Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2231

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201702500/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college het uitwerkingsplan "De Dam fase 2" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4568
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702500/1/R6.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Strijen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Strijen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college het uitwerkingsplan "De Dam fase 2" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. den Uyl, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door L. Bos, G.M. Moret-Roekx en A.H. Rotscheid-Terlaak, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de raad van de gemeente Strijen het bestemmingsplan "Dorpskern Strijen" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. In het bestemmingsplan is aan een gebied gelegen tussen de Boompjesstraat, de Schenkeldijk en de Dam te Strijen de bestemming "Wonen - Uit te werken" toegekend. Artikel 25, lid 25.2, van de planregels bevat een uitwerkingsplicht voor deze bestemming. Met het voorliggende uitwerkingsplan is uitvoering gegeven aan die uitwerkingsplicht.

    Het plangebied is in de huidige situatie een grotendeels onbebouwd terrein, waar voorheen enkele agrarische en niet-agrarische bedrijven waren gevestigd. Het plan maakt hier de bouw van maximaal 28 woningen mogelijk met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, wegen en parkeerplaatsen. De ontwikkeling van het plangebied tot woongebied vormt de tweede fase van de herontwikkeling van het gebied De Dam. Er zullen 13 koopwoningen en 15 huurwoningen worden gebouwd in een groene woonomgeving met een dorps karakter. De woningen worden ontwikkeld door HW Wonen.

2.    [appellant] is eigenaar en bewoner van het perceel [locatie] te Strijen. Zijn perceel grenst aan de achterzijde aan het plangebied.

    [appellant] voert aan dat het beoogde type woningen niet in de omgeving past. Daarnaast betoogt hij dat het plan ten onrechte niet voorziet in een extra uitgang aan de achterzijde van zijn perceel. [appellant] vreest voorts aantasting van zijn privacy, uitzicht en lichtinval en hinder door parkeren en extra verkeer. Verder voert [appellant] onder meer aan dat het onderhoud van het groen en water in het plangebied onvoldoende is verzekerd, dat ten onrechte geen beplantingsplan voor de groenstrook achter zijn woning is voorgeschreven en dat de woningbouw in het plangebied leidt tot het verlies van speelvoorzieningen.

Intrekking beroepsgronden

3.    Ter zitting heeft [appellant] de beroepsgronden over schade door bouwwerkzaamheden en verkeersveiligheid ingetrokken.

Toetsingskader

4.    Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, dient het college van burgemeester en wethouders in beginsel een uitwerkingsplan vast te stellen. In het kader van een beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht, daaronder begrepen of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, voor zover die regels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven.

Type woningen

5.    [appellant] betoogt dat de nieuwe woningen in het plangebied niet passen in het karakter van de woonomgeving. In het plangebied worden volgens hem goedkopere, sociale huurwoningen gebouwd, terwijl de woonomgeving zich kenmerkt door twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen uit het duurdere segment. [appellant] acht woningen van dat laatste type wenselijker en stelt dat er in een eerder stadium nog voornemens bestonden voor de bouw van dergelijke woningen in het plangebied.

5.1.    HW Wonen heeft het voornemen 13 koopwoningen en 15 sociale huurwoningen te bouwen, waarvan volgens het college 3 koopwoningen en 4 huurwoningen als seniorenwoningen zullen worden uitgevoerd.

    Het plan maakt de bouw van ten hoogste 28 woningen mogelijk. De planregels van het uitwerkingsplan schrijven geen bepaald type woningen voor. De Afdeling begrijpt het betoog zo dat het voornamelijk is gericht tegen het maximumaantal woningen en de omvang en situering van de bouwvlakken in het uitwerkingsplan.

5.2.    Het college stelt dat het uitgangspunt van de gemeente Strijen is dat elke inwoner in beginsel in staat moet zijn om binnen de gemeente passende woonruimte te vinden. Gezien de toekomstige ontwikkelingen wat betreft bevolkingsontwikkeling en huishoudenssamenstelling legt het college kwalitatief de prioriteit bij het bouwen van woningen voor starters en jonge gezinnen, ouderen en het toenemend aandeel eenpersoonshuishoudens. Omdat het aantal sociale huurwoningen in de gemeente de laatste jaren is afgenomen, werkt de gemeente daarnaast aan het op peil houden van de voorraad sociale huurwoningen door op de beschikbare woningbouwlocaties een gemengd programma te realiseren. Dit sluit volgens het college aan bij de doelstellingen van de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard uit 2015.

