Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201606550/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:2718, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van [appellante] over het jaar 2013 herzien en vastgesteld op respectievelijk € 763,00 en € 1.152,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit proceskosten bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/881
JB 2017/161

Uitspraak

201606550/1/A2.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2016 in zaken nrs. 15/2174, 15/2175 en 16/157 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van [appellante] over het jaar 2013 herzien en vastgesteld op respectievelijk € 763,00 en € 1.152,00.

Bij besluit van 3 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen medegedeeld dat hij een dwangsom van € 30,00 aan [appellante] is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij onderscheiden besluiten van 11 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 13 februari 2015 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van [appellante] over 2013 vastgesteld op respectievelijk € 914,00 en € 1.325,00. Tevens zijn de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar vergoed tot een bedrag van € 490,00.

Bij besluit van 3 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 3 september 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard

Bij besluit van 16 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 3 oktober 2015 ingetrokken, het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2015 alsnog gegrond verklaard, medegedeeld dat hij een dwangsom van € 60,00 aan [appellante] is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en het verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

Bij uitspraak van 18 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2718, heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen de besluiten van 3 oktober 2015 en 16 januari 2016 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover hierbij een bedrag van € 60,00 is toegekend, de door de Belastingdienst/Toeslagen verschuldigde dwangsom vastgesteld op 2 x € 60,00, het beroep van [appellante] tegen de besluiten van 11 september 2015 ongegrond verklaard en het verzoek om de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de door [appellante] gemaakte proceskosten afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    In beroep en in hoger beroep zijn het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van [appellante] niet in geschil. [appellante] kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen voor zover daarbij het verzoek om de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten is afgewezen. Verder keert zij zich tegen de oordelen van de rechtbank over het geschil met de Belastingdienst/Toeslagen over de hoogte van de vergoeding voor de kosten, gemaakt in verband met de behandeling van de bezwaarschiften tegen het besluit van 13 februari 2015 en het besluit van 3 september 2015, en over de door de Belastingdienst/Toeslagen verschuldigde dwangsom.

Beroepsmatige rechtsbijstand

2.    Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt als volgt:

"1  De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

[…]"

    Vorenbedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb).

Artikel 1 van het Bpb luidt als volgt:

"Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, […]."

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. Zij voert aan dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1463, ten onrechte heeft overwogen dat haar gemachtigde, [gemachtigde], niet kan worden aangemerkt als een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Zij brengt naar voren dat in dit verband is vereist dat degene die beroepsmatig rechtsbijstand verleent over enige juridische scholing beschikt en dat [gemachtigde] aan die maatstaf voldoet. De rechtbank heeft ten onrechte een andere maatstaf gehanteerd, namelijk of de gemachtigde over toereikende juridische scholing beschikt, aldus [appellante].

3.1.    In de uitspraak van 9 oktober 2013 heeft de Afdeling eerder geoordeeld over de vraag of [gemachtigde] kan worden aangemerkt als een persoon die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. De Afdeling heeft in die uitspraak deze vraag ontkennend beantwoord en daartoe overwogen dat met de in die zaak overgelegde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat [gemachtigde] relevante juridische scholing heeft genoten om voor vergoeding in aanmerking komende rechtsbijstand te verlenen.

    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van 9 oktober 2013 en overwogen dat niet is gebleken dat [gemachtigde] na de uitspraak van de Afdeling verder of anders juridische scholing heeft genoten. De rechtbank heeft hiertoe in aanmerking genomen dat [gemachtigde] weliswaar te kennen heeft gegeven dat hij na de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013 een cursusmodule formeel belastingrecht heeft gevolgd, maar dat hij hiervan geen getuigschrift kan overleggen, omdat hij voor het afsluitend examen niet is geslaagd. Op grond hiervan is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat [gemachtigde] nog steeds toereikende scholing mist om te kunnen spreken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en om voor vergoeding in aanmerking komende rechtsbijstand te kunnen verlenen.

3.2.    Voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand is van belang dat deze werkzaamheden een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Om voor een proceskostenvergoeding in aanmerking te komen, dient degene die als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleent ook voldoende deskundig te zijn. Daartoe dient hij over enige juridische scholing te beschikken.

    Anders dan uit de uitspraak van 9 oktober 2013 kan worden afgeleid, heeft het vereiste van juridische scholing niet uitsluitend betrekking op formele scholing. Aan dit vereiste kan ook zijn voldaan indien uit de door de gemachtigde ingediende processtukken of het optreden ter zitting kan worden opgemaakt dat hij enige relevante juridische scholing heeft gehad. Vergelijk in dit verband de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1260, en van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1638, en het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770.

