Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201602719/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1429, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2010 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris) voor de periode 13 januari 2010 tot en met 31 december 2011 aan Neeltje Jans een vergunning verleend voor het vissen op mosselzaad met een mosselzaadinvanginstallatie (hierna: MZI) op nader aangeduide plaatsen in Vuilbaard Noord in de Oosterschelde met een oppervlak van 16,8 ha en in Schaar van Renesse Kavel 3 in de Voordelta met een oppervlak van 3,6 ha.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602719/1/A3.

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Viskwekerij Neeltje Jans B.V., gevestigd te Vrouwenpolder, gemeente Veere,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 maart 2016 in zaak nr. 15/3853 in het geding tussen:

Neeltje Jans

en

de staatssecretaris van Economische Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2010 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris) voor de periode 13 januari 2010 tot en met 31 december 2011 aan Neeltje Jans een vergunning verleend voor het vissen op mosselzaad met een mosselzaadinvanginstallatie (hierna: MZI) op nader aangeduide plaatsen in Vuilbaard Noord in de Oosterschelde met een oppervlak van 16,8 ha en in Schaar van Renesse Kavel 3 in de Voordelta met een oppervlak van 3,6 ha.

Bij besluit van 24 april 2015 heeft de staatssecretaris opnieuw beslist op de bezwaren van Neeltje Jans en deze gedeeltelijk gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2016 heeft de rechtbank het door Neeltje Jans daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 april 2015 vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Neeltje Jans hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Neeltje Jans heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2017, waar Neeltje Jans, vertegenwoordigd door mr. ing. J.A. Hoekstra, advocaat te Amsterdam en J. Schot, directeur, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. drs. P.J. Kooiman, J.M.M. Kouwenhoven en W.H.M. Zuijderwijk, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord Visserijbedrijf Gerdia B.V. en Marinecultuur Oosterschelde B.V., vertegenwoordigd door mr. W.H. Lindhout, advocaat te Bergen op Zoom.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Voor het wettelijk kader, de voorgeschiedenis en de feiten verwijst de Afdeling, evenals de rechtbank, naar de overwegingen 1. tot en met 4. van de eerdere uitspraak van de Afdeling in dit geschil van 21 augustus 2013 ECLI:NL:RVS:2013:809 (hierna: de eerdere uitspraak).

De eerdere uitspraak van de Afdeling

2.    In de eerdere uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de staatssecretaris opnieuw moet beslissen op de bezwaren van Mosselzaad Bedrijf Prins & Dingemanse B.V., Neeltje Jans, De Koning Mosselkweek B.V., Mosselbank B.V., Coöperatie De Zeeparels U.A., Bru 40 B.V. en De Rooij Mosselkweek B.V. tegen de aan hen verleende MZI-vergunningen. De Afdeling heeft daartoe onder 21 overwogen:

    "Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen (…) dient hij daarbij vast te stellen wie van hen als pionier van het eerste uur kunnen worden aangemerkt om te bezien of diegenen, naast een overgangstermijn die aan alle experimenteerders wordt gegund, recht hebben op een extra compensatie wegens de inmenging in hun in de jaren 2000 tot 2005 opgebouwde eigendomsrecht. Daarbij dient hij beter te motiveren waarom volgens hem voor deze groep van pioniers van het eerste uur niet dezelfde uitzonderingspositie geldt als voor West 6.

    Voorts dient de staatssecretaris opnieuw te bezien of voor de experimenteerders die in de experimenteerfase met MZI-activiteiten zijn begonnen een generieke overgangstermijn van vier jaar afdoende is. Daartoe dient hij in het bijzonder te onderzoeken wat in de jaren 2005 tot 2010 de investeringen van de experimenteerders in de MZI’s zijn geweest.

    Ten slotte dient de staatssecretaris opnieuw vast te stellen welke locaties vanaf 2010 voor MZI’s in aanmerking komen, waarbij de belangen van de experimenteerders kenbaar moeten worden meegewogen. Bij het berekenen van het toe te wijzen oppervlak dient de staatssecretaris de bezwaren hierover van Prins & Dingemanse, Neeltje Jans, De Koning, Mosselbank, De Zeeparels, Bru 40 en De Rooij, zoals aangevuld in beroep en hoger beroep, nogmaals in overweging te nemen. Daarbij geldt dat het uitgangspunt van de minister dat aan de experimenteerders een MZI-vergunning wordt verleend voor maximaal het aantal hectares dat benodigd is voor het in gebruik hebben van de MZI’s die zij in de jaren 2008 en 2009 daadwerkelijk hebben geëxploiteerd, niet onredelijk is. Dat zijn immers de laatste jaren van de experimenteerfase, zodat daarmee de meest recente situatie wordt weergegeven."

