Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201700047/1/A2, 201700048/1/A2 en 201700049/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6404, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6403, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij 64 brieven van verschillende data tussen 28 augustus 2015 en 12 november 2015 heeft [appellant] bezwaar gemaakt in verband met voertuigen die hij stelt te hebben ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) aangehouden register van opgegeven kentekens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700047/1/A2, 201700048/1/A2 en 201700049/1/A2.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], h.o.d.n. [bedrijf], te Utrecht,

tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2016 in zaken nrs. 15/6556, 15/6582, 15/6908, 15/6910, 16/1097 e.a. en 16/241 e.a. in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (lees: de directie van de Dienst Wegverkeer; hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij 64 brieven van verschillende data tussen 28 augustus 2015 en 12 november 2015 heeft [appellant] bezwaar gemaakt in verband met voertuigen die hij stelt te hebben ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) aangehouden register van opgegeven kentekens.

Bij 64 besluiten van verschillende data tussen13 november 2015 en 27 januari 2016 heeft de RDW de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij drie uitspraken van 23 november 2016 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde afzonderlijke beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken, waarbij de zaaknummers en andere zaakgegevens zijn gespecificeerd in bijlagen, zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 27 juli 2017, waar [appellant], bijgestaan door A.F.M.J. Verhoeven en M.P.C. van Limpt, werkzaam bij Netcar Juridische Dienstverlening BV, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C.B.J. Maenhout, zijn verschenen.

Overwegingen

Het wettelijk kader

1.    De belangrijkste wettelijke bepalingen die voor dit geschil relevant zijn, zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

De aangevallen uitspraken: het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van de bezwaren

2.    [appellant] importeert bedrijfsmatig auto’s, voornamelijk gebruikte. Hij kan zich met name niet verenigen met de handelwijze van de RDW als die auto’s enige schade blijken te hebben. In dat verband heeft [appellant] een groot aantal bezwaarschriften ingediend. De RDW heeft de bezwaren van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen afschriften van de besluiten waartegen bezwaar werd gemaakt heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de RDW dit ten onrechte aan [appellant] heeft tegengeworpen en de bezwaren daarom in zoverre ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nog daargelaten dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in artikel 6:5 geen verplichting kent om in bezwaar een dergelijk afschrift te overleggen en de RDW niet heeft gemotiveerd waarom dit toch van [appellant] kon worden verlangd, heeft de RDW hem niet op grond van artikel 6:6 van de Awb in de gelegenheid gesteld dit mogelijke verzuim te herstellen. De RDW heeft met de verzonden herstelverzuimbrieven niet verzocht afschriften van de besluiten waartegen bezwaar werd gemaakt te overleggen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de RDW de bezwaren van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het niet-overleggen van de besluiten waartegen bezwaar is gemaakt nu hij hier ook niet om heeft verzocht, zodat de bestreden besluiten niet berusten op een deugdelijke motivering en zijn genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Dit is in hoger beroep niet in geschil.

3.    De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of er aanleiding is het geconstateerde gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Ingevolge die bepaling kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

4.    De rechtbank heeft in alle zaken, zij het om verschillende redenen, geoordeeld dat de RDW de bezwaren van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank heeft voorts in alle zaken geoordeeld dat de RDW de bezwaren ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft geacht en daarom van het horen van [appellant] in bezwaar heeft kunnen afzien. Op basis van de bezwaren van [appellant] en zijn toelichting in reactie op de herstelverzuimbrieven kan volgens de rechtbank redelijkerwijs geen twijfel mogelijk zijn over de niet-ontvankelijkheid van de bezwaren. Gelet hierop heeft de rechtbank aanleiding gezien het geconstateerde gebrek in alle bestreden besluiten met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat [appellant] door het motiveringsgebrek niet is benadeeld. Voor de RDW kon reeds op voorhand duidelijk zijn dat de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk waren. Daarbij is voor de rechtbank van belang dat [appellant] het blijkbaar niet nodig heeft gevonden om in reactie op de herstelverzuimbrieven een nadere duiding te geven tegen welke besluiten zijn bezwaren waren gericht. De rechtbank merkt in dit verband ook nog op dat, anders dan [appellant] veronderstelt, het primaire doel van een hoorzitting niet het herstellen van aan een bezwaarschrift klevende verzuimen is.

