 2] richt zich tegen de bestemming "Wonen" ter plaatse van die percelen.

15.    [appellante sub 2] betoogt dat de raad heeft beoogd om de woningen op de percelen [locatie 2] en [locatie 4] als plattelandswoning te bestemmen, maar dat dit in het plan onjuist is geregeld. Hiertoe voert hij aan dat ten onrechte de bestemming "Wonen" met de aanduiding "plattelandswoning" is toegekend. De woningen moeten namelijk binnen de agrarische bestemming worden opgenomen om te kunnen worden aangemerkt als plattelandswoning, aldus [appellante sub 2].

15.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat aan de bestreden plandelen de bestemming "Wonen" is toegekend, omdat de gronden ter plaatse van deze plandelen voor woondoeleinden en niet voor agrarische doeleinden worden gebruikt. Om duidelijk te maken dat deze woningen voormalige agrarische bedrijfswoningen zijn waarvan de eerder bijbehorende agrarische inrichting nog als zodanig functioneert, is de aanduiding "plattelandswoning" toegekend, aldus de raad.

15.2.    Aan de plandelen ter plaatse van de percelen [locatie 2] en [locatie 4] is de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" toegekend.

15.3.    De raad heeft beoogd om de twee woningen op de percelen [locatie 2] en [locatie 4] te bestemmen als zogenoemde "plattelandswoningen". [appellante sub 2] heeft geen bezwaar tegen het aanduiden van deze woningen als plattelandswoning. Wat partijen verdeeld houdt is of de woningen door het toekennen van de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" zijn bestemd op een wijze waardoor de woningen door derden mogen worden bewoond, terwijl die niet worden beschermd tegen milieugevolgen van de landbouwinrichting waartoe zij voorheen behoorden. Anders dan [appellante sub 2] betoogt is hiervoor niet vereist dat de bestemming "Agrarisch" aan de desbetreffende plandelen wordt toegekend. Ook hoeven de twee woningen op de percelen [locatie 2] en [locatie 4] niet in hetzelfde bouwvlak te liggen als het bedrijf van [appellante sub 2]. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het planologisch verband tussen deze woningen en de landbouwinrichting waartoe deze voorheen behoorden, blijkt doordat de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" is toegekend aan het plandeel ter plaatse van de woningen. Ook wijst de raad er op dat de woning op het perceel [locatie 2] aan de ene kant van de weg ligt grenzend aan het perceel waarop de landbouwinrichting staat waartoe deze voorheen behoorde en de woning op het perceel [locatie 4] aan de andere kant van de weg staat grenzend aan het perceel waarop de landbouwinrichting staat waartoe deze voorheen behoorde. Daardoor blijkt uit de feitelijke ligging bij welke landbouwinrichting de woningen voorheen behoorden. In de omgeving is aan geen andere plandelen de aanduiding "specifieke vorm van  wonen - plattelandswoning" toegekend. Gelet op deze omstandigheden kan volgens de raad geen verwarring ontstaan over het antwoord op de vraag bij welke landbouwinrichting de plattelandswoningen op de percelen [locatie 2] en [locatie 4] voorheen behoorden. De Afdeling acht dit juist. De desbetreffende woningen zijn in dit geval derhalve door het toekennen van de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" bestemd op een wijze waardoor die woningen door derden mogen worden bewoond, zonder volledige bescherming tegen milieugevolgen van de landbouwinrichting waartoe zij voorheen behoorden.

    Het betoog faalt.

16.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] ongegrond. Ten aanzien van [appellante sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beroepsgronden AROZ Landbouw

17.    AROZ Landbouw is eigenaar van het perceel Gruttoweg 29. Zij richt zich tegen de bestemming "Wonen" die aan het plandeel ter plaatse van dit perceel is toegekend. Zij betoogt dat de bestemming "Agrarisch" ten onrechte niet is toegekend aan dit plandeel. Hiertoe voert zij aan dat het perceel op dit moment in gebruik is ten behoeve van een akkerbouwbedrijf. Ook voert zij aan dat het perceel met bedrijfsgebouwen vanaf 2020 door een agrarisch melkveehouderijbedrijf zal worden geëxploiteerd.

17.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Wonen" is toegekend, omdat deze bestemming in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Ter plaatse van het bestreden plandeel is geen legaal aanwezig landbouwbedrijf gevestigd, aldus de raad.

