Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2263

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201606999/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:5010, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2014 heeft het college de ontheffing voor medegebruik van de lijnbusbaan/-strook van [appellant] voor de duur van twee weken geschorst en in verband daarmee ook zijn taxivergunning ingevolge de Taxiverordening Amsterdam 2012 voor dezelfde duur geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606999/1/A1.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2016 in zaak nr. 15/3921 in het geding tussen:

[partij A] en [partij B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2014 heeft het college de ontheffing voor medegebruik van de lijnbusbaan/-strook van [appellant] voor de duur van twee weken geschorst en in verband daarmee ook zijn taxivergunning ingevolge de Taxiverordening Amsterdam 2012 voor dezelfde duur geschorst.

Bij besluit van 19 augustus 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover betrekking hebbend op de schorsing van de ontheffing voor het medegebruik van de lijnbusbaan, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2017, waar [appellant], vergezeld door mr. Ph. Boerman, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Somer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is werkzaam als taxichauffeur en aangesloten bij een door de gemeente Amsterdam toegelaten taxi organisatie. Hij beschikt naast een taxivergunning als bedoeld in artikel 76 van de Wet personenvervoer 2000, over een taxivergunning als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012, voor het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt. Hij beschikt ook over een ontheffing als bedoeld in artikel 87, gelezen in samenhang met artikel 81 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: Rvv 1990), om in Amsterdam over de vrije tram- en busbanen te mogen rijden (lijnbusbaanontheffing).

2.    Het in bezwaar gehandhaafde besluit is genomen nadat een hoofdagent van politie blijkens een proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2014, dat zich onder de gedingstukken bevindt, op 5 april 2014 constateerde dat [appellant] met een gecorrigeerde snelheid van 54 km per uur een tramhalte passeerde op de Marnixstraat in Amsterdam. Hij handelde daarmee volgens het college in strijd met de voorschriften behorend bij zijn lijnbusbaanontheffing.

3.    [appellant] heeft tegen het besluit op bezwaar van 19 augustus 2014 beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb). Het CBb heeft het beroep voor zover gericht tegen de schorsing van de lijnbusbaanontheffing met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ter behandeling doorgezonden aan de rechtbank.

4.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

5.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat zij zich uitsluitend bevoegd acht ten aanzien van de beoordeling van het besluit tot schorsing van de lijnbusbaanontheffing. Ten aanzien van de beoordeling van het besluit tot schorsing van de taxivergunning heeft de rechtbank overwogen dat het CBb bevoegd is.

    Zij heeft voorts in het door [appellant] in beroep aangevoerde met betrekking tot de bekendmaking van de Taxiverordening Amsterdam 2012 en het "Beleid voor medegebruik van de lijnbusbaan/-strook door taxi’s", alsmede met betrekking tot de betekenis van het begrip "halte voor het openbaar vervoer", geen grond gevonden voor vernietiging van het besluit op het bezwaar tegen de schorsing van de lijnbusbaanontheffing.

Beoordeling van het hoger beroep    

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat nu het gaat om één besluit, welk besluit volgens hem in zijn geheel is gebaseerd op de regels in de Taxiverordening, daartegen slechts één rechtsgang openstaat, dan wel zou moeten openstaan. Volgens hem had de rechtbank daarom het besluit in zijn geheel moeten beoordelen.

    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat nu de Taxiverordening Amsterdam 2012 niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, deze niet in werking is getreden en deze derhalve niet door het college kon worden toegepast. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte het besluit niet vernietigd, nu het college geen schriftelijk bewijs van de bekendmaking van de Taxiverordening Amsterdam 2012 heeft kunnen overleggen en dus ook niet op basis daarvan zijn taxivergunning heeft kunnen schorsen.

    [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de intrekking van de lijnbusbaanontheffing is gebaseerd op artikel 87 van het Rvv. Niet de intrekking, maar uitsluitend de ontheffing zelf vindt zijn grondslag in dat artikel, aldus [appellant]. De voorwaarden en sancties behorend bij de ontheffing, volgen volgens hem uit de Taxiverordening die niet bekend is gemaakt.

6.1.    Het besluit bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds is de lijnbusbaanontheffing van [appellant] als bedoeld in artikel 87 van het Rvv 1990 geschorst voor de duur van twee weken en anderzijds is, in verband daarmee, de taxivergunning van [appellant] als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 geschorst voor dezelfde duur. Het college heeft volgens het besluit van 19 augustus 2014 aan de schorsing ten grondslag gelegd dat [appellant], doordat hij met te hoge snelheid een halte voor openbaar vervoer heeft gepasseerd, voorschrift 13 behorend bij zijn lijnbusbaanontheffing heeft overtreden.

