Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2253

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201601627/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:599, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/877

Uitspraak

201601627/1/A2.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nederweert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 januari 2016 in zaak nr. 14/2645 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade ten bedrage van € 4.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag (8 april 2013) tot en met de dag van uitbetaling, toegekend.

Bij tussenuitspraak van 14 augustus 2015 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het besluit van 15 juli 2014 te herstellen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 29 september 2015 heeft het college, gebruikmakend van de geboden gelegenheid, een nadere motivering ingediend.

[appellant] heeft een zienswijze ingediend.

Bij uitspraak van 26 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 juli 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. ing. M.Th.M. Zusterzeel, advocaat te Weert, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Lucassen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De raad van de gemeente Nederweert heeft bij besluit van 23 maart 2010 het bestemmingsplan "Sint Rochusstraat 17 Budschop" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) vastgesteld. Ingevolge het nieuwe bestemmingsplan rust op het perceel Sint Rochusstraat 17 te Nederweert (hierna: het bouwperceel) de bestemming "Woondoeleinden W" met de aanduiding "uitvaartcentrum". Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Kern Budschop 2004" (hierna: het oude bestemmingsplan) was de vestiging van een uitvaartcentrum op het bouwperceel niet toegestaan.

    [appellant] is sinds 28 oktober 1998 eigenaar van het naastgelegen perceel [locatie] te Nederweert (hierna: het perceel). Hij heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan, omdat de planologische verandering volgens hem leidt tot waardedaling van zijn perceel.

    [appellant] heeft in bezwaar een door Verhagen Advies opgestelde contra-expertise van 20 februari 2014 overgelegd. Daarin is vermeld dat [appellant] ten gevolge van de planologische verandering planschade ten bedrage van € 26.500,00 lijdt en daarom, na aftrek van het forfaitair normaal maatschappelijk risico van 2% als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna Wro), recht heeft op een tegemoetkoming in planschade ten bedrage van € 21.220,00.

2.    Het college heeft aan het besluit van 15 juli 2014 een door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) opgesteld advies van mei 2014 (hierna: het SAOZ-advies) ten grondslag gelegd. Daarin is vermeld dat [appellant] van de planologische verandering planologisch nadeel ondervindt, bestaande uit:

-    een beperkte verdergaande aantasting van het karakter van de omgeving en daarmee samenhangend een beperkte verdergaande verslechtering van de goede situering van zijn perceel,

-    een beperkte toename van hinder en overlast in de vorm van toegenomen geluid- en lichthinder door een relatieve toename van het aantal verkeersbewegingen in de Sint Rochusstraat en

-    een zekere toename van de aantasting van zijn privacy.

De SAOZ heeft de waarde van het perceel van [appellant] onder het oude bestemmingsplan op een bedrag van € 270.000,00 en onder het nieuwe bestemmingsplan op een bedrag van € 260.000,00 getaxeerd en aldus het planologisch nadeel bepaald op een bedrag van € 10.000,00. Volgens het SAOZ-advies valt de realisatie van het nieuwe uitvaartcentrum niet aan te merken als een normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee [appellant] in abstracto rekening had kunnen houden. Daarom bedraagt het normaal maatschappelijk risico van [appellant] niet meer dan het forfaitair normaal maatschappelijk risico van 2%, als bedoeld in artikel 6.2 van de Wro, zijnde een bedrag van € 5.400,00. De SAOZ heeft het college geadviseerd om [appellant] een tegemoetkoming in planschade ten bedrage van € 4.600,00 toe te kennen.

De procedure bij de rechtbank

3.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 14 augustus 2015 overwogen dat uit het SAOZ-advies niet blijkt of bij de planologische vergelijking en de waardering rekening is gehouden met de schadefactor ‘toegenomen parkeeroverlast’, omdat daarover niets in dat advies is vermeld. Het college mocht het SAOZ-advies daarom op dit punt niet zonder meer aan het besluit van 15 juli 2014 ten grondslag leggen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het gebrek aan dat besluit te herstellen.

    Het college heeft bij brief van 29 september 2015 ter nadere motivering van het besluit van 15 juli 2014 een nader advies van de SAOZ van 17 september 2015 (hierna: het nader SAOZ-advies) overgelegd. Volgens het college is in het nader SAOZ-advies gemotiveerd dat de factor parkeren op zichzelf niet leidt tot waardevermindering van het perceel van [appellant].