17.2.    Aan het plandeel ter plaatse van het perceel Gruttoweg 29 is de bestemming "Wonen" toegekend. De Afdeling stelt vast dat het door AROZ Landbouw gewenste agrarische gebruik van het perceel Gruttoweg 29 ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" niet is toegestaan ingevolge artikel 25, lid 25.1, van de planregels. Vast staat dat aan het desbetreffende plandeel in het voorheen geldende plan een agrarische bestemming was toegekend. De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij het voorbereiden van dit plan een inventarisatie heeft plaatsgevonden waaruit bleek dat het perceel op dat moment niet voor agrarische doeleinden werd gebruikt. AROZ Landbouw betwist dit en betoogt dat de schuren op het perceel worden gebruikt voor de opslag van aardappels en uien. Ook heeft AROZ Landbouw onbestreden gesteld dat is beoogd om dit perceel in 2020 samen te voegen met de omliggende agrarische percelen waarover al contracten zijn afgesloten. De raad heeft terecht betoogd dat het gebruik van de schuren voor de opslag van akkerbouwproducten is toegestaan ingevolge artikel 25, lid 25.1, onder e, van de planregels. De raad heeft echter naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom de bestemming "Wonen" is toegekend gelet op de omstandigheden dat voorheen een agrarische bestemming was toegekend, de schuren op het moment van het bestreden besluit werden gebruikt voor de opslag van akkerbouwproducten en de intentie bestaat - hetgeen bij de raad bekend was - om binnen de planperiode dit perceel samen te voegen met de omliggende agrarische percelen waarbij het agrarisch gebruik wordt voortgezet.

    Het betoog slaagt.

18.    In hetgeen AROZ Landbouw heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Gruttoweg 29, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

19.    Ten aanzien van AROZ Landbouw dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beroepsgronden [appellant sub 5]

Inleiding

20.    [appellant sub 5] exploiteert een bedrijf op de percelen [locatie 5]-[locatie 6]. Hij richt zich tegen het plandeel ter plaatse van dat perceel. [appellant sub 5] wenst ter plaatse meer bouwmogelijkheden. Voorts wenst hij een groter plandeel met een bedrijfsbestemming.

Beroepsgronden tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de percelen [locatie 5]-[locatie 6]

21.    [appellant sub 5] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de percelen [locatie 5]-[locatie 6]. Hij betoogt dat ten onrechte niet bij recht 15% meer oppervlakte voor bedrijfsgebouwen en overkappingen is toegestaan. In dit verband voert hij aan dat aan de voorschriften zoals opgenomen in artikel 5, lid 5.3.1, van de planregels wordt voldaan.

21.1.    Aan het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 5]-[locatie 6] is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (m2) = 15000" toegekend.

21.2.    Over het toestaan van 15% meer oppervlakte voor bedrijfsgebouwen en overkappingen ter plaatse van het bestreden plandeel heeft de raad een belangenafweging gemaakt. Daarbij heeft hij het belang van [appellant sub 5] bij meer oppervlakte voor bedrijfsgebouwen en het ruimtelijk aanzien van de omgeving waarin de percelen van [appellant sub 5] liggen, betrokken. De raad heeft een zwaarder gewicht toegekend aan het belang dat is betrokken bij het ruimtelijk aanzien van de omgeving. In dit verband heeft de raad onbestreden gesteld dat het bedrijf van [appellant sub 5] in het buitengebied ligt waar een terughoudend beleid geldt ten aanzien van de toegestane bebouwing voor niet-agrarische bedrijven. Weliswaar is in artikel 5, lid 5.3.1, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waardoor met een omgevingsvergunning het maximum bebouwd oppervlak van de bedrijfsgebouwen en overkappingen met 15% kan worden vergroot, maar dit betekent volgens de raad niet dat thans aanleiding bestaat om dit bij recht toe te staan ter plaatse van het bestreden plandeel. In dit verband voert de raad aan dat op deze locatie recent in het kader van het natuurproject "Kop van Horsterwold" een uitbreiding met ongeveer 5.000 m2 caravanstalling is gerealiseerd. Gelet op voornoemde omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad er in redelijkheid van heeft kunnen afzien om bij recht 15% meer oppervlakte voor bedrijfsgebouwen en overkappingen toe te staan ter plaatse van het bestreden plandeel.