Het geschil in hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank geen toepassing had mogen geven aan artikel 6:22 van de Awb maar tot een vernietiging van de besluiten op bezwaar had moeten komen en de RDW opdracht had moeten geven hem alsnog te horen. Dan zou duidelijk kunnen zijn geworden waarover de bezwaren precies gingen. Het geschil spitst zich aldus toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de RDW op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb ervan heeft kunnen afzien om [appellant] over zijn bezwaren te horen.

Het oordeel van de Afdeling

6.    Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. Daarvan kan met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb alleen worden afgezien indien in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat alle bezwaarschriften van [appellant] betrekking hebben op importvoertuigen die hij stelt te hebben ingeschreven in het krachtens de WVW 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. In de meeste gevallen worden de voertuigen in het bezwaarschrift met merk en voertuigidentificatienummer (VIN) omschreven en wordt de datum van inschrijving vermeld. In de bezwaarschriften voert [appellant] aan dat hij een hoger bedrag heeft betaald voor de tenaamstelling van het importvoertuig dan voor een binnenlands geregistreerd voertuig wordt gevraagd en dat dit handelsbelemmerend is en in strijd met het Unierecht. Daarnaast heeft [appellant] in de bezwaarschriften erop gewezen dat aan zijn voertuigen onterecht een zogenoemde WOK (Wachten op Keuren)-status is toegekend.

6.2.    Omdat hem onvoldoende duidelijk was tegen welke besluiten bezwaar werd gemaakt heeft de RDW in de ontvangstbevestigingen van de bezwaarschriften aan [appellant] gevraagd te verduidelijken tegen welke besluiten de bezwaren waren gericht. Hoewel het begrijpelijk is dat de RDW dit heeft gedaan en er voor [appellant] ook niets aan in de weg had hoeven staan om een nadere duiding van de gestelde besluiten te geven door bijvoorbeeld nadere informatie te verschaffen en bonnetjes of facturen van de betaalde bedragen te overleggen in plaats van te volstaan met de algemene reactie dat het hem ging om de WOK-status en dat het bezwaarschrift voldoende was gemotiveerd, heeft de RDW ter zitting uiteindelijk erkend dat de gestelde besluiten aan de hand van de gegeven informatie voor de dienst voldoende identificeerbaar en traceerbaar waren. In het ontbreken van een nadere duiding was daarom geen belemmering gelegen voor de ontvankelijkheid van de bezwaren. De rechtbank heeft weliswaar terecht opgemerkt dat het primaire doel van een hoorzitting niet is het herstellen van aan een bezwaarschrift klevende verzuimen, maar daar ging het in geval van [appellant] niet om. Het ging hier om het verkrijgen van nadere informatie om de bezwaren goed te kunnen behandelen. Een hoorzitting kan daartoe dienen. De Afdeling volgt de rechtbank daarom in deze specifieke gevallen niet in haar oordeel dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk kon zijn over de niet-ontvankelijkheid van de bezwaren en dat voor de RDW reeds op voorhand duidelijk was dat de bezwaren niet-ontvankelijk waren.

    Dit ligt weliswaar op zichzelf anders voor het bezwaarschrift dat bij de rechtbank heeft geleid tot zaaknr. 15/6556, omdat daarin geen specifieke voertuigen worden genoemd en daarom aan dit bezwaarschrift zonder nadere informatie, die [appellant] desgevraagd schriftelijk niet aan de RDW heeft gegeven, geen concrete besluiten kunnen worden gekoppeld, maar gelet op het grote aantal bezwaarschriften dat [appellant] binnen een korte tijdsspanne over dezelfde problematiek heeft ingediend, ligt het niet in de rede om een enkel bezwaarschrift daarvan af te zonderen en dit zonder te horen af te doen. Dat nadien, in beroep bij de rechtbank, is gebleken dat een deel van de opgegeven voertuigidentificatienummers onjuist was of niet was te herleiden tot een voertuig dan wel dat de gestelde inschrijving (nog) niet had plaatsgevonden of aan bepaalde voertuigen geen WOK-status bleek te zijn toegekend, hetgeen ook zou kunnen leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren, leidt evenmin tot een ander oordeel over het horen. Dit zijn bij uitstek aspecten waarover in de gevallen die nu aan de orde zijn een hoorzitting duidelijkheid had kunnen bieden.

