Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2177

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201605864/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:3630, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 15 maart 2012 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] en oplegging van de verplichting deel te nemen aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605864/1/A1.

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2016 in zaak nr. 16/1394 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 15 maart 2012 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] en oplegging van de verplichting deel te nemen aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp), afgewezen.

Bij besluit van 22 februari 2016 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.A. Launspach, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Bij besluit van 15 maart 2012 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard en hem verplicht deel te nemen aan een asp. Hieraan heeft het CBR ten grondslag gelegd dat bij [appellant] op 26 februari 2012 als beginnend bestuurder een ademalcoholgehalte van 550 µg/l is geconstateerd. Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het CBR het door [appellant] tegen het besluit van 15 maart 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden.

    Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om terug te komen van het besluit van 15 maart 2012 afgewezen. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat [appellant] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. [appellant] kan zich niet met dit besluit verenigen.

Wettelijk kader

2.    Artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden."

    Het tweede lid luidt:

"Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking."

Beoordeling hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep te beperkt heeft opgevat en ten onrechte niet is ingegaan op drie door hem aangevoerde beroepsgronden. [appellant] wijst er op dat hij in beroep heeft aangevoerd dat het CBR zijn verzoek ten onrechte heeft opgevat als een verzoek tot het aantasten van een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Hij wijst er op dat hij het CBR nadrukkelijk de mogelijkheid heeft gegeven om het besluit van 15 maart 2012 in stand te laten en slechts voor de toekomst te wijzigen. Voorts wijst [appellant] er op dat hij heeft aangevoerd dat het CBR een onjuiste en te beperkte uitleg geeft aan de relevante wettelijke regelingen waaronder artikelen 132c en 132d van de Wegenverkeerswet, artikel 97, vijfde lid, van het Reglement rijbewijzen en artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling), die een teruggave van het rijbewijs mogelijk en zelfs aangewezen maken. [appellant] wijst er verder op dat hij in beroep heeft aangevoerd dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er een zodanig vermoeden van ongeschiktheid tot rijden is dat [appellant] ook daarom zijn rijbewijs niet terug kan krijgen. Dat hij het asp niet volledig heeft afgemaakt mag geen rol spelen bij de beoordeling van het verzoek om zijn rijbewijs terug te geven.

3.1.    Het CBR heeft het verzoek van [appellant] terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het besluit van 15 maart 2012. Dat dit verzoek, zoals [appellant] aanvoert, uitsluitend zag op het intrekken van het besluit van 15 maart 2012 voor de toekomst en derhalve niet op een volledige herziening met terugwerkende kracht, doet hier niet aan af. De rechtbank heeft zich, gelet hierop, terecht beperkt tot de vraag of het CBR het besluit van 15 maart 2012 zou moeten herzien. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de vraag of door het CBR aan [appellant] op een eerder tijdstip dan na het verstrijken van vijf jaar moet worden overgegaan tot afgifte van een verklaring van geschiktheid en dus een rijbewijs kan worden aangevraagd pas aan de orde kan komen in het kader van een aanvraag om een verklaring van geschiktheid die hij op dat moment nog niet bij het CBR had ingediend.

    Voor zover [appellant] betoogt dat het CBR zich in het besluit van 22 februari 2016 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er een vermoeden van ongeschiktheid tot rijden is gerezen, en dat vermoeden nog steeds bestaat omdat hij het asp niet volledig heeft voltooid, en dat [appellant] ook daarom zijn rijbewijs niet terug kan krijgen, wordt overwogen dat het CBR het verzoek heeft afgewezen omdat volgens hem geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, zodat dit standpunt van het CBR, wat daar verder van zij, niet aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag ligt.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hij bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 15 maart 2012 nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden heeft vermeld. Daartoe wijst hij op veranderde jurisprudentie over oplegging van een asp. In de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:622) is overwogen dat artikel 17, eerste lid, van de Regeling onverbindend is. Met deze uitspraak staat volgens hem vast dat het alcoholslotprogramma een juridisch wangedrocht is waarmee de burger op dubieuze gronden voor hoge kosten werd gesteld, zo ook hijzelf ter zake van een eenmalige overtreding als beginnend bestuurder nadat hij overigens al bijna drie jaar in het bezit was van een rijbewijs. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 had het voor de hand gelegen dat het CBR het verzoek om teruggave van zijn rijbewijs inhoudelijk in behandeling had genomen.

4.1.    In de uitspraak van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131), heeft de Afdeling aanleiding gezien haar rechtspraak over verzoeken om terug te komen van besluiten aan te passen. De nieuwe lijn wordt met onmiddellijke ingang gehanteerd.

    Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.     Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

    Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

    In dit geval heeft het CBR toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.    Wat de verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 betreft, wordt overwogen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3387, een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is.

    De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voordoen.

4.3.    Nu het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden aan zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 15 maart 2012 ten grondslag heeft gelegd, kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit in beginsel dragen. Zoals vermeld kan de bestuursrechter aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

4.4.    Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 volgt dat het CBR niet gehouden is terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het opleggen van een asp. Uit hetgeen in die uitspraak ten aanzien van het opleggen van een asp is overwogen, volgt dan ook op zichzelf nog niet dat het evident onredelijk moet worden geacht dat het CBR niet terugkomt van dergelijke besluiten. Daaraan doet niet af dat het CBR afziet van het opleggen van een asp in nieuwe gevallen, reeds omdat de bevoegdheid daartoe ontbreekt vanwege het onverbindend achten van artikel 17 van de Regeling in de bedoelde uitspraak en van de wijziging van de Regeling nadien, waarbij dit artikel is vervallen. Dit neemt niet weg dat de omstandigheden van het geval kunnen maken dat het niet terugkomen van een besluit tot het opleggen van een asp evident onredelijk moet worden geacht. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

    Voor zover [appellant] er op wijst dat het om een eenmalige overtreding ging en hij weliswaar een beginnende bestuurder was, maar wel al bijna drie jaar over een rijbewijs beschikte, wordt overwogen dat die omstandigheden niet maken dat het niet terugkomen evident onredelijk moet worden geacht. Het is voorts niet gebleken dat [appellant] afhankelijk was van een rijbewijs. Voor zover hij heeft gesteld dat de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs hem per onmiddellijke ingang zijn baan als koerier heeft gekost, is daarvan niet gebleken. De door [appellant] overgelegde arbeidsovereenkomst met Sandd die tot 31 december 2012 liep, biedt daarvoor geen grond. Voor zover [appellant] ter zitting heeft gewezen op zijn opleiding tot accountant, volgt daaruit evenmin dat hij afhankelijk was van een rijbewijs. Verder wordt in aanmerking genomen dat [appellant], gelet op de omstandigheid dat zijn verzoek om herziening, zoals hij ook ter zitting heeft bevestigd, uitsluitend zag op de toekomst, in plaats van een verzoek om herziening een nieuwe aanvraag voor een verklaring van geschiktheid had kunnen doen, hetgeen hij overigens inmiddels ook heeft gedaan, wat er toe heeft geleid dat hij thans weer beschikt over een rijbewijs.

    Uit het voorgaande volgt dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het evident onredelijk is dat het CBR niet is teruggekomen van het besluit van 15 maart 2012.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Slump    w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017

580.