Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2272

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201606632/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft het dagelijks bestuur [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de zonder watervergunning aangebrachte grond/baggerspecie op het perceel kadastraal bekend WKMOO.H170 te It Heidenskip (hierna: het perceel), te verwijderen en de kade weer in oorspronkelijke staat terug te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606632/1/A1.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 juli 2016 in zaak nr. 15/4618 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Wetterskip Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft het dagelijks bestuur [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de zonder watervergunning aangebrachte grond/baggerspecie op het perceel kadastraal bekend WKMOO.H170 te It Heidenskip (hierna: het perceel), te verwijderen en de kade weer in oorspronkelijke staat terug te brengen.

Bij besluit van 29 september 2015 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar onder aanpassing van de motivering van de opgelegde last onder dwangsom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Stehouwer, advocaat te Groningen, vergezeld door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door drs. G. Jansen, ing. F. Sijsma, ing. J. Sipma en E. IJzerdoorn, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 6 februari 2014 is door een rayonbeheerder van het Wetterskip Fryslân geconstateerd dat [appellant] in de kern/beschermingszone van de boezemkade op het perceel een hoeveelheid grond/baggerspecie in de vorm van veengrond heeft gestort. Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 9 februari 2015 [appellant] een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij daarmee artikel 3.2, eerste lid, van de Keur Wetterskip Fryslân 2013 (hierna: de Keur) heeft overtreden.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet als overtreder is aan te merken ten aanzien van de veengrond die door het Wetterskip Fryslân zelf op het perceel is gestort. Onder verwijzing naar een door hem overgelegde luchtfoto stelt hij zich op het standpunt dat een deel van de kade in 2013 reeds was opgehoogd, maar niet door hem.

2.1.    Door het dagelijks bestuur zijn luchtfoto’s overgelegd van het perceel uit 2013 en 2014. Aan de hand van die luchtfoto’s heeft het dagelijks bestuur de situatie zoals deze was in 2013 vergeleken met de situatie in 2014. In 2013 zijn werkzaamheden in opdracht van het Wetterskip Fryslân aan de kade voltooid en is de grasmat op de kade ingezaaid. Op de luchtfoto uit 2014 blijkt dat na de werkzaamheden van het Wetterskip Fryslân en na het inzaaien er grond/baggerspecie in de kern/beschermingszone is gestort. Ter zitting is door [appellant] toegelicht dat dit grond/baggerspecie in de vorm van veengrond uit de op zijn perceel gegraven haven betreft. Deze grond/baggerspecie is echter niet waar te nemen op de luchtfoto uit 2013. Ter zitting is door het dagelijks bestuur toegelicht dat wat betreft de profielen F459 - F463 het in opdracht van het Wetterskip Fryslân uitgevoerde werkzaamheden aan de kade in 2013 reeds was voltooid. Gelet op het voorgaande betekent dit dat door het dagelijks bestuur aannemelijk is gemaakt dat de grond die op de luchtfoto uit 2014 is waar te nemen ter hoogte van voormelde profielen, de grond is die in opdracht van [appellant] in februari 2014 is gestort. Het dagelijks bestuur heeft [appellant] daarom terecht als overtreder aangemerkt voor zover het het storten van grond/baggerspecie op het perceel betreft, waarop de last onder dwangsom ziet. De door [appellant] overgelegde luchtfoto uit 2013 is geen reden voor een ander oordeel. Voor zover daarop zou zijn waar te nemen dat in opdracht van het Wetterskip Fryslân veengrond is gestort op het perceel, betreft het, zoals ter zitting door het dagelijks bestuur is toegelicht en door [appellant] niet is bestreden, anders dan de door [appellant] gestorte veengrond, veengrond ingepakt in klei. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellant] artikel 3.2, eerste lid, van de Keur heeft overtreden.

    Het betoog faalt.

3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur van handhavend optreden had moeten afzien, omdat er concreet zicht op legalisering bestaat, omdat voor het storten van de grond/baggerspecie op het perceel een watervergunning kan worden verleend. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte het dagelijks bestuur gevolgd in het niet onderbouwde standpunt dat veengrond niet erosiebestendig is en niet geschikt is als materiaal in een waterstaatswerk. Onder verwijzing naar een rapport van Hanselman Expertise van 28 september 2016 stelt [appellant] zich op het standpunt dat er geen waterstaatkundige noodzaak bestaat de gestorte grond te verwijderen.