3.3.    [gemachtigde] - die [appellante] in de bezwaar- en beroepsprocedure bijstond en haar ook in hoger beroep bijstaat - drijft een eenmanszaak onder de naam "Formulierenman". Hij heeft uiteengezet dat hij sinds 2007 regelmatig en tegen vergoeding diverse procedures namens zijn cliënten heeft gevoerd en dat zijn werkzaamheden bestaan uit het indienen van aanvragen, het opstellen en indienen van bezwaar- en beroepschriften en het bijwonen van hoorzittingen. Deze werkzaamheden betreffen met name zaken op het terrein van het belastingrecht en inkomensafhankelijke regelingen. Hij heeft verder gesteld dat hij als belastingconsulent jaarlijks deelneemt aan door de Belastingdienst georganiseerde intermediairdagen voor fiscaal dienstverleners. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling het verlenen van rechtsbijstand door [gemachtigde] gericht op het verwerven van inkomsten en is dit een vast onderdeel zijn taakuitoefening.

    In de toelichting bij het Bpb (Stb. 1993, 763, blz. 6) wordt weliswaar opgemerkt dat personen zonder enige juridische scholing niet geacht kunnen worden beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen, maar de inhoud van de processtukken die door [gemachtigde] zijn ingediend laat geen andere slotsom toe dan dat hij enige relevante juridische scholing heeft gehad.

    Op grond van de onder 3.2 vermelde uitleg van het begrip beroepsmatig rechtsbijstandverlener en gelet op de door [gemachtigde] in deze zaak opgestelde processtukken is de Afdeling van oordeel dat - anders dan de rechtbank in het voetspoor van voormelde uitspraak 9 oktober 2013 heeft overwogen - moet worden aangenomen dat [gemachtigde] in deze procedure beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend in de zin van het Bpb.

    Het betoog slaagt.

Kosten van bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2015

4.    Artikel 2 van het Bpb luidt als volgt:

"1  Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:

a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief; […]."

    Artikel 3 van het Bpb luidt als volgt:

"1  Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.

2  Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn."

5.    [appellante] heeft twee bezwaarschriften ingediend tegen het besluit van 13 februari 2015, dat gaat over zorgtoeslag en over kindgebonden budget.

    Bij onderscheiden besluiten van 11 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen beslist op het tegen het besluit van 13 februari 2015 gemaakte bezwaar. In het besluit van 11 september 2015 over het kindgebonden budget heeft de Belastingdienst/Toeslagen een vergoeding voor de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten van € 490,00 toegekend. In het besluit van 11 september 2015 over de zorgtoeslag is vermeld dat reeds een vergoeding is toegekend bij het besluit over het kindgebonden budget en dat de vergoeding voor beide bezwaarschriften € 490,00 bedraagt.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de berekening van de vergoeding voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar de ingediende bezwaarschriften tegen het besluit van 13 februari 2015 ten onrechte heeft beschouwd als één zaak.

6.1.    In deze zaak heeft [gemachtigde], namens [appellante], met twee separate geschriften - één over de zorgtoeslag en één over het kindgebonden budget - bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 februari 2015, dat gaat over beide tegemoetkomingen. Beide geschriften hebben betrekking op het toetsingsinkomen dat ten grondslag lag aan de berekening van de zorgtoeslag, onderscheidenlijk het kindgebonden budget. De bezwaarschriften zijn gelijktijdig ingediend en gericht tegen hetzelfde besluit, alleen op twee onderscheide onderdelen. Verder zijn ze inhoudelijk gelijkluidend, opgesteld door dezelfde gemachtigde en is bij besluiten van gelijke datum op de bezwaren beslist. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen deze zaken terecht heeft aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Op grond van het eerste lid van dit artikel worden deze zaken voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak beschouwd. De dienst heeft terecht, met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C, hieraan een wegingsfactor van 1 toegekend en de vergoeding voor beide bezwaarschriften vastgesteld op € 490,00.

Verschuldigde dwangsom

7.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te vermelden krachtens welk wettelijk voorschrift de dwangsom is verschuldigd.

7.1.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 16 januari 2016 medegedeeld dat hij een dwangsom van € 60,00 aan [appellante] is verschuldigd. Ter zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van de Belastingdienst/Toeslagen te kennen gegeven dat [appellante] recht heeft op betaling van een dwangsom van 2 x € 60,00, zijnde € 120,00. In de aangevallen uitspraak is, gelet hierop, overwogen dat niet langer in geschil is dat de dienst aan [appellante] een dwangsom van € 120,00 is verschuldigd. De rechtbank heeft het geschil finaal beslecht door op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de door de Belastingdienst/Toeslagen verschuldigde dwangsom vastgesteld op dit bedrag.

