Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201509320/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:10148, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 16 december 2014 heeft de staatssecretaris aan [appellant] medegedeeld dat hij niet bereid is in overleg te treden over een vergoeding voor informatie die [appellant] heeft aangeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-08-2017
FutD 2017-2111 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

201509320/1/A2.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 november 2015 in zaak nr. 15/1278 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Financiën.

Procesverloop

Bij brief van 16 december 2014 heeft de staatssecretaris aan [appellant] medegedeeld dat hij niet bereid is in overleg te treden over een vergoeding voor informatie die [appellant] heeft aangeleverd.

Bij besluit van 6 februari 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.G.S. Pennino, advocaat te Maastricht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.H. Jacobs, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft als tipgever informatie aangeleverd over fraude in de Nederlandse bouwsector. Onder meer naar aanleiding van die informatie heeft de Tweede Kamer in 2002 een parlementaire enquête over de bouwfraude gehouden.

    Bij brief van 31 oktober 2014, aangevuld bij brief van 29 november 2014, heeft [appellant] de staatssecretaris om een vergoeding verzocht voor de eerder door hem aangeleverde informatie. Bij brief van 16 december 2014 heeft de staatssecretaris hem bericht niet met hem in overleg te treden over toekenning van tipgeld voor de aangeleverde informatie. Daarbij heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een recht op tipgeld indien voor de belastingheffing relevante informatie aan de Belastingdienst ter beschikking wordt gesteld. Ten aanzien van het toekennen van tipgeld wordt een buitengewoon terughoudend beleid gevoerd. Tipgeld kan slechts worden toegekend in gevallen waarin informatie vooraf tegen betaling wordt aangeboden, aldus de staatssecretaris.

2.    Aan het besluit van 6 februari 2015 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de brief van 16 december 2014 geen besluit bevat als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat de bevoegdheid om tipgeld toe te kennen niet is gebaseerd op een publiekrechtelijke bevoegdheid die bij de wet is toegekend. Indien een dergelijke vergoeding wordt gegeven, is deze gebaseerd op een civielrechtelijke overeenkomst.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat geen wettelijke of andere adequate publiekrechtelijke grondslag bestaat voor de toekenning van tipgeld. De door [appellant] genoemde Resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 1985, nummer 585-24 843 (gepubliceerd in Vakstudienieuws 1985, 2168) (hierna: de Resolutie) is een interne richtlijn voor het omgaan met een dergelijk buitenwettelijk verzoek om tipgeld en is geen grondslag voor de toekenning ervan. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de weigering om tipgeld toe te kennen de rechtsverhouding tussen de staatssecretaris en [appellant] niet wijzigt, zodat de brief van 16 december 2014 geen publiekrechtelijk rechtsgevolg heeft en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bevat. Om die reden heeft de rechtbank geoordeeld dat tegen die brief geen bezwaar openstond en dat de staatssecretaris het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Resolutie slechts een interne richtlijn is voor het omgaan met een buitenwettelijk verzoek om tipgeld. De staatssecretaris heeft zich meermalen op het standpunt gesteld dat er gepubliceerd beleid bestaat ten aanzien van het uitkeren van tipgeld. In dat verband heeft [appellant] onder meer gewezen op een brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2009-2010, 31 066, nr. 85) en op de beantwoording door de staatssecretaris van vragen van Tweede Kamerleden (Kamerstukken II, 2013-2014, Aanhangsel, 1185). De weigering van de staatssecretaris om het bestaande tipgeldbeleid toe te passen is in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zijn verzoek aan dat in de Resolutie neergelegde beleid had moeten toetsen en tipgeld had moeten toekennen. [appellant] betoogt in aansluiting hierbij dat de wettelijke grondslag voorts moet worden gevonden in - de systematiek van - de Algemene wet rijksbelastingen (hierna: Awr).

4.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van heden (ECLI:NL:RVS:2017:2222).

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Lubberdink

Voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

705.