Nieuw besluit op bezwaar naar aanleiding van de eerdere uitspraak

3.    In zijn besluit van 24 april 2015 heeft de staatssecretaris opnieuw beslist op de bezwaren van Neeltje Jans. Hij heeft een accountant, W.H.M. Zuijderwijk, opdracht gegeven onderzoek te doen naar de investeringen van Neeltje Jans in MZI’s in de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2009.

    Op grond van de resultaten van het onderzoek van de accountant heeft de staatssecretaris West 6 en Prins & Dingemanse wel en Neeltje Jans niet als pionier van het eerste uur aangemerkt. Hij heeft aan Neeltje Jans als experimenteerder een extra termijn van twee jaar toegekend die haar in staat moet stellen haar investeringen terug te verdienen. Daarmee heeft Neeltje Jans een totale overgangstermijn van zes jaar gekregen. Dit betekent dat aan Neeltje Jans als experimenteerder nog een MZI-vergunning is verleend tot en met het jaar 2015. Omdat Neeltje Jans niet als pionier van het eerste uur kan worden aangemerkt heeft de staatssecretaris Neeltje Jans niet dezelfde uitzonderingspositie toegekend als West 6, aangezien aan dat bedrijf ook in de jaren 2016 en 2017 en in beginsel ook in het jaar 2018 en in de daarop volgende jaren MZI-vergunningen zullen worden verleend.

    Ten slotte heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat Neeltje Jans op de hoogte moet zijn geweest van het vervallen van de MZI-locatie De Krammer.

Oordeel rechtbank over nieuw besluit op bezwaar

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris Neeltje Jans terecht niet als pionier van het eerste uur heeft aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat Neeltje Jans door de overgangstermijn van zes jaar toereikend is gecompenseerd. Wat betreft de uitzonderingspositie van West 6 acht de rechtbank het besluit op bezwaar van 24 april 2015 afdoende gemotiveerd.

Met betrekking tot locatie De Krammer heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris, bij afweging van alle betrokken belangen, deze locatie in redelijkheid heeft kunnen laten vervallen voor MZI-activiteiten.

Oordeel Afdeling

Pionier van het eerste uur / Uitzonderingspositie West 6 / Overgangstermijn

5.    Neeltje Jans betoogt dat zij ten onrechte niet als pionier van het eerste uur is aangemerkt en dat zij recht heeft op dezelfde positie als West 6 en dus recht heeft op voortzetting van haar MZI-exploitatie na het jaar 2015. Indien zij niet als pionier van het eerste uur, maar slechts als experimenteerder zou moeten worden aangemerkt, is de overgangstermijn van zes jaar te kort om haar investeringen terug te verdienen, aldus Neeltje Jans.

5.1.    De Afdeling heeft in de eerdere uitspraak overwogen:

2.7: "Op 16 november 2009 is de brief van 31 augustus 2009 behandeld in een wetgevingsoverleg tussen de minister en de vaste Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XIV, nr. 63). In dat overleg hebben verschillende commissieleden vragen gesteld over de toewijzing van MZI-locaties aan experimenteerders die reeds voor 2004 bedrijfsmatig met MZI’s bezig waren en daarin miljoenen euro’s hebben geïnvesteerd, de zogenoemde pioniers van het eerste uur, en over de aanvaardbaarheid van de overgangstermijn van vier jaren voor die groep."

15.2.: "Hieruit volgt dat er ten tijde van de totstandkoming van de Regeling twee groepen ‘experimenteerders’ waren in de zin van artikel 77b van de Regeling: de ondernemers die al vóór het Beleidsbesluit 2005-2020 MZI’s exploiteerden en daarmee gedurende de experimenteerfase zijn doorgegaan, en de ondernemers die eerst in de experimenteerfase daarmee zijn aangevangen. De MZI-activiteiten van de eerste groep vonden niet plaats in het kader van het Beleidsbesluit 2005-2020 en het interim-beleid, maar waren, zoals ook ter zitting naar voren is gekomen, gericht op commerciële exploitatie van de MZI’s. Deze groep is de groep ‘pioniers van het eerste uur’ waar de vaste Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het hiervoor onder 2.7. vermelde wetgevingsoverleg van 16 november 2009 op doelde."

