Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201607335/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:5822, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2015 heeft het CBR het aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201607335/1/A1.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 augustus 2016 in zaak nr. 16/822 in het geding tussen:

[appellant],

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 heeft het CBR het aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard.

Bij besluit van 5 januari 2016 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kleijbeuker, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 9 december 2014 is [appellant] aangehouden door de politie voor het rijden onder invloed van alcohol. Bij hem is toen een ademalcoholgehalte van 730 μg/l geconstateerd. Naar aanleiding daarvan heeft het CBR bij besluit van 4 mei 2015 aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd.

    Het CBR heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] ten grondslag gelegd dat hij niet de vereiste medewerking aan de hem opgelegde EMA heeft verleend, nu hij blijkens een negatief afloopbericht en een positieve blaastest onder invloed van alcohol op het tot de EMA behorende nagesprek is verschenen.

2.    Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) bepaalt:

"Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid."

    Artikel 132, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt:

"Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich:

a. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid."

    Het tweede lid bepaalt:

"Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. […]"

    Artikel 9, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) luidt als volgt: Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR aannemelijk heeft gemaakt dat hij onder invloed van alcohol op het nagesprek is verschenen en daarmee niet de vereiste medewerking aan de hem opgelegde EMA heeft verleend. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR waarde heeft mogen hechten aan de uitslag van de tijdens het nagesprek afgenomen blaastest, nu de resultaten van die test niet zijn vastgelegd en volgens [appellant] bovendien een dermate laag alcoholpromillage is gemeten dat geen sprake was van het onder invloed zijn van alcohol. [appellant] voert daarnaast aan dat de inhoud van het negatieve afloopbericht niet klopt.

3.1.    Voor zover [appellant] de inhoud van het negatieve afloopbericht van 1 december 2015 betwist, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant] heeft eerst ter zitting bij de rechtbank als beroepsgrond naar voren gebracht dat de inhoud van het afloopbericht niet klopt, door in dat verband te stellen dat, anders dan is vermeld in het afloopbericht, niet de trainer zelf, maar alleen een bewaker alcohollucht heeft geroken. De rechtbank heeft terecht het eerst ter zitting aanvoeren van deze grond in strijd met de goede procesorde geacht en deze grond daarom terecht buiten beschouwing gelaten. Nu deze beroepsgrond aldus niet tijdig bij de rechtbank is aangevoerd en het hoger beroep zich richt tegen de aangevallen uitspraak, wordt aan een inhoudelijke beoordeling van deze in hoger beroep wederom aangevoerde grond evenmin toegekomen. Dit betekent dat ook aan de stelling in het hogerberoepschrift dat in het afloopbericht ten onrechte is vermeld dat [appellant] de dagen voor het nagesprek veel had gedronken en zijn stelling dat aan het afloopbericht geen gespreksverslag ten grondslag ligt, niet wordt toegekomen, nu dit nadere argumenten zijn ter onderbouwing van de grond dat de inhoud van het afloopbericht niet klopt.

3.2.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het CBR, naast het negatieve afloopbericht, tevens waarde heeft mogen hechten aan de uitslag van de tijdens het nagesprek bij [appellant] afgenomen blaastest. Dat de resultaten van de blaastest niet zijn vastgelegd in een stuk, kan [appellant] niet baten, nu niet in geschil is dat een blaastest is afgenomen en dat daarbij een alcoholpromillage is gemeten. Niet van belang is verder of het gemeten promillage 0,07 bedroeg, zoals [appellant] in zijn bezwaarschrift en beroepschrift heeft verklaard, of 0,007, zoals hij eerst ter zitting bij de rechtbank heeft gesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:842, dient het begrip "onder invloed van alcohol" in artikel 9 van de Regeling ruim uitgelegd te worden, in die zin dat elk promillage daar onder valt. In dit geval is de positieve uitslag van de blaastest bovendien in overeenstemming met de door [appellant] blijkens het negatieve afloopbericht gegeven verklaring dat hij het weekend en de dag voor het nagesprek alcohol heeft genuttigd. [appellant] wist, althans behoorde te weten, dat in de dagen voor het nagesprek genuttigde alcohol zou kunnen leiden tot de conclusie dat hij onder invloed van alcohol verkeerde, nu in de brief waarin hij is opgeroepen voor de aan hem opgelegde EMA is vermeld dat het CBR het rijbewijs ongeldig verklaart indien [appellant] onder invloed van alcohol, waaronder alcohol van de dagen ervoor, op een cursusonderdeel van de EMA verschijnt.

3.3.    Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR met het negatieve afloopbericht en de uitslag van de afgenomen blaastest aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] op het tot de EMA behorende nagesprek onder invloed van alcohol is verschenen en daarmee niet de vereiste medewerking aan de hem opgelegde EMA heeft verleend. Het betoog faalt.

4.    Voor zover [appellant] aanvoert dat het CBR en de rechtbank ten onrechte voorbij zijn gegaan aan het belang dat hij heeft bij teruggave van zijn rijbewijs, faalt zijn betoog evenzeer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI9686, volgt uit de imperatieve bewoordingen van artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994 dat het rijbewijs onverwijld ongeldig dient te worden verklaard indien eenmaal vaststaat dat een betrokkene niet de vereiste medewerking heeft verleend aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, en bestaat derhalve geen ruimte voor een afzonderlijke belangenafweging.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Troostwijk

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

462-842.