Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201602182/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0163
JOM 2017/872
AR 2017/4322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602182/1/A2.

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwartsluis, gemeente Zwartewaterland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 februari 2016 in zaak nr. 15/2150 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Winsum, en het college, vertegenwoordigd door A.J. Boers en R. van Eerten, vergezeld door mr. J. Marskamp, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van de woning op het perceel [locatie] te Zwartsluis. Ten oosten van het perceel ligt het bedrijventerrein Zomerdijk-Meppelerdiep, ten westen daarvan de provinciale weg N344.

    [appellant] heeft het college verzocht hem tegemoet te komen in de planschade die hij lijdt als gevolg van het op 14 april 2011 in werking getreden bestemmingsplan "Zomerdijk". Volgens [appellant] is zijn woning in waarde gedaald, omdat deze binnen de geluidszone van het bedrijventerrein Zomerdijk-Meppelerdiep en de geluidszone van de provinciale weg N334 is komen te liggen.

Besluitvorming

2.    Het college heeft aan zijn besluitvorming een advies van de SAOZ van januari 2015 ten grondslag gelegd. Volgens dit advies was de woning van [appellant] onder het oude planologische regime net buiten de vastgestelde geluidscontour van 50 dB(A) gelegen. De feitelijke en bij recht aanwezige geluidsbelasting bedroeg 53,8 dB(A). Onder het nieuwe planologische regime is de woning van [appellant] gelegen binnen de geluidscontour van het bedrijventerrein van 55 dB(A). Omdat de feitelijke en bij recht aanwezige geluidsbelasting in de oude planologische situatie 53,8 dB(A) was en in de nieuwe situatie 55 dB(A), is de geluidsbelasting voor [appellant] met 1,2 dB(A) toegenomen. Deze toename is voor het menselijk oor niet waarneembaar. Volgens het advies vloeit de geluidszone niet voort uit het nieuwe bestemmingsplan "Zomerdijk", maar uit de Wet geluidhinder. Het nieuwe bestemmingsplan heeft niet geleid tot een relevante toename van het wegverkeer en het daarmee samenhangende lawaai op de provinciale weg N334. De conclusie van het college is dat het bestemmingsplan "Zomerdijk" niet heeft geleid tot waardevermindering van de woning van [appellant].

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen concrete aanknopingspunten zijn op grond waarvan het college het advies van de SAOZ niet heeft mogen volgen en dat het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade dan ook terecht heeft afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren als gevolg waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de gestelde schadeveroorzakende maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van die planologische regimes maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De Afdeling heeft in haar jurisprudentie wel uitzonderingen op deze hoofdregel aangenomen. Zo heeft de Afdeling in haar uitspraak van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3671, geoordeeld dat in het geval van directe planschade de feitelijke situatie op het eigen perceel van belang is ingeval de feitelijke situatie afwijkt van wat onder het oude bestemmingsplan was voorzien en deze feitelijke situatie geacht moet worden rechtmatig te zijn. Als zodanig maakt deze feitelijke situatie onderdeel uit van het planologische regime. Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval een dergelijke uitzondering op de hoofdregel te worden gemaakt. In de paragrafen 4.2.3 en 5.2 van de toelichting op het bestemmingsplan "Zomerdijk", is beschreven hoe de verruiming van de geluidscontour van 50 dB(A) naar 55 dB(A) is ontstaan. De berekende feitelijke geluidsbelasting van 53,8 dB(A) op de woning van [appellant] is een gevolg van geldende milieuvergunningen en door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in het kader van een saneringsprogramma op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgestelde, maximaal toelaatbare grenswaarden voor een aantal woningen. Dit betreft een als legaal aan te merken overschrijding van de 50 dB(A)-contour. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, zoals [appellant] ter zitting heeft erkend, het voorheen geldende planologische regime de overschrijding van de 50 dB(A)-grenswaarde niet verbood en dat de handhaving door middel van de Wgh was voorzien.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het advies van de SAOZ aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Hiertoe voert hij aan dat de SAOZ ten onrechte een vergelijking heeft gemaakt tussen de oude feitelijke situatie en de nieuwe planologische situatie. Onder de oude planologische situatie was op het perceel van [appellant] een geluidsbelasting van 50 dB(A) mogelijk. Als er feitelijk al sprake was van een hogere belasting, wat [appellant] betwist, dan had het college handhavend moeten optreden. Voor zover het college hem tegenwerpt dat hij beroep had moeten instellen tegen de aan de op het bedrijventerrein Zomerdijk-Meppelerdiep gevestigde bedrijven verleende milieuvergunningen die een grotere geluidsbelasting mogelijk maken, gaat het college eraan voorbij dat eerst met het besluit van 17 februari 2015 duidelijk is geworden dat de 50 dB(A)-grens werd overschreden. De SAOZ kon er in elk geval niet van uitgaan dat een hogere geluidsbelasting rechtmatig was. [appellant] voert verder aan dat de SAOZ ten onrechte is uitgegaan van een feitelijke geluidsbelasting van 53,8 dB(A) onder het oude planologische regime. Het is volgens [appellant] niet duidelijk hoe de SAOZ deze geluidsbelasting heeft berekend. Volgens het op zijn verzoek opgestelde rapport van Avenue Adviseurs van 28 april 2016 is de feitelijke geluidsbelasting van de woning veel lager dan door de SAOZ aangenomen. Ook als moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie onder het oude planologische regime, mocht het college niet afgaan op het advies van de SAOZ, aldus [appellant].

4.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dient bij de beoordeling van een verzoek om een tegemoetkoming in planschade te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen dient een milieuvergunning (thans: omgevingsvergunning voor milieu) volgens vaste rechtspraak van de Afdeling niet bij de planvergelijking te worden betrokken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3480). Dit geldt ook voor een milieuvergunning die moet worden getoetst aan artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ingeval het bevoegd gezag een vergunning verleent die tot gevolg heeft dat de ten hoogste toegestane geluidsbelasting wordt overschreden, leidt dit niet tot een wijziging van het planologische regime. De rechtbank heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011. Die uitspraak betreft echter een zo uitzonderlijke situatie dat die zich niet leent voor toepassing in andere situaties. Uit het vorenstaande volgt dat het college ten onrechte rekening heeft gehouden met de feitelijke geluidsbelasting in de oude planologische situatie. Het had moeten beoordelen of de verruiming van de geluidscontour van 50 dB(A) naar 55 dB(A) voor [appellant] tot nadeel in de vorm van waardevermindering van de woning leidt en, zo ja, wat de omvang daarvan is.

    Het betoog slaagt.

Slotsom

5.    Het onder 4.1 overwogene leidt tot het oordeel dat het besluit op bezwaar van 18 augustus 2015 voor vernietiging in aanmerking komt.

6.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen hiervoor, onder 4.1, is overwogen, een besluit te nemen over de planschade die [appellant] als gevolg van het bestemmingsplan "Zomerdijk" lijdt en het in dit opzicht aan het besluit van 18 augustus 2015 klevende gebrek te herstellen. Daartoe dient het college een nader deskundigenadvies in te winnen.

7.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland op om binnen acht weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een besluit te nemen over de planschade die [appellant] als gevolg van het bestemmingsplan "Zomerdijk" lijdt en dit besluit aan [appellant] en de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Dijkshoorn

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017

735.