Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201608249/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:3684, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van [appellant] over het jaar 2013 definitief berekend en vastgesteld op nihil en de reeds ontvangen voorschotten vermeerderd met de wettelijke rente van € 112,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201608249/1/A2.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 september 2016 in zaak nr. 16/1356 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van [appellant] over het jaar 2013 definitief berekend en vastgesteld op nihil en de reeds ontvangen voorschotten vermeerderd met de wettelijke rente van € 112,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 4 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2017, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 29 mei 2015, gehandhaafd bij besluit van 4 april 2016, ten grondslag gelegd dat [appellant] geen aanspraak heeft op zorgtoeslag en kindgebonden budget over het jaar 2013, omdat het gezamenlijke vermogen van hem en zijn partner de op 1 januari 2013 ingevoerde vermogensgrens overschrijdt.

2.    De rechtbank heeft zich voor de vraag gesteld gezien, of de Belastingdienst/Toeslagen de wettelijke rente terecht in rekening heeft gebracht en deze vraag bevestigend beantwoord.

3.    [appellant] kan zich met dit oordeel niet verenigen. De rechtbank heeft niet onderkend dat partijen verdeeld zijn over de vraag of de toeslagen terecht zijn teruggevorderd. De toeslagen voor het jaar 2013 zijn zonder dat hij daartoe een afzonderlijke aanvraag heeft ingediend aan hem toegekend, nu de aanvraag in 2012 geacht wordt mede te zijn gedaan voor de daaropvolgende jaren. Ten onrechte stelt de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt dat hij een wijziging in zijn vermogen had moeten doorgeven. Hij was niet bekend met de op 1 januari 2013 in werking getreden vermogenstoets en de dienst heeft hem daar ook niet van op de hoogte gesteld. Deze toets wordt pas bij de definitieve berekening toegepast. Bovendien was de hoogte van zijn, overigens niet gewijzigde, vermogen bij de dienst bekend, zodat het doorgeven van een wijziging niet aan de orde was. Hij is benadeeld als gevolg van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen. Door de toekenning van de toeslagen heeft hij meer inkomstenbelasting moeten betalen. Nu de dienst niet aan de op de dienst rustende informatieplicht heeft voldaan en niet is ingegaan op zijn voorstel om de wettelijke rente kwijt te schelden, is de terugvordering onredelijk, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: Wzt), zoals deze gold ten tijde van belang, luidt:

"In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bestaat geen aanspraak op een zorgtoeslag indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 80 000, dan wel, ingeval de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende en zijn partner in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 80 000. Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001."

    Artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget (hierna: Wkgb), zoals deze gold ten tijde van belang, luidt:

"In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 80 000 dan wel, ingeval de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder en zijn partner in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 80 000. Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001."

    De wettelijke bepalingen uit de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), zoals deze golden ten tijde van belang, luiden:

Artikel 1

"1. Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.

[...]

3. Onder inkomensafhankelijke regelingen worden verstaan bij of krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht."

Artikel 26

"Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd."

Artikel 27, eerste lid

"Over uit te betalen bedragen wordt rente vergoed en over terug te vorderen bedragen wordt rente in rekening gebracht."

3.2.    Niet in geschil is dat [appellant], gelet op de hoogte van zijn vermogen en dat van zijn partner, geen recht heeft op zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2013.

3.3.    [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij desondanks aanspraak kan maken op deze toeslagen omdat de Belastingdienst/Toeslagen hem niet van de invoering van de vermogenstoets in de Wzt en de Wkgb per 1 januari 2013 in kennis heeft gesteld. Dat hij niet bekend was met de op 1 januari 2013 in werking getreden vermogenstoets en geen aanleiding heeft gezien om zijn vermogen aan de Belastingdienst/Toeslagen door te geven dient voor zijn rekening en risico te blijven. Het is aan de aanvrager van toeslagen om zich te informeren over zijn recht op toeslagen en er zorg voor te dragen dat hij aan de voorwaarden voldoet. De omstandigheid dat de vermogenstoets pas bij de definitieve berekening wordt toegepast is inherent aan het systeem van bevoorschotting, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van de door de aanvrager overgelegde gegevens. De controle op het recht op een toeslag vindt pas na afloop van het berekeningsjaar plaats. Eerst dan wordt de toeslag aan de hand van de bij de dienst bekende gegevens, waaronder de definitieve aanslag inkomstenbelasting, berekend en definitief vastgesteld. Op de Belastingdienst/Toeslagen rust in het kader van de bevoorschotting geen plicht om aanvragers te informeren over hun recht op toeslag (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3373). Anders dan [appellant] heeft gesteld, is niet gebleken dat de Belastingdienst/Toeslagen andere aanvragers wel van de wijziging per 1 januari 2013 op de hoogte heeft gesteld. De stelling van [appellant], dat de toeslagen voor 2013 zonder dat hij daartoe een aanvraag heeft ingediend aan hem zijn toegekend, kan hem niet baten. Een aangevraagde toeslag loopt automatisch door totdat deze door de aanvrager wordt stopgezet. Dat hem over het jaar 2012 wel zorgtoeslag en kindgebonden budget zijn verstrekt, maakt niet dat hij in het daaropvolgende jaar daar ook recht op heeft. Op grond van artikel 26 van de Awir is [appellant] het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien dan wel de terugvordering kan matigen.

    Gelet op het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de Awir was de Belastingdienst/Toeslagen, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, voorts gehouden om over de terug te vorderen voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget rente in rekening te brengen. De wet noch de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, blz. 55) bieden ruimte om hiervan af te zien. Reeds hierom was de dienst niet gehouden in te gaan op het voorstel van [appellant] om de wettelijke rente kwijt te schelden en dienen de uit de onterechte toekenning voortvloeiende gevolgen voor zijn rekening te komen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

343-834.