15.4.1.: "Door geen onderscheid te maken tussen de twee groepen experimenteerders, is de minister ten onrechte voorbijgegaan aan de situatie van de groep pioniers van het eerste uur, die zich in relevante mate onderscheidt van die van de experimenteerders die eerst in de op voorhand in tijd beperkte experimenteerfase MZI-activiteiten hebben ontplooid. Eerstgenoemde groep heeft immers in de periode 2000 tot 2005 bedrijfsmatig MZI’s mogen exploiteren en daarvoor investeringen gedaan. Tot het Beleidsbesluit 2005-2020 hoefde deze groep er niet van uit te gaan dat die activiteiten vanaf 2005 als experimenten zouden worden aangemerkt met een tijdig karakter."

5.2.     Gelet op hetgeen onder 5.1. is weergegeven bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich in het nieuwe besluit op bezwaar van 24 april 2015 niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat alleen die ondernemingen die vóór het jaar 2005 aanzienlijke investeringen hebben gedaan en op schaal van betekenis installaties gericht op het invangen van mosselzaad te water hebben gelaten als pionier van het eerste uur zijn aan te merken. Dit uitgangspunt doet recht aan de eerdere uitspraak, waarin onder 2.7. de pioniers van het eerste uur werden omschreven als experimenteerders die bedrijfsmatig met MZI’s bezig waren en daarin miljoenen euro’s hebben geïnvesteerd.

5.3.    In het accountantsrapport van Zuijderwijk, gedateerd 15 april 2014, staat dat Neeltje Jans in de jaren 2000 tot en met 2004 voor een bedrag van omstreeks € 105.000,00 en enkele tienduizenden euro’s aan facturen over de periode 2003-2005 inzake materialen voor MZI-installaties, zoals touw en andere toebehoren, in MZI-installaties heeft geïnvesteerd.

5.4.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de staatssecretaris Neeltje Jans in redelijkheid niet als pionier van het eerste uur heeft hoeven aanmerken. De staatssecretaris heeft zich in het nieuwe besluit op bezwaar van 24 april 2015 op het standpunt kunnen stellen dat de activiteiten die Neeltje Jans vóór het jaar 2005 heeft ontplooid moeten worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen en niet als economische activiteiten gericht op exploitatie van mosselzaad. De staatssecretaris verwijst in het besluit van 24 april 2015 naar een passage uit het "Onderzoeksplan en Passende beoordeling MZI’s Brouwershavensegat 2007" van bureau Marinx dat in opdracht van Neeltje Jans was opgesteld, waarin staat dat Neeltje Jans, dat zich sinds 1989 bezig houdt met de kweek van mosselen in hangcultures, deze kweek tot en met 2004 richtte op de productie van consumptiemosselen en eerst in het jaar 2005 is gestart met de ontwikkeling van nieuwe technieken die ook het produceren van mosselzaad in substantiële hoeveelheden in hangcultures mogelijk maakt. Uit het accountantsrapport, dat is gebaseerd op stukken die Neeltje Jans zelf heeft overgelegd, blijkt dat de installaties gericht op het invangen van mosselzaad die daadwerkelijk te water zijn gelaten een proef betroffen in het jaar 2000 bij De Krammer met één lijntje en een experiment in het jaar 2001 in het Slaak met een longline van 200 meter. Nadien heeft Neeltje Jans te kennen gegeven dat zij in het voorjaar van het jaar 2001 een oogst van 50 ton mosselzaad van lijnen van de Krammer had. Indien daaruit al zou moeten worden afgeleid dat Neeltje Jans vóór het jaar 2005 op schaal van betekenis installaties gericht op het invangen van mosselzaad te water heeft gelaten, dan nog heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de investeringen van Neeltje Jans tussen de jaren 2000 en 2005, zoals opgenomen onder 5.3., gelet op de in de eerdere uitspraak onder 2.7 genoemde omschrijving van de pioniers van het eerste uur, niet als aanzienlijk kunnen worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat pionier van het eerste uur West 6 in de jaren 2000 tot en met 2004 meer dan een miljoen euro in MZI-installaties heeft geïnvesteerd en pionier van het eerste uur Prins & Dingemanse in die jaren een bedrag van € 587.300,00 in MZI-installaties heeft geïnvesteerd. Dit zijn naar het oordeel van de Afdeling substantieel hogere bedragen dan het onder 5.3. opgenomen bedrag dat Prins & Dingemanse in die jaren heeft geïnvesteerd.