Ook voor het ontwikkelingsgebied de Dam - waarvan het plangebied deel uitmaakt - is gekozen voor een gedifferentieerd woningbouwprogramma waarin woningen worden gebouwd die voorzien in de behoefte van de verschillende doelgroepen van het beleid, aldus het college.

5.3.    De regeling in het plan sluit wat betreft het aantal woningen en de maatvoering aan bij het beoogde type woningen, namelijk sociale huurwoningen en goedkope koopwoningen, waaronder een aantal seniorenwoningen. Uit het voorgaande blijkt dat het college in het plangebied wil voorzien in woningen van enkele categorieën waaraan binnen de gemeente en de regio in het bijzonder behoefte bestaat. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

Ontsluiting achterzijde perceel

6.    [appellant] wil aan de achterzijde van zijn perceel een ontsluiting op het plangebied realiseren. Hij stelt dat hij hierdoor zijn garage - die lager is gelegen dan de uitrit aan Boompjesstraat - makkelijker kan bereiken en over een nooduitgang beschikt. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de door hem gewenste achteringang.

6.1.    Aan de gronden aan de achterzijde van het perceel van [appellant] is in het plan de bestemming "Groen" toegekend. De planregels voor die bestemming maken de door [appellant] gewenste uitrit niet mogelijk.

    Ten tijde van de vaststelling van het plan was de gemeente eigenaar van de groenstrook. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellant] en de gemeente in beginsel overeenstemming hebben bereikt over de verkoop van de groenstrook aan [appellant], maar dat de koop nog niet tot stand is gekomen.

    Het college heeft geen planologische bezwaren tegen een uitrit voor [appellant] in de groenstrook. Het college wil de uitrit echter pas mogelijk maken als [appellant] eigenaar is geworden van deze grond. Het college wil geen uitrit voor een particulier realiseren op grond die eigendom is van de gemeente. Zolang de groenstrook eigendom is van de gemeente, wil het college de grond gebruiken voor openbaar groen.

    De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde het college ten tijde van de vaststelling van het plan in het plan dan ook geen uitrit aan de achterzijde van het perceel van [appellant] mogelijk te maken.

    Het betoog faalt.

Privacy, uitzicht en lichtinval

7.    [appellant] vreest aantasting van zijn privacy, uitzicht en lichtinval. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij wat betreft de lichtinval doelt op de groenstrook achter zijn woning. Hij vreest dat daar hoge beplanting zal worden aangebracht die de lichtinval in zijn tuin ernstig beperkt.

7.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant]. Volgens het college kijkt slechts een beperkt aantal van de nieuwe woningen uit op het perceel van [appellant]. De kortste afstand tussen die woningen en de woning van [appellant] bedraagt meer dan 25 m. De andere woningen komen op grotere afstand te staan en kijken niet direct uit op het perceel van [appellant], aldus het college. Het college stelt zich verder op het standpunt dat de verandering van het uitzicht van [appellant] niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

7.2.    De woning van [appellant] en het plangebied bevinden zich in de dorpskern van Strijen. Zoals het college heeft gesteld, bedraagt de afstand tussen het bouwvlak voor de vijf dichtstbijzijnde woningen en het perceel van [appellant] meer dan 25 m. Binnen deze afstand bevinden zich in de toekomstige situatie een groenstrook, parkeervakken, een weg en de tuinen van de nieuwe woningen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de afstand en de aard van de omgeving, geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant].

7.3.    Niet in geschil is dat het plan leidt tot een wijziging van het uitzicht van [appellant]. In de huidige situatie is het gebied achter de woning van [appellant] grotendeels onbebouwd. Het plan maakt hier woningen mogelijk.     In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. Er bestaat derhalve geen blijvend recht op een vrij uitzicht. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft in het bestemmingsplan een uit te werken woonbestemming aan deze gronden toegekend. Zoals onder 4 is overwogen, geldt de planologische aanvaardbaarheid van deze bestemming bij de beoordeling van het uitwerkingsplan als een gegeven. Het college heeft in het plan invulling gegeven aan de bestemming "Wonen - Uit te werken" en daarbij de plaats van de nieuwe woningen vastgelegd. De 28 woningen die het plan mogelijk maakt, zijn verdeeld over een aantal bouwvlakken in het plangebied. Een van die bouwvlakken, met maximaal vijf woningen, ligt ter hoogte van het perceel van [appellant] op een afstand van ongeveer 25 m van de perceelsgrens. Het college heeft rekening gehouden met de belangen van omwonenden door de nieuwe bebouwing niet direct achter hun percelen te situeren. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de gekozen situering van de bouwvlakken geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellant].

