Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2214

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201608426/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:5338, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] en anderen hebben bij brieven van 6, 7 en 8 januari 2016 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door hen gemaakte bezwaar tegen een besluit van de minister van 13 juli 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201608426/1/A3.

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D], allen wonend te [woonplaats], en [appellant E], wonend te [woonplaats], (hierna: [appellant] en anderen)

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 september 2016 in zaken nrs. 16/282, 16/283, 16/284, 16/285 en 16/286 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

[appellant] en anderen hebben bij brieven van 6, 7 en 8 januari 2016 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door hen gemaakte bezwaar tegen een besluit van de minister van 13 juli 2015.

Bij brief van 25 januari 2016 heeft de minister deze bezwaarschriften doorgezonden naar de rechtbank om als beroepschriften te worden behandeld.

Bij uitspraak van 29 september 2016 heeft de rechtbank de door [appellant] en anderen ingestelde beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door hen gemaakt bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en verzoeken om een dwangsom vast te stellen wegens niet tijdig beslissen, afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2017, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.E. Hodselmans, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij besluit van 13 juli 2015 heeft de minister een verkeersbesluit genomen. Bij brieven van 19 en 20 augustus 2015 hebben [appellant] en anderen daartegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft de door [appellant] en anderen bij brieven van 6, 7 en 8 januari 2016 ingestelde beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister dat besluit al had genomen. De minister heeft immers bij besluit van 10 december 2015 onder meer op de door [appellant] en anderen tegen het verkeersbesluit gemaakte bezwaren beslist, aldus de rechtbank.

2.    [appellant] en anderen herhalen in hoger beroep hun bij de rechtbank gehouden betoog dat de minister hen bij de voorbereiding van het besluit van 10 december 2015 niet voor de hoorzitting heeft uitgenodigd, tijdens die hoorzitting alleen [gemachigde] als bezwaarmaker, maar niet als hun gemachtigde heeft gehoord en dat de minister bij besluit van 10 december 2015 niet op hun bezwaren heeft beslist.

2.1.    Artikel 6:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft."

    Het derde lid luidt: "Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt."

2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister bij besluit van 10 december 2015 op de door [appellant] en anderen tegen het verkeersbesluit gemaakte bezwaren heeft beslist. Daartoe is redengevend dat [appellant] en anderen in de bezwaarprocedure tegen het verkeersbesluit de minister bij brieven van 2 en 3 september 2015 te kennen hebben gegeven dat zij [gemachtigde] hebben gemachtigd om hun belangen te behartigen, dat het besluit van 10 december 2015 vermeldt dat de door [appellant] en anderen gemaakte bezwaren tegen het verkeersbesluit niet-ontvankelijk zijn en de minister het besluit van 10 december 2015 aan hen bekend heeft gemaakt door verzending daarvan naar het adres van hun [gemachtigde].

2.3.    De situatie als geregeld in artikel 6:20, derde lid, van de Awb doet zich in dit geval niet voor, omdat [appellant] en anderen pas beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit hebben ingesteld en de minister ter zake van het niet nemen van een besluit in gebreke hebben gesteld, nadat de minister dat besluit al had genomen. De door [appellant] en anderen ingestelde beroepen hebben geen betrekking op het besluit van 10 december 2015. Nu voorts [appellant] en anderen zich op het standpunt hebben gesteld dat de minister bij besluit van 10 december 2015 niet op hun bezwaren tegen het verkeersbesluit heeft beslist, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het geding in beroep ten onrechte heeft beperkt tot de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tot de in dat kader verzochte vaststelling van vijf dwangsommen. Daarbij is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat tegen het besluit van 10 december 2015 enkel door [gemachtigde] in privé beroep is ingesteld, waarop bij uitspraak van de rechtbank van 30 juni 2016 in zaak nr. 15/6661 is beslist. Die uitspraak van de rechtbank is bevestigd bij uitspraak van de Afdeling van heden, ECLI:NL:RVS:2017:2164.Gelet op het vorenoverwogene is het besluit van 10 december 2015 in deze procedure niet in geding en kan de Afdeling in het kader van deze procedure geen oordeel geven over de rechtmatigheid van dat besluit. Hetgeen [appellant] en anderen over die rechtmatigheid hebben aangevoerd, kan derhalve niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017

610.