    Het betoog faalt.

Beroepsgronden tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de percelen [locatie 5]-[locatie 6]

22.    Voorts richt [appellant sub 5] zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ten zuidwesten van het plandeel met de bestemming "Bedrijf". Hij betoogt dat aan dat plandeel ten onrechte niet de bestemming "Bedrijf" is toegekend. In dit verband licht hij toe dat een grondruil heeft plaatsgevonden met Staatsbosbeheer. Hierbij heeft [appellant sub 5] een perceel dat ten zuiden ligt van het bedrijfsperceel met een grootte van ongeveer 26.435 m2 en Staatsbosbeheer een perceel dat ten westen van het bedrijfsperceel ligt met een oppervlak van circa 13.196 m2 ingebracht. [appellant sub 5] betoogt dat de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat planologisch medewerking zou worden verleend aan de door hem gewenste bestemmingswijziging. In dit verband wijst hij op het besluit van 9 november 2010 van het college van burgemeester en wethouders waarbij is besloten om medewerking te verlenen aan de bouw van een loods ten behoeve van de caravanstalling van ongeveer 5.000 m2. Ook voert hij aan dat het de intentie van partijen is geweest om aan het gehele perceel dat [appellant sub 5] verkreeg een bedrijfsbestemming toe te kennen, zodat hij ter plaatse een loods met een oppervlak van ongeveer 5.000 m2 kan realiseren. In dit verband wijst hij op enkele hierna te bespreken brieven. Voorts voert [appellant sub 5] aan dat hij de caravanopslag die hij mag bouwen op grond van het plan, niet kan bouwen zonder het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan de desbetreffende plandelen.

22.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van enige toezegging dat het desbetreffende plandeel een bedrijfsbestemming zou krijgen. Wel is medewerking verleend aan het planologisch toestaan van een caravanstalling van ongeveer 5.000 m2 ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Bedrijf". Een verdere uitbreiding van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" acht de raad ongewenst. In dit verband wijst hij op het nadelige effect dat een verdere uitbreiding van het bedrijf kan hebben op de natuur die is voorzien grenzend aan de percelen van [appellant sub 5].

22.2.    In het advies aan het college van burgemeester en wethouders van 2 november 2010 wordt geadviseerd over de beslispunten:

1. In principe bereid te zijn mee te werken aan een vergroting van het bestemmingsvlak voor de [locatie 5]-[locatie 6], gecombineerd met de benodigde grondruil.

2. Medewerking te verlenen onder de voorwaarde dat er niet meer EHS wordt gecompenseerd dan benodigd overeenkomstig de Spelregels EHS.

3. Medewerking te verlenen onder de voorwaarde dat er een definitieve uitspraak ligt van de ministerraad of het college van gedeputeerde staten dat het project Oostvaarderswold uitgevoerd gaat worden. Hierin staat dat vanuit de provincie het verzoek kwam of de gemeente kon instemmen met een nieuw te realiseren schuur naast, en met een oppervlak gelijk aan, de tweede bestaande opslagloodsen (ongeveer 5.000 m2). Informeel is aangegeven dat dit tot de mogelijkheden behoort aangezien de bestaande rechten en uitbreidingsmogelijkheden ongeveer 3.500 m2 bedragen (2.000 m2 toegezegde verplaatsing en 1.500 m2 uitbreiding bestaande opslagloodsen op basis van het geldende bestemmingsplan). Dit alles onder de voorwaarde dat er een natuurverbinding zou worden gerealiseerd tussen het Priembos en het Oostvaarderswold.

22.3.    In de brief van 4 augustus 2011 afkomstig van het college van burgemeester en wethouders, staat dat het college op zich geen bezwaar heeft tegen het passeren van de akte waarbij de grondruil tussen Staatsbosbeheer en [appellant sub 5] een feit wordt.

22.4.    In de brief van 3 mei 2012 afkomstig van de directeur Staatsbosbeheer, staat dat de directeur van Staatsbosbeheer toestemming geeft om een gezamenlijke aanvraag te doen voor een planologische wijziging van het bestemmingsplan. Bij deze wijziging bestaat voor [appellant sub 5] de mogelijkheid om op het perceel [locatie 5] en [locatie 6] een uitbreiding van de stallingsruimte te creëren door de bestemming te wijzigen in "Bedrijf". De Staatsbosbeheergronden (op de naastgelegen locatie) worden gewijzigd in de bestemming "Natuur".