    De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 januari 2016 geoordeeld dat het college met het nader SAOZ-advies het gebrek in het besluit van 15 juli 2014 heeft hersteld.

Behandeling van het hoger beroep.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de percelen Sint Rochusstraat 17 en [locatie] liggen aan een doorgaande weg, in een gemengd gebied, dat planologisch wordt gekenmerkt door bedrijvigheid afgewisseld met een woonfunctie. Volgens [appellant] ligt zijn perceel in een rustige woonwijk en is de Sint Rochusstraat geen doorgaande weg. Hij voert aan dat in de nabijheid van zijn perceel alleen een kapsalon aanwezig is aan de overzijde van de straat. In dit verband voert hij aan dat in het SAOZ-advies ten onrechte is vermeld dat de planologische verandering voor hem een beperkte verdergaande aantasting van het karakter van de omgeving en een daarmee samenhangende beperkte verdergaande verslechtering van de goede situering van zijn perceel behelst.

4.1.    Volgens de plankaart van het nieuwe bestemmingsplan zijn gronden ten oosten van het perceel van [appellant] aan weerzijden van de Sint Rochusstraat en gronden ten westen van dat perceel aan de zijde van de Sint Rochusstraat waar het perceel is gelegen vrijwel geheel bestemd voor "Woondoeleinden". Een perceel tegenover het perceel van [appellant] is bestemd als "Centrumdoeleinden". Gronden ten westen van het perceel aan de overzijde van de Sint Rochusstraat zijn gedeeltelijk bestemd voor "Woondoeleinden W" en gedeeltelijk voor "Centrumdoeleinden", "Bedrijfsdoeleinden B" of "Bedrijventerrein BT". Op gronden met de laatste drie bestemmingen is de vestiging van bedrijven toegestaan. Daargelaten of het perceel van [appellant] in een gemengd gebied of een zogenoemde rustige woonwijk ligt, de vermelding in het SAOZ-advies "Van een rustige woonomgeving (…) is niet geheel sprake", acht de Afdeling gezien het voorgaande niet onjuist. In het SAOZ-advies is voorts betrokken dat de bedrijvigheid in de directe omgeving van het perceel van [appellant] is toegenomen door de komst van het uitvaartcentrum. In dit verband is in het SAOZ-advies vermeld dat [appellant] onder meer planologisch nadeel lijdt door een beperkte verdergaande aantasting van het karakter van de omgeving en een beperkte verdergaande verslechtering van de goede situering van zijn perceel.

    De Sint Rochusstraat heeft oostelijk van het perceel van [appellant] een beloop eerst in noordoostelijke, daarna in noordelijke richting en gaat vervolgens over in de straat Bischop met een beloop vanuit Nederweert naar het buitengebied. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het perceel van [appellant] aan een doorgaande weg ligt.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het college in navolging van de SAOZ een juiste maatstaf heeft gehanteerd voor het onderscheid tussen objectieve en subjectieve overlast die hij van het uitvaartcentrum ondervindt. Hij voert aan dat de omstandigheid dat regelmatig rouwende mensen voor zijn woning staan een objectief gevolg is van de exploitatie van het uitvaartcentrum. Dit aspect is volgens hem ten onrechte niet betrokken bij het bepalen van de hoogte van het door hem geleden planologisch nadeel.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2010; ECLI:NL:RVS:2010:BO0241) spelen bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde bij een bestemming, geen rol. Als een inrichting objectief bezien in ruimtelijk opzicht een nadelige invloed heeft op haar omgeving, kan daarin aanleiding worden gevonden een tegemoetkoming in planschade toe te kennen. Bij de beoordeling of bebouwing of gebruik in ruimtelijk opzicht een nadelige invloed heeft op de omgeving komt mede betekenis toe aan de aard van die bebouwing en van dat gebruik.