5.5.    Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, nu Neeltje Jans niet als pionier van het eerste uur kan worden aangemerkt, zij reeds daarom niet vergelijkbaar is met West 6. Daarom hoefde de staatssecretaris aan Neeltje Jans niet dezelfde uitzonderingspositie toe te kennen als aan West 6.

5.6.    Ten slotte heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat Neeltje Jans door middel van de generieke overgangstermijn, die in het nieuwe besluit op bezwaar is verlengd van vier naar zes jaar, voldoende is gecompenseerd voor haar investeringen in MZI-installaties. Die investeringen bedroegen in de periode 2005-2009 volgens het accountantsrapport € 1.794.402,00. De boekwaarde van die investeringen was volgens het accountantsrapport op 31 december 2009 € 1.290.083,00.

5.6.1.    In de eerdere uitspraak is onder 21 overwogen dat de staatssecretaris opnieuw diende te bezien of voor de experimenteerders een generieke overgangstermijn van vier jaar afdoende was en dat de staatssecretaris daartoe in het bijzonder diende te onderzoeken wat in de jaren 2005 tot 2010 de investeringen van de experimenteerders in MZI’s zijn geweest.

    De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris gevolg heeft gegeven aan de eerdere uitspraak, door Zuijderwijk opdracht te geven onderzoek te doen naar de investeringen van de ondernemingen in de jaren 2000-2009 en door aan de hand daarvan opnieuw een overgangstermijn te bepalen.

5.6.2.    Het accountantsonderzoek van Zuijderwijk is gebaseerd op gegevens die dertien MZI-experimenteerders hebben verstrekt. In het rapport is per bedrijf het bedrag vermeld dat in MZI’s is geïnvesteerd. Vervolgens is de boekwaarde van de investeringen per 31 december 2009 bepaald. Dit betekent dat is bezien welk deel van de investeringen op dat moment nog niet was "terugverdiend". Daarna is per bedrijf de normatieve jaarproductie van MZI-zaad omstreeks 31 december 2009 bepaald aan de hand van oogstgegevens die de bedrijven hadden verstrekt. Vervolgens is per bedrijf de investering en boekwaarde per mosselton vermeld. Daarna zijn de opbrengstprijs voor mosselzaad en de kosten voor het uitzetten en oogsten daarvan bepaald. De opbrengsten voor mosselzaad zijn vastgesteld op een bedrag tussen de € 50,00 en € 80,00 per mosselton en de kosten voor het kweken en oogsten op een bedrag tussen de € 35,00 en € 40,00 per mosselton. Ten slotte is de terugverdienperiode per bedrijf in kaart gebracht aan de hand van verschillende opbrengstprijzen en kweek/oogstprijzen. Ook is inzicht gegeven in het gewogen gemiddelde.

5.6.3.    De staatssecretaris heeft zich in het nieuwe besluit op bezwaar van 24 april 2015, gelet op hetgeen in de eerdere uitspraak onder 21 en 15.4.3. is overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de overgangstermijn er niet toe behoefde te strekken dat alle experimenteerders ook daadwerkelijk binnen die termijn al hun investeringen in MZI’s terug zouden verdienen, maar dat zij daartoe in de gelegenheid werden gesteld. Daarbij heeft de staatssecretaris kunnen betrekken dat het niet voor alle experimenteerders mogelijk was alle investeringen terug te verdienen, bijvoorbeeld door de keuze de exploitatie van MZI-installaties die niet rendabel waren toch voort te zetten, terwijl het mogelijk was hun MZI’s aan te passen of over te schakelen op andere en rendabelere MZI-systemen. Ook heeft de staatssecretaris daarbij kunnen betrekken dat indien aan ondernemingen die zeer rendabele systemen hebben gebruikt op grond daarvan een korte overgangstermijn zou worden gegund, zij zouden worden benadeeld omdat zij een rendabel systeem gebruiken, terwijl ondernemers met minder rendabele systemen, die een langere termijn nodig zouden hebben om de investeringen terug te verdienen, op grond daarvan zouden worden bevoordeeld. Daarom kon de staatssecretaris uitgaan van een generieke overgangstermijn.