7.2.    In hoger beroep heeft [appellante] de dwangsom uitdrukkelijk aan de orde gesteld. Ter zitting heeft haar gemachtigde naar voren gebracht dat hij een oordeel van de rechter wenst over de juridische grondslag voor de berekening van de hoogte van de verbeurde dwangsom met het oog op eventuele toekomstige gevallen in zijn praktijk.

7.3.    De bestuursrechter is alleen tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen in een geschil met betrekking tot een besluit. Waar een dergelijk geschil niet langer bestaat, is de bestuursrechter niet meer tot beantwoording van al dan niet principiële vragen gehouden. Het belang bij het vestigen van jurisprudentie ten behoeve van de beoordeling van toekomstige gevallen is onvoldoende aanleiding om tot inhoudelijke beoordeling over te gaan, aldus de uitspraken van de Afdeling van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3429 en van 25 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3715.

    In dit geval heeft de rechtbank geconstateerd dat over de hoogte van de verschuldigde dwangsom niet langer een geschil tussen partijen bestaat. Dit is in hoger beroep niet bestreden. De rechtbank is derhalve terecht niet verder ingegaan op de berekening van de verschuldigde dwangsom.

Kosten van bezwaar tegen het besluit van 3 september 2015

8.    [appellante] betoogt terecht dat de rechtbank het verzoek om vergoeding van de door haar gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2015, inzake de hoogte de van de verschuldigde dwangsom, ten onrechte heeft afgewezen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit verzoek in het besluit van 16 januari 2016, waarbij het besluit van 3 september 2015 is herroepen, ten onrechte afgewezen op de grond dat [gemachtigde] niet kan worden aangemerkt als een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. De Afdeling verwijst daartoe naar hetgeen zij onder 3.3 heeft overwogen. Nu, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, het besluit van 3 september 2015 is herroepen wegens een aan de Belastingdienst/Toeslagen te wijten onrechtmatigheid, had de rechtbank de Belastingdienst/Toeslagen moeten veroordelen in de door [appellante] gemaakte kosten van bezwaar.

Rente over de verschuldigde dwangsom

9.    Artikel 12 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) luidt als volgt:

"[…]

2  Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen, met dien verstande dat:

a.  een door de Belastingdienst/Toeslagen verbeurde dwangsom € 10 bedraagt voor elke week dat hij in gebreke is, doch ten hoogste € 100, tenzij de toekenning van de tegemoetkoming leidt tot een na te betalen of terug te vorderen bedrag kleiner dan € 100 in welk geval de verbeurde dwangsom ten hoogste € 30 bedraagt;

[…]"

    Artikel 4:18 van de Awb luidt als volgt:

"Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was."

    Artikel 4:86 van de Awb luidt als volgt:

"1  De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.

[…]"

    Artikel 4:87 van de Awb luidt als volgt:

"1  De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

[…]"

10.    [appellante] heeft naar voren gebracht dat de Belastingdienst/Toeslagen in verband met de verschuldigde dwangsom op 16 september 2015 een bedrag van € 30,00 heeft voldaan. Zij heeft de Afdeling verzocht te bepalen dat de Belastingdienst/Toeslagen in verzuim is het resterende bedrag van de dwangsom ad € 90,00 te voldoen en te bepalen dat de dienst belastingrente is verschuldigd over dit bedrag vanaf 16 september 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening daarvan.

10.1.    De regeling voor belastingrente is neergelegd in de artikelen 30f en verder van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). Vergoeding van belastingrente kan uitsluitend plaatsvinden in de gevallen die in de AWR zijn voorzien. De AWR voorziet niet in vergoeding van belastingrechte over de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigde dwangsom. Derhalve bestaat voor vergoeding van belastingrente in het geval van [appellante] geen grond.

10.2.    In het beroepschrift tegen het besluit van 3 oktober 2015 over de dwangsom heeft [appellante] verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het betwiste bedrag van de dwangsom. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak niet ingegaan op dit verzoek. Gelet hierop vat de Afdeling het onder 10 vermelde verzoek op als een klacht dat de rechtbank heeft nagelaten te bepalen dat de Belastingdienst/Toeslagen wettelijke rente dient te vergoeden over de door hem verschuldigde dwangsom.