6.3.    Nu de RDW ten onrechte van het horen van [appellant] heeft afgezien en [appellant] daardoor is benadeeld, wordt niet voldaan aan het toepassingscriterium van artikel 6:22 van de Awb. Het daarop gerichte betoog van [appellant] slaagt.

Conclusie in hoger beroep

7.    De hoger beroepen zijn daarom gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd en de Afdeling zal de bij de rechtbank ingestelde beroepen alsnog gegrond verklaren en de bestreden besluiten op bezwaar vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb - zoals door de rechtbank vastgesteld en in hoger beroep niet aangevallen - alsmede artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb.

Hoe nu verder?

8.    De Afdeling kan thans niet komen tot een definitieve beslechting van het geschil. De Afdeling acht het aangewezen dat partijen met elkaar in gesprek gaan en de RDW [appellant] alsnog hoort over diens bezwaren, in het licht van hetgeen in beroep en hoger beroep is besproken. Daarbij betrekt de Afdeling dat duidelijk is geworden dat [appellant] het ten principale oneens is met de wijze waarop door de RDW de WOK-status aan geïmporteerde voertuigen wordt toegekend en dat hij zich evenmin kan verenigen met de in rekening gebrachte tarieven. Ter zitting in hoger beroep is erover gesproken om de zaken in hoger beroep aan te houden in afwachting van overleg tussen partijen hierover, doch dit stuitte op weerstand van de zijde van de RDW, mede omdat er volgens de RDW nog zeer veel vergelijkbare bezwaren over de WOK-status aanhangig zijn, al dan niet van [appellant] en/of diens gemachtigde, en de onderhavige zaken primair over de kennelijke niet-ontvankelijkheid gaan. Tijdens een hoorzitting kan worden besproken of er tussen de 64 zaken een zaak zit die geschikt is voor een proefprocedure of dat een andere bezwaarzaak daarvoor in aanmerking komt. De overige zaken kunnen dan, in overleg, in bezwaar worden aangehouden. Voor zover [appellant] in zijn bezwaarschriften geen of onjuiste voertuignummers heeft genoemd, kan [appellant], om de zaken overzichtelijk te houden, overwegen zijn bezwaren in te trekken. Voor zover aan bepaalde voertuigen geen WOK-status is toegekend en [appellant] daartegen wel is opgekomen, kan hij eveneens overwegen de bezwaren in te trekken.

    Indien in de onderhavige bezwaarzaken nieuwe besluiten worden genomen en [appellant] daartegen wenst op te komen, ziet de Afdeling met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Overwegingen ten overvloede

9.    Gelet op hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraken heeft overwogen en op het verhandelde ter zitting, zal de Afdeling ter voorlichting van partijen ten overvloede kort ingaan op het besluitkarakter van de in rekening gebrachte bedragen en de WOK-status.

