Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201606619/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:9754, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over het jaar 2012 herzien en vastgesteld op nihil, waarbij de reeds uitbetaalde huurtoeslag ten bedrage van € 1.360,00 van haar is teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606619/1/A2.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2016 in zaak nr. 15/9292 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over het jaar 2012 herzien en vastgesteld op nihil, waarbij de reeds uitbetaalde huurtoeslag ten bedrage van € 1.360,00 van haar is teruggevorderd.

Bij besluit van 10 november 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nrs. 201606620/1/A2 en 201606621/1/A2, ter zitting behandeld op 6 april 2017, waar [appellante], vergezeld van [haar dochter], en bijgestaan door mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Na de zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het geschil gaat over het recht op huurtoeslag van [appellante] over het berekeningsjaar 2012. Huurtoeslag is een tegemoetkoming als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir).

2.    De meerderjarige dochter van [dochter], woont bij haar in; zij zijn beiden ingeschreven op hetzelfde adres in de Basisregistratie persoonsgegevens. [dochter] verzorgt [appellante], die niet zelfstandig kan wonen als gevolg van dementie. In verband met de verzorgingsbehoefte van [appellante] heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een verklaring afgegeven dat per 24 april 2012 verzorging op grond van de destijds geldende Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) is geïndiceerd.

    [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om bij de beoordeling van haar aanspraak op huurtoeslag haar dochter - die in het kader van de huurtoeslag geldt als medebewoner - buiten beschouwing te laten vanwege een verzorgingsbehoefte.

Standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen

3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft het recht van [appellante] op huurtoeslag over het berekeningsjaar 2012 herzien naar aanleiding van gewijzigde gegevens over het inkomen van [dochter]. Deze gegevens zijn afkomstig van de inspecteur van de Belastingdienst. Aan het besluit van 10 november 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat het gezamenlijke inkomen van [appellante] en [dochter] in 2012 te hoog was om in aanmerking te komen voor huurtoeslag over dat jaar. De dienst is niet tegemoet gekomen aan het verzoek van [appellante] het inkomen van haar dochter buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van haar aanspraak op huurtoeslag.

    De rechtbank heeft het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd en het beroep van [appellante] ongegrond verklaard.

Wettelijk kader

4.    Artikel 7 van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) luidt:

"1  Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

2  Ten aanzien van een bepaalde woning kan slechts aan één huurder een huurtoeslag worden toegekend."

    De relevante bepalingen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) luiden:

Artikel 7

[…]

"2  Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen."

[…]"

Artikel 20

"1  Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.

[…]

3  Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een uit te betalen bedrag doch ook tot een terug te vorderen bedrag."

    Artikel 2a van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: het Bht) luidde in 2012:

"1  Op verzoek blijft voor de toepassing van artikel 2 van de wet, van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de op die artikelen berustende bepalingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, een partner of medebewoner buiten beschouwing indien sprake is van een verzorgingsbehoefte bij de huurder, diens partner of een medebewoner.

2  Het eerste lid geldt uitsluitend ten aanzien van de partner of medebewoner die met het oog op de verzorgingsbehoefte van de huurder of van hemzelf op hetzelfde woonadres als de huurder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en is van toepassing indien:

a. de verzorgingsbehoefte blijkt uit een verklaring van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

b. het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over het berekeningsjaar van de in het eerste lid bedoelde buiten beschouwing te laten persoon, niet meer bedraagt dan € 3 850 en

c. het gezamenlijke toetsingsinkomen van de huurder, diens partner en de medebewoners, met inbegrip van de in het eerste lid bedoelde buiten beschouwing te laten persoon, niet meer bedraagt dan € 42 250."

Artikel 2b van het Bht luidt:

"1  Op verzoek blijven bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing:

a. afkoopsommen van ouderdoms- of nabestaandenpensioen die in het berekeningsjaar niet meer bedragen dan het bedrag dat is opgenomen in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 78, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

b. nabetalingen van inkomsten als bedoeld in afdeling 3.3 en 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

c. wezenuitkeringen die met toepassing van artikel 49 van de Algemene nabestaandenwet aan een ander dan de wettelijke vertegenwoordiger van het kind betaalbaar zijn gesteld;

d. afkoopsommen op grond van de Liquidatiewet ongevallenwetten;

e. verhogingen op grond van artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 2:51 of 3:9 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzover het bedrag van de verhoging niet hoger is dan het in artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde drempelbedrag voor uitgaven voor specifieke zorgkosten."

Toepassing hardheidsclausule

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van [dochter] buiten beschouwing had moeten laten bij de berekening van haar recht op huurtoeslag over 2012, nu er bij haar een verzorgingsbehoefte is. [appellante] voert aan dat zij absoluut afhankelijk is van de zorg die wordt verleend door haar dochter en niet in staat is om zelfstandig te wonen. Het inkomen van [dochter] is afkomstig uit een persoonsgebonden budget en moet daarom volgens [appellante] naar analogie worden aangemerkt als een bijzonder inkomensbestanddeel dat ingevolge artikel 2b, eerste lid, van het Bht buiten beschouwing dient te blijven.

