Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201605492/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3760, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2015 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een boomkwekerijloods op het perceel [locatie 1] te Rijsbergen (hierna: het perceel) en het in gebruik nemen van de bestaande (stallings)loods op dat perceel ten behoeve van een hoveniersbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605492/1/A1.

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2016 in zaak nr. 15/8153 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2015 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een boomkwekerijloods op het perceel [locatie 1] te Rijsbergen (hierna: het perceel) en het in gebruik nemen van de bestaande (stallings)loods op dat perceel ten behoeve van een hoveniersbedrijf.

Bij uitspraak van 14 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201604777/1/R2 ter zitting behandeld op 20 juni 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. van Hengel, advocaat te Etten-Leur, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. de Koning-Barten zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. C. Lubben, als partij gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    [belanghebbende] exploiteert op het perceel een boomkwekerij en een hoveniersbedrijf. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Zundert", zoals dat ten tijde van het besluit van 16 november 2015 gold (hierna: het bestemmingsplan), rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf". Ingevolge artikel 4.1 van de planregels is op de als zodanig aangewezen gronden een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een boomteeltbedrijf, toegestaan. Het gebruik van de op te richten loods ten behoeve van een boomkwekerij en van de bestaande loods ten behoeve van een hoveniersbedrijf, is hiermee niet in overeenstemming. Teneinde dat gebruik niettemin mogelijk te maken, heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). [appellant] is bewoner van de woning op het naastgelegen perceel [locatie 2] en kan zich niet met de verlening van de omgevingsvergunning verenigen.

Gebruik van de op te richten loods ten behoeve van de boomkwekerij

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning in strijd met de provinciale Verordening ruimte 2014 (hierna: de Verordening 2014) is verleend. Volgens hem ontbreekt ten onrechte een beschrijving van de effecten van het project op de groenblauwe mantel, zoals in artikel 6.2 is voorgeschreven. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [belanghebbende] in de periode van 2010 tot en met 2014 ter plaatse reeds een boomkwekerij exploiteerde en dat toetsing aan die verordening om die reden in zoverre niet aan de orde is.

2.1.    Artikel 1.87 van de Verordening 2014 luidt:

"In deze verordening wordt verstaan onder een (vollegronds)teeltbedrijf: een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt."

    Artikel 6.2, eerste lid, luidt:

"Een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel:

a. kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een (vollegronds)teeltbedrijf, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

I. de omvang noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering;

II. er een positieve bijdrage wordt geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. […]"

    Artikel 2, eerste lid, luidt:

"Tenzij de strekking van de bepaling zich daartegen verzet dan wel in deze verordening uitdrukkelijk anders is aangegeven, wordt bij toepassing van deze verordening onder bestemmingsplan tevens begrepen: […]

c. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, ten derde, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken".

2.2.    Het project ziet voor wat betreft de op te richten loods op een gebruik ten behoeve van een boomkwekerij, zijnde een vorm van vollegrondsteelt.

    In het bestemmingsplan rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf". Onder deze bestemming waren grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Dat zijn volgens de begripsomschrijving agrarische bedrijven met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Daartoe behoren ook (vollegronds)teeltbedrijven. Dat een boomkwekerij in het bestemmingsplan ter plaatse al dan niet abusievelijk was uitgesloten, laat onverlet dat de in de Verordening 2014 bedoelde bedrijfsvorm (vollegronds)teeltbedrijf als zodanig ingevolge het bestemmingsplan planologisch-juridisch al mogelijk was. Gelet hierop betreft het project niet de uitbreiding van, de vestiging van of de omschakeling naar een (vollegronds)teeltbedrijf als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014. Daarbij is niet relevant of op het perceel in de periode van 2010 tot en met 2014 feitelijk reeds een boomkwekerij aanwezig was.

    Gelet hierop heeft de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in strijd met artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder a van de Verordening 2014 heeft verleend.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft nagelaten om te toetsen of de boomkwekerij passend is uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening. Daarbij wijst hij er op dat een boomkwekerij mogelijk wordt gemaakt die onmiddellijk grenst aan zijn perceel, terwijl uit het rapport "Driftblootstelling van bewoners en omstanders door bespuitingen in de laanboomteelt", waarop het college zich baseert, kan worden afgeleid dat een spuitzone van 20 m aangehouden dient te worden. Volgens [appellant] heeft het college dit rapport bovendien ten onrechte niet ter inzage gelegd.

3.1.    De verleende omgevingsvergunning voorziet niet in het mogelijk maken van een boomkwekerij op het perceel, maar uitsluitend in het gebruik van een op te richten loods ten behoeve van de boomkwekerij. Bespuiting vindt niet plaats in deze loods, maar uitsluitend bij de gekweekte bomen waarop de omgevingsvergunning niet ziet. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op andere gronden, geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het beoogde gebruik van die loods een spuitzone in acht had moeten nemen. Reeds daarom hoefde het college het door [appellant] bedoelde rapport voorts niet met de ontwerpbeschikking op de aanvraag om omgevingsvergunning ter inzage te leggen.

    Het betoog faalt.

