Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201609004/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7936, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het college [wederpartij] ambtshalve uitgeschreven uit de basisregistratie personen (hierna: de brp) naar een adres in Indonesië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201609004/1/A3.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2016 in zaak nr. 16/1181 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het college [appellant] ambtshalve uitgeschreven uit de basisregistratie personen (hierna: de brp) naar een adres in Indonesië.

Bij besluit van 6 januari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.C. Vervorst, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In november 2014 heeft de Sociale Verzekeringsbank aan het college gemeld dat [appellant] met ingang van 1 juli 2014 is vertrokken naar Indonesië. Bij brief van 14 januari 2015 heeft het college [appellant] verzocht om zijn woonadres door te geven. Naar aanleiding van deze brief heeft de moeder van [appellant] telefonisch contact opgenomen met de gemeente. Bij brief van 30 maart 2015 heeft het college aan [appellant] laten weten het voornemen te hebben om bij zijn registratie in de brp als adres 'onbekend' te vermelden. Naar aanleiding van deze brief heeft de moeder van [appellant], daartoe gemachtigd door [appellant], een 'Aangifte emigratie' ingediend. Op deze aangifte staat dat [appellant] sinds 24 juni 2014 in Indonesië verblijft. Bij het besluit van 30 april 2015 heeft het college [appellant] uitgeschreven uit de brp van Albrandswaard en daarin vermeld dat hij is vertrokken naar het door hem op de aangifte vermelde adres in Indonesië. Bij brief van 4 mei 2015 heeft de advocaat van [appellant] de 'Aangifte emigratie' ingetrokken. Deze brief is aangemerkt als bezwaarschrift tegen het besluit van 30 april 2015. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] op grond van artikel 2.21 van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) diende te worden uitgeschreven uit de brp en dat zijn adres in Indonesië daarin diende te worden opgenomen, omdat hij langer dan twee derde van een jaar buiten Nederland verbleef.

Wettelijk kader

2. Artikel 1.1 van de Wet brp luidt als volgt:

"[…]

e. de ingeschrevene: degene ten aanzien van wie een persoonslijst in de basisregistratie is opgenomen;

f. de ingezetene: de ingeschrevene, die zijn adres heeft in een gemeente in Nederland, en op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van vertrek uit Nederland als actueel gegeven is opgenomen;

[…]"

Artikel 2.1 luidt als volgt:

"1 Deze afdeling [artikelen 2.1 tot en met 2.61] is van toepassing op personen die als ingezetene in de basisregistratie zijn of worden ingeschreven en op ingeschrevenen die op het moment van hun overlijden ingezetene waren.

[…]"

Artikel 2.21 luidt als volgt:

"1 Aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, worden gegevens betreffende het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland ontleend.

2 Indien de ingezetene in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

3 Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan."

Artikel 2.23 luidt als volgt:

"1 Indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 2.40 of artikel 2.41 van toepassing is, wordt op aangifte een briefadres opgenomen.

2 Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd ambtshalve een briefadres op te nemen indien het woonadres ontbreekt en geen aangifte wordt gedaan van een briefadres. Het college neemt ambtshalve geen briefadres op dan met instemming van de briefadresgever."

Artikel 2.43 luidt als volgt:

"1 De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.

[…]"

Beoordeling van het hoger beroep

3. [ appellant] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat hij wegens een noodsituatie in Indonesië verbleef. Hij stelt dat drie van zijn kinderen, die minderjarig zijn, in dat land verwaarloosd waren achtergelaten en op straat rondzwierven. Hij had de plicht om voor hen te zorgen. Het was daarom gerechtvaardigd dat hij in Indonesië verbleef. Hij had altijd de intentie om - samen met zijn kinderen - terug te keren naar Nederland en is dus niet naar Indonesië geëmigreerd. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij niet betwist dat hij in het jaar voorafgaand aan het besluit van 30 april 2015 langer dan twee derde van de tijd buiten Nederland heeft verbleven. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat bij de uitschrijving uit de brp geen plaats is voor een belangenafweging. Het college heeft ook onvoldoende onderzoek verricht, aldus [appellant].

3.1. Voor een inschrijving in de brp is bepalend waar iemand feitelijk verblijft. Als het gaat om verblijf in het buitenland, is op grond van artikel 2.21 van de Wet brp bepalend of iemand gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland verblijft. Met welk doel die persoon buiten Nederland verblijft, is daarbij niet relevant. Ook is niet relevant of die persoon van plan is om zich blijvend in het buitenland te vestigen, zolang duidelijk is dat aan voormeld criterium wordt voldaan. Voorts biedt voormelde bepaling, anders dan [appellant] aanvoert, geen ruimte voor een belangenafweging.

3.2. In het geval van [appellant] is dus niet relevant dat hij, naar hij stelt, genoodzaakt was om in Indonesië te verblijven omdat hij verplicht was om daar de zorg voor zijn kinderen op zich te nemen. Het college behoefde dan ook geen onderzoek te doen naar de redenen die [appellant] had voor zijn verblijf in Indonesië. Bepalend is dat [appellant] gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd in Indonesië verbleef. Dit feitelijke verblijf is door [appellant] erkend. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat dit niet in geschil is. Evenzeer terecht heeft de rechtbank overwogen dat het college met juistheid op grond van artikel 2.21 van de Wet brp het vertrek van [appellant] uit Nederland en zijn verblijf in Indonesië in de brp heeft geregistreerd.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem op een briefadres had moeten inschrijven.

4.1. [appellant] heeft het college niet verzocht om te worden ingeschreven op een briefadres. Los daarvan was inschrijving op een briefadres niet mogelijk. In artikel 2.23 van de Wet brp staat wanneer een briefadres in de brp kan worden opgenomen. Deze bepaling maakt deel uit van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de Wet brp. Ingevolge artikel 2.1 is deze afdeling, voor zover het niet-overleden personen betreft, slechts van toepassing op personen die als ingezetene in de basisregistratie zijn of worden ingeschreven. Indien het vertrek uit Nederland als actueel gegeven in de brp is opgenomen, voldoet de betrokken persoon niet aan de definitie van het begrip ingezetene, zoals die in artikel 1.1, aanhef en onder f, van de Wet brp is neergelegd. Deze situatie doet zich voor bij [appellant]. Uit de tekst van artikel 2.23 en uit het systeem van de Wet brp volgt voorts dat iemand - afgezien van de in artikel 2.40 en 2.41 bedoelde gevallen - slechts op een briefadres kan worden ingeschreven indien diegene op zich voldoet aan de vereisten voor inschrijving in de brp, maar geen woonadres heeft. [appellant] voldeed niet aan het vereiste inzake de tijd dat iemand in Nederland moet verblijven. De Wet brp bood daarom geen ruimte voor inschrijving op een briefadres. De beleidsregels van het college, neergelegd in de Regeling briefadres gemeente Albrandswaard, zouden daaraan niet kunnen afdoen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Verheij w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

640.