Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201705753/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:3863, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705753/1/V3.

Datum uitspraak: 14 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 juli 2017 in zaak nr. NL17.4251 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 17 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In grief II betoogt de vreemdeling dat de rechtbank, nadat zij heeft geoordeeld dat de staandehouding van de vreemdeling onrechtmatig is geweest, ten onrechte heeft overwogen dat zij, gelet op de gronden van de maatregel van bewaring, in de ernst van dit gebrek onvoldoende reden ziet om de inbewaringstelling onrechtmatig te achten. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank miskend dat de staatssecretaris geen belangen heeft gesteld. Voorts heeft zij miskend dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de daarop door de staatssecretaris gegeven toelichting onvoldoende zijn om de belangenafweging in het voordeel van de staatssecretaris te doen uitvallen. Ook de geplande uitzetting van 8 juli 2017 is daarvoor onvoldoende nu deze uitzetting valt in de periode dat de voorzieningenrechter van de rechtbank zijn uitzetting had verboden, aldus de vreemdeling.

1.1.    Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 25 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2337, heeft overwogen, maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

1.2.    De staatssecretaris heeft geen aan de gronden van de maatregel van de bewaring te relateren omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven om de belangenafweging in zijn voordeel te doen uitvallen. De staatssecretaris heeft voorts geen andere zwaarwegende belangen gesteld op grond waarvan het niet nakomen van de uit artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voortvloeiende verplichting niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. Met name heeft de staatssecretaris niet gesteld dat de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kon worden uitgezet of dat het risico dat het voornemen tot uitzetting niet kon worden gerealiseerd onaanvaardbaar moet worden geacht. Gelet hierop en op de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt, is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten. De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 30 juni 2017 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 30 juni 2017 tot 7 juli 2017, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 juli 2017 in zaak nr. NL17.4251;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 635,00 (zegge: zeshonderdvijfendertig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Bakker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2017

395.