    Volgens het SAOZ-advies lijdt [appellant] planschade door onder meer een beperkte verdergaande aantasting van het karakter van de omgeving en een daarmee samenhangende beperkte verdergaande verslechtering van de goede situering van zijn perceel, toegenomen hinder en overlast en een zekere mate van toename van de aantasting van zijn privacy. Aldus heeft de SAOZ planologisch nadeel als gevolg van de planologische uitstraling van het uitvaartcentrum bij het bepalen van de hoogte van de planschade betrokken. De SAOZ heeft de door [appellant] gestelde emotionele schade daarbij niet betrokken. De rechtbank heeft met juistheid, onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling, overwogen dat niet kan worden gezegd dat de SAOZ aldus een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

    Hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd over de Inspectierichtlijn Lijkbezorging betreft de aanvaardbaarheid van het nieuwe bestemmingsplan en kan daarom in deze planschadeprocedure niet aan de orde komen.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank in de uitspraak van 26 januari 2016 ten onrechte heeft geoordeeld dat het college met het nader SAOZ-advies het gebrek in het besluit van 15 juli 2014 heeft hersteld en ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Hij voert aan dat in het nader SAOZ-advies ten onrechte is vermeld dat op het eigen terrein van het perceel Sint Rochusstraat 17 ruimte is voor drie parkeerplaatsen. Volgens [appellant] is daar slechts ruimte voor het parkeren van twee auto’s. Hij betwist ook dat in de openbare ruimte voldoende parkeergelegenheid voor de bezoekers, medewerkers en leveranciers van het uitvaartcentrum beschikbaar is. Volgens [appellant] was er in de Sint Rochusstraat al vóór de realisering van het uitvaartcentrum een hoge parkeerdruk en is de parkeerdruk door de vestiging van het uitvaartcentrum enorm toegenomen.

6.1.    In het nader SAOZ-advies van 17 september 2015 is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van het uitvaartcentrum van twee á drie keer per week met per gebruik ongeveer tien te parkeren auto’s. Volgens het SAOZ-advies beschikt het uitvaartcentrum over drie parkeerplaatsen op eigen terrein en is er voldoende parkeerruimte in de Sint Rochusstraat en op het ten noorden daarvan gelegen Rochusplein om in de resterende parkeerbehoefte van het centrum te voorzien. De beperkte uitbreiding van de parkeerbehoefte ter plaatse leidt op zichzelf niet tot extra waardevermindering van het perceel van [appellant], aldus het SAOZ-advies. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in de Sint Rochusstraat geen parkeerprobleem bestaat. Daarbij heeft het toegelicht dat de politie deze opvatting deelt.

    Volgens een door het college bij het verweerschrift gevoegde plattegrond met een schaal van 1:1500 bevindt zich op het bouwperceel voor het gebouw van het uitvaartcentrum een onbebouwd terrein met een diepte van ongeveer 15 en een breedte van ongeveer 8 meter. Volgens de tabellen 10.8/1 en 10.8/2 van het Handboek parkeren van het CROW (www.kennisbank.crow.nl) behoeft een parkeerplaats voor haaks of gestoken parkeren van een personenauto een breedte van 2,50 meter en een lengte van 5,00 meter.

    Uit het voorgaande volgt dat in het SAOZ-advies met juistheid is vermeld dat op het eigen terrein van het uitvaartcentrum ruimte is om drie auto’s te parkeren. Het college heeft verder met het nader SAOZ-advies en de ter zitting gegeven toelichting aannemelijk gemaakt dat in de omgeving van het uitvaartcentrum voldoende parkeerruimte aanwezig is voor de parkeerbehoefte van het centrum. Gezien de beperkte omvang van het uitvaartcentrum hoefde het college dat standpunt niet nader te motiveren met parkeergegevens over de Sint Rochusstraat en omgeving.

    [appellant] heeft overzichten van door hem in de jaren 2013 en 2014 uitgevoerde tellingen van verkeersbewegingen ter hoogte van het uitvaartcentrum overgelegd. Deze overzichten bevatten aantallen van door hem nabij het uitvaartcentrum getelde motorvoertuigen en fietsen, met vermelding van automerk en vaak ook het tijdstip van de telling. Met deze overzichten heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat in de Sint Rochusstraat en omgeving onvoldoende parkeergelegenheid is voor de parkeerbehoefte van het uitvaartcentrum, reeds omdat die overzichten geen informatie over de ter plaatse beschikbare parkeerruimte en het gebruik daarvan bevatten.

    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college met het nader SAOZ-advies van 17 september 2015 het gebrek in het besluit van 15 juli 2014 heeft hersteld.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De rechtbankuitspraken dienen, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Oranje

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

507.