10.3.    [appellante] heeft bij brieven van 11 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 februari 2015. Bij brief van 14 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de beslissing op het bezwaar verdaagd en [appellante] medegedeeld dat voor 19 juni 2015 een besluit op bezwaar wordt genomen. Bij brief van 8 juni 2015 heeft de Belastingdienst [appellante] verzocht om in te stemmen met verder uitstel. Niet gebleken is dat zij deze instemming heeft verleend. Bij brief van 21 juli 2015, door de Belastingdienst/Toeslagen ontvangen op 23 juli 2015, heeft [appellante] de Belastingdienst/Toeslagen in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op het door haar gemaakte bezwaar. Op dat bezwaar heeft de Belastingdienst/Toeslagen eerst bij besluiten van 11 september 2015 beslist, zodat de dienst een dwangsom heeft verbeurd vanaf 7 augustus tot en met 11 september 2015. Zoals hiervoor is overwogen is tussen partijen niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen een dwangsom van € 120,00 is verschuldigd.

    De laatste dag waarover de dwangsom was verschuldigd is 11 september 2015. De Belastingdienst/Toeslagen had, gelet op het bepaalde in artikel 4:18 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir, de verschuldigdheid van de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar uiterlijk op 25 september 2015 moeten vaststellen. Ingevolge artikel 4:87, eerste lid, van de Awb had de dienst uiterlijk op 6 november 2015 de verschuldigde dwangsom aan [appellante] moeten voldoen.

10.4.    Niet in geschil is dat de Belastingdienst/Toeslagen het resterende bedrag van de verschuldigde dwangsom ten bedrage van (120 - 30 =) € 90,00 op 6 november 2015 nog niet had voldaan aan [appellante].

    Ingevolge artikel 4:100 van de Awb is, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Derhalve is de Belastingdienst/Toeslagen vanaf 7 november 2015 in verzuim het genoemde bedrag van € 90,00 te voldoen en moet de dienst vanaf die dag tot de dag van de algehele voldoening daarvan de daarover verschuldigde wettelijke rente aan [appellante] vergoeden. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten te bepalen dat de Belastingdienst/Toeslagen deze rente dient te vergoeden.

Samenvatting

11.    De rechtbank heeft ten onrechte niet de Belastingdienst/Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van de door [appellante] gemaakte kosten van rechtsbijstand. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de vergoeding voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2015 terecht vastgesteld op € 490,00. De rechtbank is terecht niet verder ingegaan op de berekening van de verschuldigde dwangsom. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten te bepalen dat de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2015 moet vergoeden. De rechtbank heeft ook ten onrechte nagelaten te bepalen dat de dienst wettelijke rente dient te vergoeden over de verschuldigde dwangsom.

Conclusie

12.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij is nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding van de door [appellante] gemaakte kosten van rechtsbijstand in verband met het beroep tegen de besluiten van 3 oktober 2015 en 16 januari 2016 en het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2015, en voor zover daarbij is nagelaten te bepalen dat de dienst de over het resterende bedrag van de dwangsom ad € 90,00 verschuldigde wettelijke rente aan [appellante] moet vergoeden vanaf 7 november 2015 tot de dag van de algehele voldoening daarvan. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen daartoe alsnog veroordelen. Voor het overige dient de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

Berekening proceskosten

13.    De Afdeling zal de Belastingdienst/Toeslagen op na te melden wijze veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van [appellante] in verband met het beroep en het hoger beroep en de door haar gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2015.

    De bezwaarzaak betrof de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar. Bij een dergelijke zaak dient bij de toe te kennen vergoeding een wegingsfactor van 0,5 (licht) te worden toegepast. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1419.

    Bij de vaststelling van de hoogte van de proceskosten in verband met het beroep en het hoger beroep zal een wegingsfactor van 1 (gemiddeld) worden gehanteerd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2016 in zaken nrs. 15/2174, 15/2175 en 16/157, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding van door [appellante] gemaakte kosten van rechtsbijstand en voor zover de rechtbank heeft nagelaten te bepalen dat de Belastingdienst/Toeslagen de over het resterende bedrag van de dwangsom ad € 90,00 verschuldigde wettelijke rente aan [appellante] moet vergoeden vanaf 7 november 2015 tot de dag van de algehele voldoening daarvan;

III.    bepaalt dat de Belastingdienst/Toeslagen de over het resterende bedrag van de dwangsom ad € 90,00 verschuldigde wettelijke rente aan [appellante] moet vergoeden vanaf 7 november 2015 tot de dag van de algehele voldoening daarvan;

IV.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

V.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 247,50 (zegge: tweehonderdzevenenveertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Van Altena

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

710.