9.1.    In de Regeling tarieven Dienst Wegverkeer 2015, zoals die gold ten tijde van belang, thans de Regeling tarieven Dienst Wegverkeer 2017 (hierna: de Regeling tarieven), en de daarbij behorende Bijlagen zijn tarieven en bedragen vastgesteld voor producten, diensten en andere werkzaamheden en handelingen van de RDW. Ingevolge artikel 14 daarvan zijn de tarieven voor aanvragen inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling, kentekenbewijzen, rijbewijzen, registratiebewijzen en schorsing tenaamstelling in het kentekenregister alsmede verval tenaamstelling in het kentekenregister, vermeld in bijlage VI. Voor zover [appellant] stelt dat hij een voertuig heeft ingeschreven in het krachtens de WVW 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens en hij daarvoor een bedrag van € 97,50 heeft voldaan, waarvan naar gesteld € 38,00 voor de inschrijving in het kentekenregister en € 58,50 voor de identificatie, en het gestelde is te herleiden tot een concreet voertuig en een concrete factuur dan wel andersoortige rekening van de RDW voor deze werkzaamheden, vormt de rekening een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De omstandigheid dat de bedragen in de Regeling tarieven zijn vastgesteld laat onverlet dat eerst met de rekening een individuele en concrete betalingsverplichting in het leven wordt geroepen voor specifieke werkzaamheden. De situatie ligt in zoverrre niet anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR5084. Dit betekent dat de rekening is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

9.2.    De rechtbank is de RDW gevolgd in zijn standpunt dat de toekenning van een WOK-status een voorbereidingshandeling is als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. In zijn schriftelijke uiteenzetting in hoger beroep in zaaknr. 201700049/1/A2 en ter zitting heeft de RDW toegelicht dat de WOK-status als zodanig niet is opgenomen en gedefinieerd in de door de RDW uit te voeren wet- en regelgeving, maar dat een schadevoertuig niet op de weg mag rijden en dat in de praktijk daaraan de WOK-status wordt verbonden. Daarbij heeft de RDW gewezen op artikel 38 van het Kentekenreglement en toegelicht dat hij bij de tenaamstelling, en niet eerder, kan bepalen dat met het tenaamgesteld voertuig niet op de weg mag worden gereden totdat dit is goedgekeurd en dat dit eerst dan rechtsgevolg heeft, omdat met een voertuig dat niet is tenaamgesteld sowieso niet op de weg mag worden gereden. Het maken van een WOK-aantekening na een eerste onderzoek bij de import van een voertuig heeft dus nog geen rechtsgevolg. De Afdeling kan de RDW hierin voorshands volgen. Dit betekent dat bij de tenaamstelling kan worden opgekomen tegen een op basis van de gehandhaafde WOK-status genomen besluit als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Kentekenreglement. De vraag die dan voorligt is of dit impliceert dat bij de tenaamstelling ook kan worden opgekomen tegen een eerdere WOK-aantekening die als WOK-historie zichtbaar blijft ook als het voertuig nadien is goedgekeurd en er na de tenaamstelling mee op de weg mag worden gereden. Gelet op artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder c, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een technische beoordeling van een voertuig. Ter zitting is gebleken dat het [appellant] niet gaat om de technische beoordeling van een voertuig als zodanig maar om de criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling of een voertuig een schadevoertuig in de zin van de WVW 1994 is en dat zijn grootste bezwaar tegen de handelwijze van de RDW daarin is gelegen dat een bij de import van een voertuig gemaakte WOK-aantekening bij een eerste onderzoek of voorregistratie altijd als WOK-historie zichtbaar blijft ook als het, naar hij stelt, bijvoorbeeld gaat om een barstje in de voorruit, waardoor een voertuig het stigma heeft gekregen van een schadevoertuig en moeilijker verkoopbaar is. De hoorzitting kan er voor partijen toe dienen om uit te zoeken in hoeverre er in de onderhavige bezwaarzaken sprake is van een besluit waarbij de WOK-status dan wel WOK-historie aan de orde kan worden gesteld en dat kan dienen als basis voor een proefprocedure of dat een andere zaak zich daarvoor beter leent.

De proceskosten en het griffierecht

10.    De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling merkt Netcar Juridische Dienstverlening BV, in de persoon van A.F.M.J. Verhoeven, daarbij aan als beroepsmatig verlener van rechtsbijstand in zaken op het terrein van de RDW. Op de berekening van de proceskosten is het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing. De rechtbank heeft 64 beroepen op één zitting behandeld en in drie uitspraken geclusterd afgedaan. Deze zaken zijn samenhangend en worden daarom voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand beschouwd als één zaak, zij het dat op de punten voor het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting (beide 1 punt) vanwege het aantal samenhangende zaken de factor 1,5 wordt toegepast. In hoger beroep gaat het om drie hoger beroepen waarvoor de factor 1 geldt.