    De staatssecretaris heeft kunnen uitgaan van een opbrengst van € 65,00 per mosselton en van € 37,50 aan variabele kweek/oogstkosten per mosselton, aangezien dat gemiddelden betreft van de bedragen die in het accountantsrapport worden genoemd en aannemelijk is dat, zoals de staatssecretaris te kennen heeft gegeven, deze kosten moeilijk zijn vast te stellen omdat voor mosselzaad geen algemeen geldende marktprijzen beschikbaar zijn en veel van het ingevangen mosselzaad binnen de eigen (zuster)bedrijven van de experimenteerders wordt opgekweekt. Volgens de berekeningen van het accountantsonderzoek leidt toepassing van deze bedragen tot een gemiddelde terugverdientermijn per bedrijf van, naar boven afgerond, zes jaar.

5.6.4.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6.1. tot en met 5.6.3. heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de experimenteerders in staat gesteld dienden te worden hun investeringen terug te verdienen. Daarom kon het onderzoek in redelijkheid worden beperkt tot de investeringen per 31 december 2009, waarbij de investeringen zijn bepaald op basis van de bedrijfsmiddelen en hoefde niet tevens te worden onderzocht wat de kosten voor bestede tijd en mankracht waren. Wat betreft de stelling van Neeltje Jans dat niet had moeten worden uitgegaan van fiscale afschrijvingen maar van de economische gebruiksduur heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat  willekeur wordt voorkomen door in alle gevallen uit te gaan van de door ondernemingen opgestelde jaarrekeningen en dat dit het meest objectieve beeld geeft van de cijfers.

5.7.    De betogen falen.

Vervallen locatie De Krammer / open planproces  / vertrouwensbeginsel

6.    Neeltje Jans betoogt dat de rechtbank over locatie De Krammer ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid deze locatie heeft kunnen laten vervallen voor MZI-activiteiten. Zij voert aan dat zij ten onrechte niet op de hoogte was gesteld van het vervallen van de locatie, omdat zij niet is gehoord in het zogenoemde open planproces. Volgens Neeltje Jans had Rijkswaterstaat geen bezwaar en heeft de directeur-generaal van het ministerie aan haar toegezegd dat de locatie zou kunnen blijven bestaan als Rijkswaterstaat daartegen geen bezwaar zou hebben.

6.1.    In het nieuwe besluit op bezwaar van 24 april 2015 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit de dossierstukken blijkt dat Neeltje Jans niet alleen op de hoogte had kunnen zijn maar ook ervan op de hoogte was dat de MZI-locatie De Krammer zou afvallen en dat Neeltje Jans ook ruimschoots de gelegenheid heeft gehad haar reactie daarop te geven. Hij heeft dit standpunt in het besluit van 24 april 2015 als volgt toegelicht:

    "Het open planproces betreft een intensief traject waarin verspreid over de tijd in een aantal bijeenkomsten experimenthouders maar ook andere belanghebbenden niet alleen geïnformeerd, maar ook geconsulteerd werden. Uitgangspunt was dat experimenteerders dezelfde locatie mochten gebruiken als zij in de experimentfase hadden gedaan, maar dat ook de belangen van andere gebruikers van de gebieden moesten worden meegenomen bij de uiteindelijke toedeling van de locaties. Voor de draagkracht van MZI-exploitatie was van belang dat de locatietoedeling op zo veel mogelijk instemming van betrokken partijen kon rekenen. Overheden, de recreatieve sector, experimenthouders en andere visserijsectoren hebben een actieve inbreng aan dit consultatieproces geleverd. Met inachtneming van de bijdrage van alle betrokkenen is de uiteindelijke locatieverdeling tot stand gekomen. Hieronder geef ik een kort en niet uitputtend overzicht van bijeenkomsten die in het kader van het open planproces hebben plaatsgevonden.

    Op 19 en 20 januari 2009 hebben in Middelburg consultatiegesprekken plaatsgevonden over de opschaling en locatiebepaling van MZI’s. Hier waren onder andere de PO mosselen, Visserijvereniging Zierikzee en de Vereniging van Zeeuwse Hangcultuurkwekers uitgenodigd en aanwezig. Neeltje Jans is lid van de drie hiervoor genoemde organisaties. Ook de heer Schot, bestuurslid van Neeltje Jans, was bij deze bijeenkomst aanwezig.