7.4.    Naar het oordeel van de Afdeling vereist een goede ruimtelijke ordening niet dat de planregels voor de bestemming "Groen" een maximumhoogte voor de beplanting bevatten om schaduwhinder in de tuin van [appellant] te voorkomen. Voor het overige betreft dit een uitvoeringskwestie die in deze procedure niet ter beoordeling staat. Overigens heeft het college ter zitting gesteld dat de inrichting van de groenstrook vooraf met de omwonenden wordt besproken.

7.5.    Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze punten niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant].

    Het betoog faalt.

Groen en water

8.    [appellant] vreest dat het groen en het water in het plangebied slecht zullen worden onderhouden. Hij betoogt dat een voorwaardelijke verplichting over het onderhoud in het plan had moeten worden opgenomen. Dit geldt in het bijzonder voor de groenstrook direct achter zijn woning, zolang die nog eigendom van de gemeente is.

8.1.    Volgens het college zal de gemeente zorg dragen voor het onderhoud van het groen en het water dat bij de gemeente in eigendom is. Dit betreft alle openbare gronden en water. De kosten van het beheer en onderhoud kunnen in de gemeentelijke begroting worden opgenomen.

8.2.    Het college heeft toegezegd dat de noodzakelijke onderhoudsmaatregelen zullen worden getroffen. Nu het openbare groen en water in het plangebied eigendom is van de gemeente, heeft de gemeente het in haar macht om deze maatregelen te treffen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er belemmeringen zijn die zich hiertegen verzetten. Het college hoefde daarom geen voorwaardelijke verplichting met betrekking tot het onderhoud van het groen en het water in de planregels op te nemen (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2929), nog daargelaten of een dergelijke verplichting noodzakelijk is te achten in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant] voert aan dat hij allergieën voor verschillende soorten planten heeft. Hij wil voorkomen dat deze plantensoorten worden toegepast in het openbare groen in het plangebied.

9.1.    Naar het oordeel van de Afdeling betreft de keuze voor de beplanting een uitvoeringskwestie die in deze procedure niet ter beoordeling staat. Overigens heeft het college gesteld dat de gemeente in het algemeen geen beplanting kiest waarvan algemeen bekend is dat deze bij veel mensen allergieën veroorzaakt.

    Het betoog faalt.

10.    [appellant] betoogt daarnaast dat een voorwaardelijke verplichting in het plan had moeten worden opgenomen die een beplantingsplan voorschrijft voor de groenstrook achter zijn woning. Met een geschikte beplanting kunnen volgens hem de nadelige gevolgen van het plan voor zijn woongenot, zoals de hinder door het gebruik van de parkeerplaatsen en de inbreuk op de privacy, worden beperkt.

10.1.    Voor zover het college een bepaalde invulling van de beplanting, zoals een bepaalde minimumhoogte, noodzakelijk acht om de nadelige gevolgen van het plan voor [appellant] te beperken, heeft de gemeente het als eigenaar van de groenstrook in haar macht deze maatregelen te treffen. Het college hoefde daarom in de planregels geen voorwaardelijke verplichting met betrekking tot de beplanting op te nemen. De Afdeling verwijst op dit punt naar hetgeen onder 8.2 is overwogen.

    Het betoog faalt.

Parkeren

11.    [appellant] vreest hinder door het gebruik van de parkeerplaatsen die aangrenzend aan zijn tuin zullen worden aangelegd. In het bijzonder vreest hij stankoverlast door uitlaatgassen van stilstaande auto’s met draaiende motoren en lichthinder door inschijnende koplampen.

11.1.    Uit artikel 25, lid 25.2, van de planregels van het bestemmingsplan volgt dat bij de uitwerking van de bestemming "Wonen - Uit te werken" moet worden voldaan aan de parkeernormen uit de CROW-publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (oktober 2012). Volgens het college betekent dit dat in het plangebied ten minste 51 parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. Een aantal van die parkeerplaatsen is voorzien ter hoogte van de tuin van [appellant]. Blijkens de plantoelichting gaat het om ongeveer 11 parkeerplaatsen. Aan deze gronden is de bestemming "Verkeer" toegekend. Tussen de verkeersbestemming en het perceel van [appellant] ligt een ongeveer 4 m brede strook met de bestemming "Groen".