11.    De RDW dient ook het door [appellant] betaalde griffierecht te vergoeden. In hoger beroep is dat totaal € 750,00. Hoeveel griffierecht in totaal door de rechtbank is geheven is de Afdeling uit de dossiers niet gebleken. [appellant] zal het totaal in beroep betaalde bedrag ten overstaan van de RDW aan de hand van facturen en betalingsbewijzen moeten aantonen en de RDW zal dit dan moeten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraken van de rechtbank Midden Nederland van 23 november 2016 in zaken nrs. 15/6556, 15/6582, 15/6908, 15/6910, 16/1097 e.a. en 16/241 e.a.;

III.    verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt de bij de rechtbank bestreden besluiten op bezwaar, zoals vermeld op de bijlagen bij de uitspraken van de rechtbank;

V.    bepaalt dat tegen de door de directie van de Dienst Wegverkeer te nemen nieuwe besluiten slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.475,00 (zegge: vierentwintighonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de directie van de Dienst Wegverkeer aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro) voor de behandeling van de hoger beroepen alsmede het betaalde griffierecht voor de behandeling van de beroepen vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Dallinga

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

18. BIJLAGE

De voor het geschil relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht luiden als volgt:

Artikel 6:3

Een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Artikel 6:5

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

2. Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.

3. (…).

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:2

1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Artikel 7:3

Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,

d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of

e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

De voor het geschil relevante bepalingen van de wegenverkeerswetgeving luiden als volgt:

Artikel 4b WVW 1994

1. De Dienst Wegverkeer is belast met de volgende taken:

(…)

n. het met inachtneming van het bepaalde in artikel 4q vaststellen en heffen van de tarieven, alsmede het vaststellen van de wijze van betaling van deze tarieven, voor het verrichten van taken waarvoor de Dienst Wegverkeer bij of krachtens deze wet bevoegd is, alsmede voor de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken;

(…).

Artikel 4q WVW 1994

1. De hoogte van de tarieven, bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, dient te worden gerelateerd aan de met de uitoefening van de taak gemoeide kosten.

2. Het tarief, bedoeld in artikel 48, eerste lid, voor de aanvraag van een inschrijving en tenaamstelling in het kentekenregister omvat mede een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld bedrag dat strekt ter dekking van de kosten van:

a. het registreren van keuringsrapporten,

b. het ongeldig verklaren van kentekenbewijzen, tenzij de Dienst Wegverkeer ingevolge artikel 52c, tweede lid, een tarief voor de ongeldigheid heeft vastgesteld,

c. het verstrekken van gegevens uit het kentekenregister als bedoeld in artikel 43, eerste en tweede lid, en bij algemene maatregel van bestuur te bepalen verstrekkingen,

d. het behandelen van klachten en ingevolge de Algemene wet bestuursrecht ingediende bezwaarschriften en beroepsschriften gericht op het handelen van de Dienst Wegverkeer,

e. het opsporen van bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten voor zover ambtenaren van de Dienst Wegverkeer daarmee ingevolge artikel 159 zijn belast,

f. het beheer en instandhouding van het in artikel 13, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bedoelde register,

g. het verstrekken van gegevens uit het in onderdeel f genoemde register aan degenen die ingevolge de in artikel 38, tweede lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bedoelde algemene maatregel van bestuur niet tot betaling van het ter zake vastgestelde tarief zijn gehouden,

h. de inspectie bedoeld in artikel 45a, tweede lid, indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer blijkt dat de gegevens juist in het kentekenregister zijn opgenomen dan wel de onjuistheid van een gegeven degene aan wie het kentekenbewijs voor het geïnspecteerde voertuig is afgegeven niet kan worden tegengeworpen,

i. het toezicht op het terugroepen door de fabrikant van reeds in de handel gebrachte voertuigen,

j. het uitvoeren van experimenten op grond van artikel 186, eerste en tweede lid, en het opstellen van het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van experimenten op grond van artikel 186, derde lid,

k. het uitvoeren van de op grond van artikel 4b, eerste lid, onderdeel r, opgedragen taken,

l. verstrekkingen waarbij inning van het tarief meer kost dan het te innen tarief.