    Op 4 maart 2009 zijn alle MZI-ondernemers - waaronder dus ook Neeltje Jans - uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst over het beleidstraject ten aanzien van opschaling en locatieverdeling van MZI’s.

    Naar aanleiding van deze eerste consultatierondes is een rapport opgesteld: "MZI’s: van zoekgebieden naar locaties". Hierin was opgenomen welke locaties voor MZI’s in aanmerking komen. Locatie De Krammer werd niet als een zodanige locatie aangemerkt. Wel werden door diverse organisaties bedenkingen tegen de MZI-locatie De Krammer aangevoerd. Op 23 maart 2009 is dit rapport met MZI-ondernemers besproken. Hiervoor waren ook onder meer de PO mosselen, Visserijvereniging Zierikzee en de Vereniging van Zeeuwse Hangcultuurkwekers uitgenodigd. Ook de voornoemde heer J. Schot was hierbij aanwezig en heeft blijkens het gespreksverslag van deze bijeenkomst ook een actieve bijdrage geleverd, maar niets opgemerkt over de locatie De Krammer.

    In juni 2009 is het meest recente rapport "MZI’s van zoekgebieden naar locaties" rondgestuurd aan betrokkenen waaronder de PO mosselen en de verenigingen waarvan Neeltje Jans lid is: Visserijvereniging Zierikzee en de Vereniging van Zeeuwse Hangcultuurkwekers. Het betrof hier een schriftelijke consultatieronde en alle betrokkenen is gevraagd eventuele reacties binnen drie weken schriftelijk in te dienen. Uit dit rapport blijkt ook expliciet dat de locatie De Krammer niet is opgenomen als MZI-locatie. Ook naar aanleiding daarvan zijn door geen van de betrokkenen opmerkingen geplaatst.

    Op 9 september 2009 vond in Goes de slotbijeenkomst plaats. Hieraan voorafgaand is wederom de meest recente versie van het rapport MZI’s van zoekgebieden naar locaties aan betrokkenen gestuurd, waaronder de PO mosselen, Visserijvereniging Zierikzee en de Vereniging van Zeeuwse Hangcultuurkwekers. Uit het gespreksverslag van de slotbijeenkomst blijkt ook weer dat de heer J. Schot een actieve bijdrage aan het gesprek heeft geleverd. Echter ten aanzien van het vervallen van de locatie De Krammer is geen enkele kanttekening geplaatst."

6.2.    In hetgeen Neeltje Jans heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat de onder 6.1. door de staatssecretaris weergegeven feitelijke gang van zaken onjuist is. Gelet op die feiten heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, ook al was J. Schot, de directeur van Neeltje Jans, als bestuurslid van de PO mosselen en niet in zijn hoedanigheid van directeur van Neeltje Jans aanwezig bij de bijeenkomsten in het kader van het open planproces, het ervoor moet worden gehouden dat Neeltje Jans ervan op de hoogte was dat de MZI-locatie De Krammer zou afvallen en dat zij daarop haar reactie had kunnen geven.

6.3.     Bij het afvallen van MZI-locatie De Krammer is groter gewicht toegekend aan de belangen van de bootsportvisserij, de vaste vistuigenvissers, de mosselhangcultuurkwekers en de Faunabescherming bij het laten vervallen van De Krammer als MZI-locatie dan aan het belang van Neeltje Jans bij het behoud van die locatie. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid deze locatie heeft kunnen laten vervallen en heeft kunnen vervangen door de locatie Vuilbaard Noord voor MZI-activiteiten.

6.4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3006), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Daarvan is niet gebleken. Neeltje Jans heeft geen schriftelijk stuk overgelegd waarin een dergelijke toezegging door een daartoe bevoegd persoon is opgenomen. Voor zover zij heeft verwezen naar een overleg dat heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010 op het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is, ook ter zitting bij de Afdeling, niet aannemelijk geworden dat de directeur-generaal van het ministerie tijdens dat gesprek aan Neeltje Jans de toezegging heeft gedaan dat, indien Rijkswaterstaat daartegen geen bezwaar zou hebben, hij de wens van Neeltje Jans om haar De Krammer als MZI-locatie toe te wijzen alsnog zou honoreren.

6.5.    De betogen falen.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Slump

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017

280.