Gebruik van de bestaande loods ten behoeve van het hoveniersbedrijf

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het hoveniersbedrijf, ten behoeve waarvan de bestaande loods in gebruik zal worden genomen, een bedrijfsoppervlak van minder dan 500 m2 heeft en als nevenactiviteit kan worden aangemerkt. Daarbij wijst [appellant] op gestelde activiteiten ten behoeve van het hoveniersbedrijf die op andere delen van het perceel plaatsvinden. Voorts wijst hij er op dat in de aanvraag om omgevingsvergunning is vermeld dat ook de op te richten loods mede ten behoeve van het hoveniersbedrijf zal worden gebruikt. Dit leidt volgens [appellant] tot een bedrijfsoppervlak van meer dan 500 m2. Dat betekent dat het hoveniersbedrijf volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure), behoort tot milieucategorie 3.1. Vestiging van een bedrijf in die milieucategorie op het perceel is in strijd met de Verordening 2014. Bovendien geldt volgens de VNG-brochure voor een bedrijf in die milieucategorie een richtafstand van 50 m, waaraan niet wordt voldaan, aldus [appellant]. Volgens hem heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de milieugevolgen van het hoveniersbedrijf op het perceel. De geluidbelasting als gevolg van de activiteiten ten behoeve van het hoveniersbedrijf leiden volgens [appellant] tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in zijn woning. [appellant] wijst er in dit verband op dat ter plaatse bomen tot kachelhout worden verwerkt, hout wordt gesnipperd en reparatiewerkzaamheden plaatsvinden waarbij gebruik wordt gemaakt van een slijptol.

4.1.        Artikel 6.10, eerste lid, onder d, van de Verordening 2014 luidt:

    "Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger".

    Volgens de VNG-brochure behoort een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak groter dan 500 m2 tot milieucategorie 3.1. Een hoveniersbedrijf met een kleiner bedrijfsoppervlak behoort tot categorie 2.

4.2.    De omgevingsvergunning heeft uitsluitend betrekking op de op te richten loods en op het gebruik van de bestaande loods. Voor zover op het perceel buiten deze loodsen activiteiten ten behoeve van het hoveniersbedrijf plaatsvinden, zijn deze niet door verlening van de in geding zijnde omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college deze activiteiten in zijn beoordeling van de aanvraag had moeten betrekken.

    Hoewel [appellant] er op zichzelf terecht op wijst dat in de aanvraag om omgevingsvergunning is vermeld dat de op te richten loods zal worden gebruikt voor de boomkwekerij en de nevenactiviteit hoveniersbedrijf, mocht het college de aanvraag, gelet op de ruimtelijke onderbouwing, zo begrijpen dat voor wat betreft de nieuwe loods uitsluitend toestemming voor een gebruik ten behoeve van de boomkwekerij is gevraagd. De verleende omgevingsvergunning is in zoverre ook tot dat gebruik beperkt. Dit betekent dat de omgevingsvergunning op het perceel slechts een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak ter grootte van de bestaande loods mogelijk maakt. De omvang van deze loods is minder dan 500 m2, zodat het hoveniersbedrijf dat door de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt volgens de VNG-brochure behoort tot milieucategorie 2. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren wegens strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder d, van de Verordening 2014.

4.3.    Volgens de VNG-brochure geldt voor een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak van niet meer dan 500 m2 een richtafstand van 30 m. Nu de bestaande loods op een afstand van ongeveer 32 m van de woning van [appellant] is gelegen, is de richtafstand in acht genomen.

    De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college, bij de vraag of in dit geval van de richtafstand kon worden uitgegaan, de geluidbelasting van de verwerking van bomen tot kachelhout had moeten onderzoeken. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat die activiteit door de omgevingsvergunning niet mogelijk wordt gemaakt in de bestaande loods, omdat dit geen activiteit is die hoort bij een hoveniersbedrijf. Voor zover deze activiteiten daar plaatsvinden is dit een handhavingskwestie.

    Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de houtversnippering een onderdeel van de bedrijfsvoering van de boomkwekerij. Geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat houtversnippering ook als onderdeel van de bedrijfsvoering van het hoveniersbedrijf in de bestaande loods is te verwachten. Er was dan ook geen aanleiding voor het college om ter plaatse van de bestaande loods de geluidgevolgen van het versnipperen van hout te onderzoeken.

    Volgens de ruimtelijke onderbouwing vinden de activiteiten van het hoveniersbedrijf grotendeels op locatie plaats en worden in de loods de bedrijfsauto’s, machines en werktuigen gestald. De rechtbank is er daarbij terecht van uitgegaan dat dit gebruik ook reparatie en onderhoud van eigen materieel omvat. Het college kan worden gevolgd in zijn standpunt dat onderhoud van eigen materieel een daarbij behorende ondergeschikte activiteit is waarvan de geluidgevolgen niet hoeven te worden onderzocht. Voor zover daarbij gebruik wordt gemaakt van een slijptol, leidt dat niet tot een ander oordeel. Voor zover deze activiteiten plaatsvinden voor materieel van derden en in strijd met de agrarische bestemming kan handhavend worden opgetreden.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college, bij zijn beoordeling of het project tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de woning van [appellant] leidt, niet van de richtafstand uit de VNG-brochure had mogen uitgaan. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Van Roessel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017

457-727.