Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201603919/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:2052, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de activiteiten van [glaszettersbedrijf] op het perceel aan de [locatie 1] te Elst (hierna: het perceel), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/740 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

201603919/1/A1.

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Elst, gemeente Overbetuwe,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 april 2016 in zaak nr. 15/5165 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de activiteiten van [glaszettersbedrijf] op het perceel aan de [locatie 1] te Elst (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[glaszettersbedrijf] heeft een schriftelijke reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.L. Beuving, en het college, vertegenwoordigd door A.M. van Laar, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [glaszettersbedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1.    [appellant] woont op het perceel aan de [locatie 2]. Volgens [appellant] ondervindt hij overlast van de bedrijfsactiviteiten van [glaszettersbedrijf], dat het eigendom is van zijn [broer].

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de activiteiten van het glaszettersbedrijf op het perceel in strijd zijn met artikel 27.1, gelezen in verbinding met artikel 1.6 van de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Overbetuwe".

    [appellant] voert daartoe aan dat dat de bedrijfsactiviteiten niet kleinschalig zijn, qua aard en omvang niet passen in de woonomgeving en dat hij ten gevolge daarvan overlast ondervindt.

Volgens [appellant] vinden bedrijfsactiviteiten buiten de bijgebouwen plaats. Zo komt volgens [appellant] een vrachtwagen twee maal in de week glas leveren en wordt op het perceel glasafval opgeslagen in een daartoe bestemde open container.

Voorts voert [appellant] aan dat op het perceel sprake is van detailhandel hetgeen in strijd is met artikel 27.1, aanhef en onder c, aanhef en onderdeel 5, van de planregels.

2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Wonen" en de bestemming "Waarde-Archeologische verwachting 2".

    Artikel 1.6 van de planregels luidt:

"Onder een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit wordt verstaan een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publieksgericht zijn, en dat op kleine schaal in de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse."

    Artikel 1.41 luidt:

"Onder detailhandel wordt verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Horeca-activiteiten en detailhandel in volumineuze goederen zijn hieronder niet begrepen."

    Artikel 27.1 luidt:

"De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de bestaande woningen, waarbij inwoning is toegestaan;

b. (…)

c. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat:

    1. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen, tot maximaal 75 m² mag worden gebruikt voor de activiteit;

    2. de activiteit qua aard en omvang past in de woonomgeving;

    3. parkeren plaatsvindt op eigen terrein;

    4. degene die de activiteit in de woning, inclusief aan- uitbouwen en bijgebouwen, uitoefent tevens de bewoner van de woning is;

    5. er geen detailhandel anders dan de verkoop van lokaal of streekeigen geproduceerde agrarische producten mag plaatsvinden.

d. nevenactiviteiten, met dien verstande dat:

(…)

l. opslag, niet zijnde buitenopslag, en atelier ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - opslag en atelier'."

    Artikel 45 luidt:

"Onder gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in elk geval verstaan:

a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;"

2.2.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden op het perceel niet op kleine schaal worden uitgeoefend als bedoeld in artikel 1.6 van de planregels. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in artikel 27.1, aanhef en onder c, aanhef en onderdeel 1, van de planregels invulling wordt gegeven aan hetgeen onder kleine schaal moet worden verstaan. Gelet op dat artikel is het toegestaan om op het perceel maximaal 75 m² van de vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, te gebruiken voor bedrijfsactiviteiten. Niet in geschil is dat 57 m² als zodanig in gebruik is, daarin begrepen het oppervlak van de op het perceel geplaatste container die ook voor bedrijfsactiviteiten in gebruik is. Gelet hierop heeft de rechtbank het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden op het perceel op kleine schaal worden uitgeoefend als bedoeld in artikel 1.6 van de planregels.

Het betoog van [appellant] dat de vrachtwagen die het glas aan het bedrijf levert zo groot is dat deze niet op het perceel past, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de omvang van deze vrachtwagen niet bepalend is voor de omvang van de bedrijfsactiviteiten op het perceel.