Artikel 48 WVW 1994

1. Inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling vinden, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van de daarvoor door deze dienst vastgestelde tarieven, plaats op aanvraag van:

a. in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt, dan wel

b. in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt indien de aanvraag betrekking heeft een inschrijving en tenaamstelling van een bromfiets, en

c. in Nederland gevestigde rechtspersonen.

2. Inschrijving in het kentekenregister vindt slechts plaats indien het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de inschrijving wordt verlangd, overeenkomstig artikel 22 of 26 is goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg en, indien na die toelating wijziging is aangebracht in de bouw of inrichting van dat voertuig, die wijziging, behoudens in het geval dat geen goedkeuring is vereist, overeenkomstig artikel 99, eerste lid, of 100, eerste lid, is goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.

3. In bepaalde uitzonderingsgevallen kan door de Dienst Wegverkeer een motorrijtuig of aanhangwagen worden ingeschreven, indien ten aanzien van het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarvoor de inschrijving wordt verlangd, niet is voldaan aan het eerste en tweede lid.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de ingevolge het eerste lid gestelde eisen aan de aanvrager van een inschrijving niet gelden ten aanzien van de aanvrager van een inschrijving ter zake van een kenteken als bedoeld in artikel 38.

5. Ingeval de aanvrager van een inschrijving en tenaamstelling van een bromfiets de leeftijd heeft van zestien of zeventien jaar, wordt diens wettelijke vertegenwoordiger verondersteld te hebben toegestemd in de aanvraag.

6. In afwijking van artikel 47 kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen een voertuig in het kentekenregister worden ingeschreven zonder tenaamstelling. Door de Dienst Wegverkeer kan worden bepaald dat deze wijze van inschrijven gevolgen heeft voor het tijdstip van de verschuldigdheid van een deel van de in het eerste lid bedoelde tarieven.

7. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in door de Dienst Wegverkeer te bepalen gevallen met een ingeschreven en te naam gesteld motorrijtuig of aanhangwagen niet op de weg mag worden gereden.

8. Het verbod bedoeld in het zevende lid geldt vanaf een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.

Artikel 38 Kentekenreglement

Verbod rijden over de weg

1. De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat met een te naam gesteld voertuig niet op de weg mag worden gereden indien naar het oordeel van deze dienst:

a. het voertuig niet ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van de in artikel 45a, tweede lid, van de wet bedoelde inspectie, of

b. het voertuig niet voldoet aan een of meer van de in artikel 51a, derde lid, onderdelen b, c, of d, van de wet bedoelde eisen.

2. Het verbod om met een voertuig op de weg te rijden als bedoeld in artikel 48, zevende lid, van de wet geldt vanaf het tijdstip waarop dit door een van de in artikel 159 van de wet bedoelde personen is aangezegd.

3. Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid zich voordoet dan wordt daarvan een aantekening in het kentekenregister geplaatst.

4. In afwijking van het tweede lid mag op de dag waarop het voertuig waarvoor de kentekencard is afgegeven naar aanleiding van een aanvraag van een keuring als bedoeld in artikel 99 of artikel 106 van de wet aan een zodanige keuring wordt onderworpen, met dat voertuig via de kortste route naar en van de plaats van keuring worden gereden.

5. Onverminderd het in het eerste lid bepaalde mag een voertuig waarmee niet mag worden gereden op de weg staan.

Artikel 14 Regeling tarieven Dienst Wegverkeer 2015

De tarieven met betrekking tot aanvragen inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling, kentekenbewijzen, rijbewijzen, registratiebewijzen en schorsing tenaamstelling in het kentekenregister alsmede verval tenaamstelling in het kentekenregister, zijn vermeld in bijlage VI.