5.1.    Het bij de rechtbank bestreden besluit van 10 november 2015 betreft de herziening van een definitieve toekenning van huurtoeslag over 2012 aan [appellante]. Bij een eerder besluit van 15 augustus 2014 was aan [appellante] huurtoeslag over dit berekeningsjaar toegekend. Bij dit besluit had de Belastingdienst/Toeslagen rekening gehouden met een verzorgingssituatie en, met toepassing van artikel 2a van het Bht, [dochter] buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de aanspraak op huurtoeslag.

    Het bij besluit van 10 november 2015 gehandhaafde besluit van 14 november 2014 is genomen naar aanleiding van het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen van [dochter]. De inspecteur heeft het verzamelinkomen van [dochter] over 2012 vastgesteld op € 30.687,00. Indien dit wordt opgeteld bij het over dat jaar vastgestelde inkomen van [appellante] ad € 13.135,00, bedraagt het gezamenlijk inkomen van [appellante] en [dochter] € 43.822,00. Dit inkomen is hoger dan de door de regelgever voor berekeningsjaar 2012 in artikel 2a vastgestelde grens van € 42.250,00. Daarom moet volgens de Belastingdienst/Toeslagen alsnog het inkomen van [dochter] worden betrokken bij de berekening van de aanspraak op huurtoeslag van [appellante].

5.2.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3534, wordt overwogen, dat de Belastingdienst/Toeslagen, naar aanleiding van het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen van [dochter], op voet van artikel 20 van de Awir verplicht was de tegemoetkoming - in dit geval de huurtoeslag - opnieuw te berekenen. De inspecteur gaat over de vaststelling van het verzamelinkomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit inkomen in deze procedure niet ter discussie kan worden gesteld. Verder is bij besluiten van 13 oktober 2012 en 7 januari 2013 door de Belastingdienst/Toeslagen beslist op een verzoek om toepassing van artikel 2b van het Bht. Een dergelijk verzoek ligt niet ten grondslag aan deze procedure. Voor zover het betoog van [appellante] ziet op het inkomen van [dochter] blijft dit dan ook buiten bespreking.

5.3.    Niet in geschil is dat is voldaan aan het vereiste van artikel 2a, tweede lid, onder a, van het Bht. De verzorgingsbehoefte staat dus vast. Daarnaast zijn in artikel 2a van het Bht grenzen aan het inkomen en vermogen gesteld. De rechtbank heeft verwezen naar de nota van toelichting (Stb. 2005, 692, p. 13) bij het Bht waarin is opgenomen dat de hardheidsclausule van artikel 2a is bedoeld voor bijzonder harde situaties en dat daarom in de onderdelen b en c van het tweede lid van dit artikel nadere voorwaarden aan de hoogte van het inkomen en vermogen zijn gesteld. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4155, overwogen dat voor de Belastingdienst/Toeslagen geen wettelijke grondslag bestaat voor afwijking van het Bht of de Wht buiten de daarin omschreven specifieke gevallen.

    Het betoog faalt.

Vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel

6.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

    Uit hetgeen [appellante] in dit verband heeft aangevoerd, wat daar verder ook van zij, blijkt niet dat de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] een toezegging heeft gedaan over haar recht op huurtoeslag over 2012. Het door [appellante] gedane beroep op het vertrouwensbeginsel is door de rechtbank dan ook op goede gronden verworpen.

7.    Anders dan [appellante] betoogt, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij heeft haar beroep op dit beginsel niet geconcretiseerd door aan te geven om welke gelijke of gelijk te stellen gevallen het volgens haar gaat. Ook ter zitting bij de Afdeling is niet duidelijk geworden welke concrete situatie [appellante] met haar stelling over opname in een verzorgingshuis voor ogen heeft.

Hoorplicht

8.    [appellante] komt tot slot op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen in bezwaar heeft mogen afzien.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3056), vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd.

    Uit artikel 7, eerste lid, van de Wht en artikel 7, tweede lid, van de Awir volgt dat het inkomen van iedere medebewoner moet worden betrokken bij het toetsingsinkomen. Het inkomen van de medebewoner wordt ingeval sprake is van een zorgbehoefte alleen dan niet tot het toetsingsinkomen gerekend als is voldaan aan alle in artikel 2a van het Bht neergelegde voorwaarden. Zoals volgt uit hetgeen onder 5.1 is overwogen, is het gezamenlijke toetsingsinkomen van het meerpersoonshuishouden van [appellante] hoger dan het bedrag dat is vermeld in artikel 2a, tweede lid, onder c, van het Bht. Zij voldoet daarom niet aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 2a van het Bht. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, gelet op het voorgaande, redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar en dat de Belastingdienst/Toeslagen om die reden van het horen van [appellante] heeft mogen afzien.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Hoogvliet

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

710.