Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2165

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
201705962/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705962/1/V3.

Datum uitspraak: 11 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 juli 2017 in zaak nr. NL17.4379 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 18 juli 2017 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de staatssecretaris daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie zich verzet tegen zijn uitzetting niet betekent dat geen sprake is van zicht op uitzetting omdat dit verzet naar zijn aard tijdelijk is. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling miskend dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is komen te ontbreken nu het openbaar ministerie zich uitdrukkelijk tegen zijn uitzetting heeft verzet en de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep en mogelijk in cassatie nog lang op zich zullen laten wachten.

1.1.    Op 8 juni 2017 heeft het openbaar ministerie laten weten bezwaar te hebben tegen het voornemen om de vreemdeling uit te zetten. Gelet hierop is sprake van een feitelijke belemmering die vooralsnog aan uitzetting van de vreemdeling in de weg staat. Bij gebreke van enig uitzicht op een einde van die belemmering binnen een redelijke termijn ontbreekt zicht op uitzetting zoals dat is vereist om de vreemdeling in verband daarmee in bewaring te kunnen stellen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4310). De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 3 juni 2017 alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 8 juni 2017 tot 11 augustus 2017, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 juli 2017 in zaak nr. NL17.4379;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

V.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 5.120,00 (zegge: vijfduizend honderdentwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Bakker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2017

395.