4.1.    De rechtbank heeft terecht geen concreet zicht op legalisering aangenomen. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet voornemens is een watervergunning voor het storten van grond/baggerspecie in de vorm van veengrond op het perceel te verlenen omdat deze grond niet erosiebestendig is. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het dagelijks bestuur ingenomen en met redenen omklede standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door handhavend op te treden. Volgens hem heeft [medewerker], destijds werkzaam als toezichthouder voor het Wetterskip Fryslân, toen loonwerker [gemachtigde B] aan hem vroeg of hij de betreffende veengrond op het perceel mocht storten, dat niet verboden. Verder wijst hij erop dat de Commissie Behandeling Bezwaren Wetterskyp Fryslân (hierna: de bezwarencommissie) in haar advies heeft overwogen dat hij mocht afgaan op de uitlatingen van [medewerker] en dat het dagelijks bestuur dit advies in het besluit op bezwaar van 29 september 2015 heeft overgenomen. De rechtbank heeft daaraan ten onrechte geen waarde gehecht, aldus [appellant].

5.1.    [appellant] betoogt weliswaar terecht dat het dagelijks bestuur het advies van de bezwarencommissie, waarin is overwogen dat hij mocht afgaan op de uitlatingen van [medewerker], heeft overgenomen, maar dat leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen. In dat door het dagelijks bestuur overgenomen advies is immers ook overwogen dat door [medewerker] niet de uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat door het dagelijks bestuur een watervergunning voor de werkzaamheden zou worden verleend. De Afdeling is, gelet op de ter zitting bij de rechtbank door [medewerker] onder ede gegeven verklaring, met de rechtbank van oordeel dat door [medewerker] geen toestemming is gegeven voor het storten van grond/baggerspecie in de vorm van veengrond in de kern/beschermingszone. Bovendien is door [gemachtigde B], die bij het gesprek tussen [medewerker] en [appellant] aanwezig was, in een e-mail van 6 februari 2014 te kennen gegeven dat [medewerker] geen toestemming heeft gegeven om de grond/baggerspecie daar te storten. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel aangenomen.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, nu op het gehele tracé langs de Fluessen op zijn land achter de kade en in de beschermingszone, waaronder de profielen F456 tot en met F458, de afgelopen jaren een grote hoeveelheid veengrond is gestort, maar waartegen niet handhavend is opgetreden.

6.1.    In de schriftelijke uiteenzetting en ter zitting is door het dagelijks bestuur toegelicht waarom de door [appellant] genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met het onderhavige geval. Ten aanzien van het door [appellant] genoemde geval van baggerspecie afkomstig uit een gebaggerde en later gedempte sloot heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat, anders dan bij de door [appellant] gestorte veengrond, met deze grond de laagtes in de kade zijn aangevuld. Voor deze werkzaamheden was geen watervergunning nodig. Met betrekking tot het door [appellant] genoemde geval in de bocht bij de Inthiemasloot heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat dat geval niet vergelijkbaar is, omdat daar overeenkomstig het van toepassing zijnde bestek het onderwatertalud is aangetrokken om een steenbestorting aan te brengen en het vrijkomende materiaal ter plaatse boven en onder water is verspreid. Het door [appellant] genoemde geval dat betrekking heeft op grond afkomstig van een gegraven mestkelder is volgens het dagelijks bestuur evenmin vergelijkbaar met het onderhavige geval, nu het daar ging om het storten van grond vermengd met puin. [appellant] heeft voorts het geval genoemd van grond die was vrijgekomen na het graven van een vijverpartij. Het dagelijks bestuur heeft ten aanzien daarvan toegelicht dat voor zover daar ook sprake is van veengrond die in de kern/beschermingszone is gestort, zal worden onderzocht of ook daartegen handhavend zal worden opgetreden. In het door [appellant] aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat, anders dan volgt uit de door het dagelijks bestuur gegeven toelichting op de door hem genoemde gevallen, wel sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen. De rechtbank heeft derhalve terecht geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel aangenomen.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Van der Spoel

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

776.