Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201705485/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2017 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/198

Uitspraak

201705485/1/V3.

Datum uitspraak: 11 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2017 in zaak nr. NL17.3021 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2017 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 30 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Timmer, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het significant risico op onderduiken in zijn geval is aangetoond. Hiertoe voert de vreemdeling aan dat het verstrekken van onjuiste gegevens bij de aanvraag voor het visum niet kan worden gelijkgesteld met het verstrekken van onjuiste of tegenstrijdige in verband met zijn aanvraag om toelating. Daarnaast stelt de vreemdeling zich op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat hij als Dublinclaimant tot aan de overdracht recht op opvang heeft en de staatssecretaris zijn overdracht zal bekostigen, zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.

2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1601, geldt bij de toepassing van de maatregel krachtens artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), naast de eis dat de grensprocedure wordt toegepast, ook de eis dat er een significant risico op onderduiken, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van verordening 604/2013 (PbEU 2013 L180), bestaat. Verder heeft de Afdeling daarin overwogen dat artikel 5.1a, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) zo moet worden uitgelegd dat deze bepaling ook van toepassing is op een vrijheidsontnemende maatregel als hier aan de orde.

3.    Artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb 2000 luidt:

'Aan de vreemdeling kan op grond van artikel 6a van de Wet een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd of de vreemdeling kan op grond van artikel 59a van de Wet in bewaring worden gesteld, indien:

a. een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening; en

b. een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.'

    Artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 luidt:

'Aan de voorwaarde voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, vijfde lid, wordt slechts voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.'

4.    Aan de vrijheidsontnemende maatregel van 10 juni 2017 is ten grondslag gelegd dat deze wordt gevorderd, nu er een risico op onderduiken bestaat, omdat de vreemdeling:

    (zware grond)

    (3e) in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat.

    (lichte grond)

    (4d) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5.    Voor het tegenwerpen van de hiervoor weergegeven zware grond is vereist dat de vreemdeling onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt bij de aanvraag om toelating welke zien op zijn identiteit, nationaliteit of de afgelegde reis. Gelet hierop en omdat de staatssecretaris de vreemdeling in dit geval uitsluitend tegenwerpt dat hij bij zijn visumaanvraag onjuist zou hebben verklaard over de voorgenomen duur van zijn verblijf in Nederland, klaagt de vreemdeling terecht dat deze grond ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Omdat deze grond wegvalt wordt reeds daarom niet langer aan het in artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste voldaan. Gelet daarop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat ten tijde van het opleggen van de maatregel voldoende grond bestond om aan te nemen dat er een significant risico was dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken.

    De grief slaagt reeds hierom.

6.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Wat overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 10 juni 2017 alsnog gegrond verklaren. Omdat deze vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 10 juni 2017 tot 5 juli 2017, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

7.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2017 in zaak nr. NL17.3021;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Annen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2017

765.