22.5.    In de brief van 20 juni 2012 afkomstig van het college van burgemeester en wethouders staat dat aan [appellant sub 5] is toegezegd dat meegewerkt zou worden aan herziening van het bestemmingsplan om zijn bedrijf aan de [locatie 5] en [locatie 6] in westelijke richting uit te breiden om zijn bedrijfsbebouwing uit te kunnen breiden in ruil voor het bestemmen van agrarische gronden tot natuurgronden op het zuidelijk deel van dit perceel. Aan deze toezegging zijn voorwaarden verbonden. Er wordt voldaan aan de voorwaarde met betrekking tot de eigendomssituatie van de grond. Een andere voorwaarde betreft de realisatie van het Oostvaarderswold. Er is grote onduidelijkheid over realisatie van het Oostvaarderswold. Het provinciale inpassingsplan, dat het ruimtelijk kader hiervoor vormde, is in hoogste instantie vernietigd. Verder heeft het Rijk aangegeven geen gelden meer beschikbaar te stellen voor volledige realisatie van dit gebied. Provinciale Staten hebben vervolgens besloten om in een open planproces met alle betrokkenen tot een nieuwe gebiedsinrichting te komen en zullen eind december 2012 hieromtrent een besluit nemen. Zolang niet vaststaat dat het perceel [locatie 7] een natuurbestemming ten behoeve van Oostvaarderswold krijgt zal de gemeenteraad niet worden geadviseerd mee te werken aan een bestemmingsplanherziening om bedrijfsbebouwing, bij de [locatie 5] en [locatie 6], ten behoeve van caravanstalling mogelijk te maken.

22.6.    Tussen partijen is niet in geschil dat de raad planologisch medewerking zou verlenen aan het realiseren van een caravanstalling met een oppervlak van ongeveer 5.000 m2. Deze intentie volgt eveneens uit de brief van 20 juni 2012. De raad voert aan dat planologische medewerking is verleend door in het plan het toegestane oppervlak voor bedrijfsbebouwing en overkappingen te vergroten naar 15.000 m2 en de aanduiding "caravanstalling" toe te kennen aan het westelijke deel van het plandeel met de bestemming "Bedrijf". De Afdeling stelt vast dat ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "caravanstalling" een caravanstalling is toegestaan mits het totale oppervlak voor bedrijfsbebouwing en overkappingen niet groter wordt dan 15.000 m2. De Afdeling stelt vast dat de raad derhalve planologisch medewerking heeft verleend aan het realiseren van een caravanstalling. Voorts stelt de Afdeling vast dat de bestemming "Bedrijf" is toegekend aan een plandeel met een oppervlak van ongeveer 27.000 m2. [appellant sub 5] heeft niet toegelicht waarom hij ondanks deze omvang van dit plandeel, de caravanopslag niet kan bouwen. Gelet op de omvang van dit plandeel acht de Afdeling niet aannemelijk dat [appellant sub 5] de caravanopslag niet kan bouwen zonder het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan de gronden ten westen van het bedrijfsperceel waaraan de bestemming "Bos - Natuur" is toegekend.

     In de brieven en het advies wordt geschreven over het verlenen van medewerking aan het realiseren van een opslag voor caravans. In de brieven staat niet dat aan specifiek het bestreden plandeel een bedrijfsbestemming zou worden toegekend. Er zijn derhalve naar het oordeel van de Afdeling geen gerechtvaardigde verwachtingen gewekt waaraan de raad meer gewicht had moeten toekennen dan dat hij heeft gedaan. Gelet op het voorgaande bestaat in zoverre in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een andere bestemming dan "Bedrijf" heeft kunnen toekennen aan het bestreden plandeel.

    Het betoog faalt.

23.    [appellant sub 5] voert voorts aan dat de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het bestreden plandeel niet uitvoerbaar is. In dit verband voert hij aan dat de gronden ter plaatse van dit plandeel thans niet worden gebruikt overeenkomstig het gebruik dat is toegestaan binnen de bestemming "Agrarisch". Ook voert hij aan dat het westelijke plandeel een breedte heeft van slechts 6,5 m en het oostelijke plandeel een breedte heeft van slechts 23 m waardoor het onmogelijk is om de gronden ter plaatse voor agrarische doeleinden te gebruiken.