6.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat haar bevoegdheid zich slechts uitstrekt tot de beoordeling van het besluit tot de tijdelijke schorsing van de lijnbusbaanontheffing. Voor zover het besluit ziet op de tijdelijke schorsing van de taxivergunning, is dit besluit gebaseerd op artikel 82 van de Wet personenvervoer 2000. Zoals volgt uit de in de bijlage bij deze uitspraak weergegeven bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede bijlage 2 daarbij, is het CBb bevoegd om te oordelen over een beroep tegen een besluit op grond van die wet. Daarop bestaan een aantal uitzonderingen, die zich hier evenwel niet voordoen. Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Awb is de rechtbank bevoegd te oordelen over de tijdelijke schorsing van de lijnbusbaanontheffing. Hetgeen [appellant] hiertegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

    Mede in het licht van het voorgaande, heeft de rechtbank eveneens terecht overwogen dat het betoog van [appellant] dat de Taxiverordening Amsterdam 2012 niet zou zijn gepubliceerd, niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van het besluit. Zij heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de schorsing van de lijnbusbaanontheffing niet is gebaseerd op de Taxiverordening Amsterdam 2012. Deze is gebaseerd op artikel 87 van het Rvv 1990. Anders dan [appellant] betoogt, is niet alleen de verlening van de daar bedoelde ontheffing op deze bepaling gebaseerd, maar ook de schorsing dan wel de intrekking ervan. Dat genoemde bepaling het bevoegd gezag de bevoegdheid geeft om de ontheffing te verlenen, impliceert dat het bevoegd gezag ook de bevoegdheid heeft om deze in te trekken dan wel te schorsen.

    Het betoog faalt.

7.    De rechtbank heeft voorts volgens [appellant] ten onrechte zijn betoog niet gevolgd, dat een ‘halte voor openbaar vervoer’ geen wettelijke definitie kent, zodat niet kon worden vastgesteld dat hij bij het passeren van een dergelijke halte te snel heeft gereden. Hij betwist niet dat hij met een snelheid van 54 km per uur heeft gereden, maar wel dat hij dit deed bij een ‘halte voor openbaar vervoer’. De agent van politie heeft dit volgens hem in ieder geval vanaf zijn positie, op 97 meter afstand van de halte, niet kunnen waarnemen. Overigens was de politie Amsterdam volgens [appellant] ten tijde van belang niet bevoegd tot handhaving van hetgeen in de Taxiverordening is bepaald.

7.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat zowel in het door de betrokken hoofdagent van politie op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2014, als in het Rapport "Intrekking ontheffing/vergunning medegebruik Lijnbusbaan/strook van bestuurder taxi" van 6 april 2014, vermeld staat dat deze agent heeft geconstateerd dat [appellant] op 5 april 2014 een halte voor het openbaar vervoer heeft gepasseerd met een gecorrigeerde snelheid van 54 km per uur.

    De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 16 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY8566), een bestuursorgaan, in dit geval het college, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

    De rechtbank heeft in het door [appellant] aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat aan de in het proces-verbaal vervatte bevindingen van de hoofdagent dient te worden getwijfeld. Het betoog dat de hoofdagent vanaf zijn positie niet heeft kunnen vaststellen dat [appellant] het snelheidsvoorschrift overtrad ter hoogte van een halte voor het openbaar vervoer, nu een ‘halte voor het openbaar vervoer’ in de toepasselijke regelgeving niet is gedefinieerd, volgt de Afdeling niet. Uit door [appellant] in het geding gebrachte foto’s van de situatie ter plaatse, genummerd 8 en 9, blijkt dat ter plaatse zeer duidelijk een halte voor het openbaar vervoer aanwezig is, die herkenbaar is aan twee abri’s met daarop twee halteborden. Verder is, daar waar de halte zich bevindt, een blokmarkering op de stoep aanwezig. Uit het proces-verbaal van 10 april 2014 blijkt voorts dat op het moment van de overtreding personen bij de desbetreffende halte stonden te wachten. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de hoofdagent, die zich bovendien bediende van professionele meetapparatuur, vanaf zijn positie niet heeft kunnen waarnemen waar zich de locatie van de halte bevond.

    Wat betreft het betoog van [appellant] dat de politie Amsterdam ten tijde van belang niet bevoegd was tot handhaving van hetgeen in de Taxiverordening is bepaald, overweegt de Afdeling dat wat er zij van dit betoog, dit voor het onderhavige geschil niet relevant is, nu zoals hiervoor reeds is overwogen, de schorsing van de lijnbusbaanontheffing niet is gebaseerd op handhaving van hetgeen is bepaald in de Taxiverordening.

    Het betoog faalt.

8.    De conclusie is dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het besluit tot schorsing van de lijnbusbaanontheffing niet in stand kan blijven. Ook in hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor dat oordeel.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Bolleboom

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

641. BIJLAGE

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:6, eerste lid:

Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.

Artikel 4 van bijlage 2, Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, luidt voor zover van belang:

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

- Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid.

Wet personenvervoer 2000

Artikel 82, eerste lid:

Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.

tweede lid:

De in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen betrekking op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b.

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 149, eerste lid:

Van het bepaalde krachtens deze wet kan in de krachtens deze wet aangewezen gevallen overeenkomstig krachtens deze wet vastgestelde regels ontheffing worden verleend:

a. voor wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;

b. voor wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;

c. voor wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;

d. voor andere wegen door burgemeester en wethouders of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie.

Artikel 150, eerste lid:

Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

tweede lid:

Het is verboden te handelen in strijd met de aan een vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften.

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Artikel 62:

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Artikel 81:

Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram.

Artikel 87 luidt, voor zover van belang:

Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van artikel 62 voor zover het betreft het verkeersteken C1, en het verkeersteken genoemd in artikel 81.

Beleid voor medegebruik van de lijnbusbaan/-strook door taxi’s van de gemeente Amsterdam 2013

Voorschrift 13 in bijlage 3 bij het "Beleid voor medegebruik van de lijnbusbaan/-strook door taxi’s" van de gemeente Amsterdam 2013 luidt:

"De bestuurder van een taxivoertuig dient zich bij het passeren van haltes voor het openbaar vervoer te houden aan de maximumsnelheid van 20 kilometer per uur."