Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2220

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201600392/8/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied - 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600392/8/R1.

Datum uitspraak: 17 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

de raad van de gemeente Doetinchem,

verzoeker,

om opheffing (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) van de bij uitspraak van 20 december 2016, in zaak nr. 201600392/4/R1, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:

[belanghebbende A] en [belanghebbende B], beiden wonend te Wehl, gemeente Doetinchem,

en

verzoeker.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied - 2012" vastgesteld.

Bij de uitspraak van 20 december 2016 heeft de voorzieningenrechter buiten zitting bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 29 oktober 2015 geschorst, voor zover het het plandeel betreft met betrekking tot het perceel ter hoogte van [locatie], kadastraal bekend gemeente Wehl, sectie K nummer 725 (hierna: het perceel sectie K nummer 725).

De voorzieningenrechter heeft vervolgens ter zitting van 10 januari 2017 ambtshalve onderzocht of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, Awb. Bij uitspraak van 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:146, heeft de voorzieningenrechter de schorsing gehandhaafd.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2017, heeft de raad de voorzieningenrechter verzocht de schorsing van het plandeel op te heffen.

[belanghebbenden] en de erven [belanghebbende C] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 augustus 2017, waar [belanghebbenden], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door mr. T.J.H. Verstappen, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door E.H.J. Ketels, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de erven [belanghebbende C], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Artikel 8:87, eerste en tweede lid, van de Awb luidt als volgt:

"1. De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, ook als zij is getroffen met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid.

2. De artikelen 8:81, tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om opheffing of wijziging eveneens worden gedaan door een belanghebbende die door de voorlopige voorziening rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, door het bestuursorgaan of door het beroepsorgaan."

3.    De raad verzoekt om opheffing van de schorsing met een oog op het belang van initiatiefnemers, de erven [belanghebbende C], bij een spoedige bouw van de woning ter plaatse van het perceel sectie K nummer 725. Daarbij voert de raad aan dat de Afdeling bij brief van 18 mei 2017 heeft aangegeven dat de bodemprocedure voor enige tijd zal worden aangehouden in verband met het stellen van een aantal zogenoemde prejudiciële vragen over de Programmatische Aanpak Stikstof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daarnaast worden de redenen voor schorsing met de gegeven nadere motivering weggenomen, aldus de raad.

4.    Bij uitspraak van 25 januari 2017 is de schorsing van het bestemmingsplan, voor zover het het plandeel betreft met betrekking tot het perceel sectie K nummer 725, in stand gelaten omdat de voorzieningenrechter betwijfelde of het perceel [locatie] (hierna: de slooplocatie) een knellocatie is in de zin van het zogenoemde VAB-beleid en of conform dat beleid sprake is van een beweging van het buitengebied naar een dorps- of stadsrandzone.

5.    Wat betreft de knellocatie zag de voorzieningenrechter in de uitspraak van 25 januari 2017 vooralsnog niet dat de aarden wal uit het inrichtingsplan ter plaatse van de slooplocatie geen onderdeel uitmaakt van de vereiste landschappelijke inpassing. Hierdoor kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand worden uitgesloten dat de aanwezigheid van de aarden wal zorgt voor een zodanige geluidsreductie dat de slooplocatie niet kan worden aangemerkt als knellocatie in de zin van het VAB-beleid.

    Voorts overwoog de voorzieningenrechter dat het akoestisch onderzoek mogelijk niet langer actueel is in verband met de inwerkingtreding van het Reken- en meetvoorschrift 2012.

    Daarnaast diende volgens de voorzieningenrechter nader te worden bezien welke betekenis toekomt aan de omstandigheid dat ter plaatse van de op het perceel sectie K nummer 725 te bouwen woning niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB kan worden voldaan en dat een besluit tot het vaststellen van hogere waarden noodzakelijk is.