23.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat hij de bestemming "Agrarisch" heeft overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Hij voert aan dat hij handhavend zal optreden tegen gebruik dat in strijd is met de toegekende bestemming.

23.2.    Aan de gronden rondom de bestemming "Bedrijf" is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Het westelijke plandeel met de bestemming "Agrarisch" heeft een breedte van ongeveer 6,5 m. Het oostelijke plandeel met de bestemming "Agrarisch" heeft een breedte van ongeveer 23 m.

23.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat deze gronden in gebruik zijn als parkeerterrein, verharding, erf en tuin behorend bij de bedrijfswoning. De Afdeling stelt vast dat dit geen gebruik betreft dat is toegestaan binnen de bestemming "Agrarisch".

    De Afdeling stelt voorop dat een bestemmingsplan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar moet kunnen worden uitgevoerd, hetgeen betekent dat de toegekende bestemmingen binnen die termijn moeten kunnen worden verwezenlijkt. Het is in strijd is met een goede ruimtelijke ordening om een bestemming toe te kennen aan gronden als het niet aannemelijk is dat deze bestemming binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt.

    In dit verband overweegt de Afdeling dat bij de bestemming "Agrarisch" het hoofdgebruik dat is opgenomen in artikel 3, lid 3.1, onder a tot en met f, van de planregels alleen is toegestaan ter plaatse van een specifieke aanduiding. Een dergelijke aanduiding is aan het bestreden plandeel niet toegekend, waardoor dergelijk gebruik niet mogelijk is. Ter plaatse van het bestreden plandeel is daardoor alleen het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, waaronder begrepen het beeld van agrarische bebouwing binnen de randbeplanting en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschapselementen die als oriëntatie- en herkenningspunten aanwezig zijn, toegestaan. Gelet echter op de aangrenzende bedrijfs- en bosbestemming en de relatief kleine oppervlakte van de desbetreffende plandelen heeft [appellant sub 5] terecht aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat de gronden ter plaatse van het bestreden plandeel op een dergelijke wijze kunnen worden gebruikt. Voor zover de raad ter zitting heeft betoogd dat gebruik zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.1, onder i tot en met aa, van de planregels mogelijk is ter plaatse van het bestreden plandeel, overweegt de Afdeling dat dergelijk gebruik alleen is toegestaan ondergeschikt onderscheidenlijk behorend bij gebruik zoals opgesomd in artikel 3, lid 3.1, onder a tot en met h, van de planregels. Nu niet aannemelijk is dat gebruik overeenkomstig artikel 3, lid 3.1, onder a tot en met h, van de planregels ter plaatse mogelijk is, kan het perceel eveneens niet worden gebruikt overeenkomstig artikel 3, lid 3.1, onder i tot en met aa, van de planregels. Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 5] terecht betoogd dat het niet aannemelijk is dat de bestemming "Agrarisch" binnen de planperiode wordt verwezenlijkt ter plaatse van het bestreden plandeel. Om die reden is de Afdeling van oordeel dat de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het bestreden plandeel is toegekend in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Anders dan [appellant sub 5] betoogt, betekent dit niet dat de raad de bestemming "Bedrijf" moet toekennen aan het bestreden plandeel, maar wel dat de raad een passende bestemming moet toekennen.

    Het betoog slaagt.

Conclusie ten aanzien van het beroep van [appellant sub 5]

24.    In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de percelen [locatie 5]-[locatie 6], is genomen in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de raad opdragen om binnen 26 weken op dit punt een nieuw besluit te nemen.

25.    Ten aanzien van [appellant sub 5] dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van AROZ Landbouw B.V. en [appellant sub 5] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zeewolde van 29 september 2016 waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" is vastgesteld, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Gruttoweg 29,

b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de percelen [locatie 5]-[locatie 6];

III.    draagt de raad van de gemeente Zeewolde op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen voor het vernietigde plandeel zoals omschreven onder II, sub b, een nieuw besluit te nemen en dit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3] en anderen, [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Zeewolde tot vergoeding van bij AROZ Landbouw B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Zeewolde tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Zeewolde aan AROZ Landbouw B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt;

gelast dat de raad van de gemeente Zeewolde aan [appellant sub 5] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W.A.M.M. Delauw, griffier.

w.g. Hagen

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

812. BIJLAGE

* Bij rechtsoverweging 6.7

Planregels

Bestemming "Bos - Natuur"

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Bos - Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bosbeheer en houtproductie.