    Het college verwacht niet dat overlast zal ontstaan door uitlaatgassen, omdat de motoren slechts kortstondig zullen draaien. Het is niet gebruikelijk dat auto’s langere tijd stilstaan met draaiende motoren, aldus het college. Naar het oordeel van de Afdeling kon het college hiervan uitgaan, te meer omdat de parkeerplaatsen alleen voor de woningen worden gebruikt.

    De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de verwachting dat onaanvaardbare lichthinder zal ontstaan. Daarbij is mede van belang dat tussen de parkeerplaatsen en het perceel van [appellant] een groenstrook ligt waarin de gemeente als eigenaar, indien nodig, afschermende beplanting kan aanbrengen.

    Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van de parkeerplaatsen ter hoogte van de woning van [appellant] niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.    

    Het betoog faalt.

Verkeer

12.    [appellant] vreest overlast door de toename van het aantal verkeersbewegingen rond zijn woning. Dit leidt volgens hem tot geluidhinder en stankhinder door uitlaatgassen.

12.1.    Het college stelt dat de nieuwe weg achter de tuin van [appellant] een doodlopende straat zal zijn die niet gebruikt wordt voor doorgaand verkeer. Deze weg zal slechts voor een deel van de woningen in het plangebied worden gebruikt. Het aantal verkeersbewegingen zal volgens het college niet zodanig zijn dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft geluid of stank. Omdat het plangebied via de Dam wordt ontsloten voor gemotoriseerd verkeer, zal bovendien het aantal verkeersbewegingen op de Boompjesstraat niet sterk toenemen, aldus het college.

12.2.    Uit de verbeelding blijkt dat het plan niet voorziet in een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer op de Boompjesstraat. Uit de afbeelding in paragraaf 2.3 van de plantoelichting blijkt eveneens dat het plangebied via de Dam zal worden ontsloten. Nu er geen rechtstreekse verbinding voor autoverkeer is tussen het plangebied en de Boompjesstraat, kon het college ervan uitgaan dat op de Boompjesstraat geen sterke toename van het aantal verkeersbewegingen is te verwachten. Het ontbreken van een ontsluiting op de Boompjesstraat betekent bovendien dat de weg achter het perceel van [appellant] niet zal worden gebruikt door doorgaand verkeer, maar alleen door de bewoners en bezoekers van de 14 woningen in dit deel van het plangebied. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersbewegingen langs de woning van [appellant] niet zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

    Het betoog faalt.

Speelgelegenheid

13.    [appellant] voert aan dat de herontwikkeling van het plangebied leidt tot het verlies van speelgelegenheid. Volgens hem wordt het verlies aan speelgelegenheid ten onrechte niet gecompenseerd door nieuwe speelfaciliteiten in of buiten het plangebied.

13.1.    Het college stelt dat het plan speelvoorzieningen mogelijk maakt op de gronden met de bestemming "Groen". Bij de uitvoering van het plan zal het college de mogelijkheden voor het plaatsen van speelvoorzieningen verder bezien.

13.2.    Voor zover de beroepsgrond zich richt tegen de concrete invulling van de bestemming "Groen", betreft dit een uitvoeringskwestie die in deze procedure niet ter beoordeling staat. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond echter zo, dat [appellant] tevens betoogt dat de groenbestemmingen in het plangebied onvoldoende ruimte bieden voor speelvoorzieningen.

    In het bestemmingsplan is de uit te werken bestemming "Wonen - Uit te werken" opgenomen. Die bestemming biedt de grondslag om in het uitwerkingsplan maximaal 29 woningen met bijbehorende voorzieningen mogelijk te maken. De keuze van de raad voor deze bestemming heeft tot gevolg dat de bestaande speelgelegenheid in het plangebied niet volledig kan worden behouden. Zoals onder 4 is overwogen, geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming bij de beoordeling van het uitwerkingsplan als een gegeven. Dat betekent dat de beslissing van de raad om het plangebied in een woongebied te veranderen als zodanig niet meer ter beoordeling staat. Wel kan de toedeling van ruimte aan de verschillende bestemmingen in het uitwerkingsplan in deze procedure worden beoordeeld. De Afdeling is op dat punt van oordeel dat het college bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter belang heeft kunnen toekennen aan het realiseren van voldoende voorzieningen zoals wegen, parkeerplaatsen en water dan aan het behoud van zo veel mogelijk speelgelegenheid in het plangebied.

    Het betoog faalt.

Conclusie

14.    Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Teuben

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

483.