2.3.    Verder betoogt [appellant] dat de bedrijfsactiviteiten niet slechts in de woning of de daarbij behorende bijgebouwen plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 27.1, gelezen in verbinding met artikel 1.6 van de planregels. Blijkens de gedingstukken wordt twee keer per week glas geleverd door een vrachtwagen. Dit glas wordt opgeslagen in bijgebouwen op het perceel. Dit glas wordt gebruikt in het op het perceel gevestigde glaszettersbedrijf. Naar het oordeel van de Afdeling wordt hiermee niet gehandeld in strijd met voormelde artikelen, noch met artikel 45 van de planregels.

    Voorts staat, naar niet in geschil is, buiten op het perceel een open container, die wordt gevuld met glasafval. Naar het oordeel van de Afdeling is dit een bedrijfsactiviteit die plaatsvindt buiten de woning of de daarbij behorende bijgebouwen, hetgeen in strijd is met artikel 27.1 van de planregels. Daarbij komt dat dit onderdeel van de bedrijfsactiviteiten een ruimtelijke uitstraling heeft die niet in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse als bedoeld in artikel 27.1, gelezen in verbinding met artikel 1.6 van de planregels.

    Nu het op het perceel geplaatst hebben van een open container waarin glasafval wordt opgeslagen in strijd is met de op het perceel rustende bestemming, is een dergelijk gebruik eveneens in strijd met artikel 45 van de planregels. Dit betreft immers geen normaal op de bestemming gericht gebruik als bedoeld in dat artikel. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

2.4.    Verder betoogt [appellant] dat ook de overige bedrijfsactiviteiten op het perceel qua aard en omvang niet passen in de woonomgeving als bedoeld in artikel 27, aanhef en onder c, aanhef en onderdeel 2, van de planregels. Een gemeentelijke toezichthouder heeft op 14 oktober 2015 ter plaatse een controle uitgevoerd. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in een verslag. Gelet op dit verslag en hetgeen hiervoor is overwogen worden die overige bedrijfsactiviteiten op kleine schaal uitgeoefend en vinden die plaats in de woning of in bijbehorende bijgebouwen. Aldus is de ruimtelijke uitstraling van die overige bedrijfsactiviteiten beperkt. Verder is het perceel niet gelegen in een woonwijk, maar in een omgeving welke zich kenmerkt door agrarische bedrijvigheid met verspreide (bedrijfs- en burger)woningen op ruime percelen. Tevens wordt het perceel ontsloten via de Rijksweg, een belangrijke hoofdweg.

    Gezien deze omgeving en de beperkte ruimtelijke uitstraling van de overige bedrijfsactiviteiten op het perceel heeft de rechtbank het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat de bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van de op het perceel geplaatste met glasafval gevulde container zoals overwogen in 2.3, passend zijn in de woonomgeving ter plaatse als bedoeld in artikel 27, aanhef en onder c, aanhef en onderdeel 2, van de planregels.

2.5.    Voorts betoogt [appellant] dat op het perceel sprake is van detailhandel hetgeen in strijd is met artikel 27.1, aanhef en onder c, aanhef en onderdeel 5, van de planregels. Blijkens de gedingstukken waaronder voormeld verslag van de gemeentelijk toezichthouder, wordt op het perceel ten behoeve van de bedrijfsvoering in de bijbehorende bijgebouwen glas opgeslagen en levert en plaatst het glaszettersbedrijf dat glas bij klanten thuis. Naar het oordeel van de Afdeling betreft dit geen situatie waarin op het perceel glas wordt uitgestald met het oog op de verkoop ervan, of waarbij op het perceel glas wordt verkocht en geleverd aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat er op het perceel geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden als bedoeld in artikel 1.41 van de planregels. Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 14 juli 2015 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 14 januari 2015. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

4.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 april 2016 in zaak nr. 15/5165;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe van 14 juli 2015, kenmerk 15UIT17472;

V.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Hoekstra

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017

543.