8.2 Bouwregels

8.2.3 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken geldt de volgende regel:

a. er zullen geen bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie en reclamemasten worden gebouwd.

Overgangsrecht

43.1 Overgangsrecht bouwwerken

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Noodverordening

Artikel 2.3

Het is verboden om voor de realisatie van windmolens een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd te verstrekken. Dit houdt in dat aan een omgevingsvergunning voor een nieuwe windmolen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

- de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die maximaal 25 jaar bedraagt en;

- na het verstrijken van die bepaalde termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld dan wel moet de situatie in overeenstemming met het bestemmingsplan worden gebracht, inhoudende dat de windmolen wordt gesloopt.

Artikel 5.1

1. Gedeputeerde staten kunnen - gehoord hebbende de Statencommissie - ambtshalve of op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente een of meer bepalingen van deze verordening buiten toepassing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan voor zover toepassing gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een belanghebbende en voorzover de verordening niet in een ontheffingsmogelijkheid voorziet.

Beleidsregel windmolens

Artikel 4.1.1

Nieuwe windmolenopstellingen worden alleen toegestaan:

a. als daartoe een projectplan als bedoeld in artikel 4.4 bij de betrokken gemeente is ingediend;

b. als een financiële of andere bijdrage aan gebiedsgebonden projecten in het gebied van de opstelling of directe omgeving ervan geleverd wordt;

c. als in het projectplan een landschapsontwerp als bedoeld in artikel 4.5 is opgenomen.

Artikel 4.1.2

Nieuwe windmolenopstellingen worden alleen toegestaan als deze één of meer bestaande opstelling(en) vervangen die zijn gerealiseerd volgens het windenergiebeleid dat gold tot 9 juni 2005. Tot de gerealiseerde opstellingen behoren ook de opstellingen die zijn/worden gerealiseerd onder de uitzonderingsregel van het besluit van Provinciale Staten van 9 juni 2005 "Tijdelijke stop plaatsing windmolens".

Artikel 4.1.6

Nieuwe windmolens worden alleen toegestaan wanneer deze tegelijkertijd een equivalent bestaande windmolens vervangen.

Artikel 4.1.10

Binnen een half jaar na oplevering van de nieuwe vervangende windmolenopstelling dienen de bestaande windmolens, die door de opstelling vervangen worden, geamoveerd te zijn.

* Bij rechtsoverweging 15.3

Planregels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.83 plattelandswoning: een woonhuis in de vorm van een voormalige agrarische bedrijfswoning, die bewoond mag worden door een persoon of diens huishouden die geen functionele binding heeft met het nabijgelegen agrarisch bedrijf, waartoe het woonhuis in het verleden als bedrijfswoning heeft behoord.

Bestemming "Wonen"

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

b. woonhuizen met bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, welke zijn genoemd in Bijlage 3, en/of mantelzorg op de wijze van een plattelandswoning, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning".

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 1.1a

1. Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

* Bij rechtsoverweging 17.2

Planregels

Bestemming "Wonen"

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woonhuizen met bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, welke zijn genoemd in Bijlage 3, en/of mantelzorg, alsmede in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor:

1. caravanstalling, ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling";

2. bed & breakfast, ter plaatse van de aanduiding "bed & breakfast";

b. woonhuizen met bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, welke zijn genoemd in Bijlage 3, en/of mantelzorg op de wijze van een plattelandswoning, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning";

met daaraan ondergeschikt:

c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het beeld van bebouwing binnen de randbeplanting;

d. statische opslag in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing;

e. tijdelijke opslag van akkerbouwproducten gedurende de oogstperiode;

f. kleinschalige duurzame energieopwekking;

g. nutsvoorzieningen;

h. wegen en paden;

i. water;

met de daarbij behorende:

j. tuinen, erven en terreinen;

k. andere bouwwerken.