5.1.    Bij het verzoek om opheffing van de schorsing heeft de raad een toelichting van de tekenaar van het inrichtingsplan en een aangepast inrichtingsplan met een aangevulde toelichting bij de legenda overgelegd met de strekking dat de aarden wal bij het sloopperceel geen onderdeel uitmaakt van het inrichtingsplan en daarmee geen vereiste is in het kader van de voorwaardelijke verplichting. Nog daargelaten dat het aangepast inrichtingsplan niet door de raad is vastgesteld, hebben [belanghebbenden] met juistheid gesteld dat de voorwaardelijke verplichting uit artikel 21, lid 21.5.2, van de planregels, gelet op de tekst, betrekking heeft op het terrein behorend bij de bestaande en de te realiseren woning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt daarom niet uit te sluiten dat de landschappelijke inpassing ingevolge deze planregel mede betrekking dient te hebben op het sloopperceel. Daarom kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de aarden wal ertoe leidt dat de slooplocatie niet kan worden aangemerkt als knellocatie in de zin van het VAB-beleid.

    De voorzieningenrechter stelt vast dat de twijfel of het akoestisch onderzoek in verband met het Reken- en meetvoorschrift 2012 nog actueel is, niet is weggenomen, gelet op hetgeen partijen over en weer ter zitting hebben gesteld.

    In dat kader is van belang dat niet duidelijk is of de geluidbelasting ter plaatse van het perceel sectie K nummer 725 zodanig lager is dan de geluidbelasting ter plaatse van het sloopperceel dat daar niet eveneens sprake is van een knelsituatie in de zin van het VAB-beleid.

    In het aangevoerde ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat in uitspraak van 25 januari 2017 is gegeven. Een en ander vereist nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet leent. Eerst in het kader van de behandeling van het beroep in de bodemprocedure zal de Afdeling hierover een definitief oordeel kunnen geven.

6.    Wat betreft de beweging van het buitengebied naar een dorps- of stadsrandzone betwijfelde de voorzieningenrechter in de uitspraak van 25 januari 2017 of aan deze voorwaarden uit het VAB-beleid wordt voldaan nu de woning op slechts ongeveer 40 m afstand van de slooplocatie is voorzien en de afstand tot de dichtstbijzijnde woonwijk nog 600 m bedraagt.

6.1.    Thans heeft de raad mede aan de hand van een kaart toegelicht dat ook in eerdere gevallen is ingestemd met een relatief kleine beweging van het buitengebied richting een dorps- of stadsrandzone. [belanghebbenden] hebben dat betwist bij gebrek aan wetenschap omdat de betreffende besluiten niet zijn overgelegd. Bovendien is niet duidelijk of in al die gevallen hetzelfde VAB-beleid is toegepast en sprake was van een knellocatie. De mogelijke omstandigheid dat het gemeentebestuur bij de toepassing van het VAB-beleid in zoverre consistent heeft gehandeld brengt echter niet noodzakelijkerwijs met zich dat hij is uitgegaan van een juiste uitleg van de voorwaarden uit het VAB-beleid.

    In het aangevoerde ziet de voorzieningenrechter ook in zoverre geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat in de uitspraak van 25 januari 2017 is gegeven. De Afdeling zal in het kader van de behandeling van het beroep in de bodemprocedure uitsluitsel moeten geven over de juiste uitleg van het VAB-beleid op dit punt.

7.    Mede gelet op het vorenstaande komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een groter gewicht toe aan het belang van [belanghebbenden] om te voorkomen dat als gevolg van het plan onomkeerbare gevolgen ontstaan, dan aan het belang van de erven Melchers bij de spoedige bouw van de woning ter plaatse van het perceel sectie K nummer 725. Dit geldt ook nu de uitspraak in de bodemprocedure door het aanhouden daarvan op een later tijdstip dan gebruikelijk te verwachten is. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek van de raad om opheffing van de schorsing afwijzen. De schorsing van het bestemmingsplan, voor zover het het plandeel betreft met betrekking tot het perceel sectie K nummer 725, blijft daardoor in stand.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Slump    w.g. Hupkes

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2017

635.