* Bij rechtsoverweging 21.2

Planregels

Bestemming "Bedrijf"

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijfsgebouwen en overkappingen, ten behoeve van bedrijven, welke zijn genoemd in Bijlage 2, […]

met de daarbij behorende:

g. bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen , al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, welke zijn genoemd in Bijlage 3, en/of mantelzorg […].

5.2 Bouwregels

5.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van de in 5.1, onder a en g, bedoelde bouwwerken gelden de volgende regels:

b. de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en overkappingen zal per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan de ter plaatse aangegeven "maximum bebouwd oppervlak (m²)".

5.3 Afwijken van de bouwregels

5.3.1 Vergroten oppervlakte bedrijfsgebouwen en overkappingen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.1, onder b, in die zin dat het maximum bebouwd oppervlak van de bedrijfsgebouwen en overkappingen met 15% wordt vergroot, mits:

a. met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast;

b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

* Bij rechtsoverweging 22.6

Planregels

Bestemming "Bedrijf"

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijfsgebouwen en overkappingen, ten behoeve van bedrijven, welke zijn genoemd in Bijlage 2, alsmede:

[…]

3. caravanstalling, ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling".

* Bij rechtsoverweging 23.3

Planregels

Bestemming "Agrarisch"

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het agrarisch grondgebruik, niet zijnde permanente bollenteelt of houtteelt, bosbouw, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen, tenzij fruitteelt of boomteelt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - fruit- en bomenteelt";

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch bedrijf";

c. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in combinatie met een intensieve neventak veehouderij, ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch bedrijf" en "specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij neventak";

d. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en/of intensieve veehouderij, ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch bedrijf" en "intensieve veehouderij";

e. de uitoefening van het agrarisch bedrijf als genoemd in 3.1 onder b, c of d in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor:

1. caravanstalling, ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling";

2. een algenkwekerijbedrijf , ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - algenkwekerij";

3. bed & breakfast, ter plaatse van de aanduiding "bed & breakfast";

4. zuivelverwerking, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - zuivelverwerking";

5. een paardenhouderij, ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij";

6. een atelier, ter plaatse van de aanduiding "atelier";

7. logieshuisvesting door seizoensarbeiders, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - seizoensarbeiders";

8. een madenkwekerij, ter plaatse van de aanduiding "intensieve kwekerij";

9. een agrarisch zaadveredelingsbedrijf, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veredelingsbedrijf";

10. verhuur van paardenboxen, een activiteitenhal ten behoeve van de paardensport, 24-uurs zorg en dagopvang, logiesgebouwen, bakkerij, inclusief het malen van graan, een webwinkel, een stapmolen voor paarden en een stagiairverblijf, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - 1";

11. evenementen(theater), ter plaatse van de aanduiding "theater";

12. een hondenkennel, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hondenkennel";

13. agrarisch loonwerk, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch loonwerk";

14. zorgboerderij, ter plaatse van de aanduiding "zorgboerderij";

f. het bedrijfswonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch bedrijf";

g. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, waaronder begrepen het beeld van agrarische bebouwing binnen de randbeplanting;

h. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschapselementen, die als oriëntatie- en herkenningspunten aanwezig zijn;

met daaraan ondergeschikt:

i. een mestvergistingsinstallatie, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestvergisting";

j. een mestbassin, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin";

k. mestvergisting van mest afkomstig van en geproduceerd op het eigen agrarisch bedrijf in de vorm van boerderijvergisters;

l. kleinschalige duurzame energieopwekking;

m. nutsvoorzieningen;

n. extensief dagrecreatief medegebruik;

o. bestaande ontsluitingswegen en agrarische kavelpaden;

p. bestaande openbare fiets- en voetpaden;

q. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterberging;

r. verwerking van streekeigen producten al dan niet in combinatie met productiegebonden detailhandel;

s. een paardenweide, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenweide";

t. een tijdelijk parkeerterrein, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - tijdelijk parkeerterrein";

met de daarbij behorende:

u. bedrijfsgebouwen en overkappingen;

v. bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, welke zijn genoemd in Bijlage 3, en/of mantelzorg;

w. bestaande torensilo's;

x. teeltondersteunende kassen;

y. windturbine, ter plaatse van de aanduiding "windturbine";

z. tuinen, erven en terreinen ter plaatse van een bouwvlak;

aa. andere bouwwerken.