Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201704536/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704536/1/V3

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 juni 2017 in zaak nr. NL17.2431 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 2 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 17 mei 2017 krachtens artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld. Aan de maatregel heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat er een significant risico bestaat op onderduiken, omdat de vreemdeling:

    3b.    zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

    3c.    eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij/zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

    3f.    zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn/haar reis- of identiteitsdocumenten;

    4a.    zich niet aan één of meer voor hem/haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

    4b.    meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

    4c.    geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

    4d.    niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De staatssecretaris heeft ter zitting bij de rechtbank de gronden 3f en 4b laten vallen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de grond 3c geen stand kan houden, waartegen de staatssecretaris geen hoger beroep heeft ingediend.

2.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris de zware grond, zoals opgenomen onder 3b (hierna: de zware grond) niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd, maar ter zitting alsnog een motivering heeft gegeven, die, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2606, bij de beoordeling kan worden betrokken. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de motivering van de staatssecretaris kan worden gevolgd dat de vreemdeling zich aan het toezicht heeft onttrokken door niet naar Polen, maar naar Frankrijk, te vertrekken en een jaar later Nederland weer binnen te komen zonder zich te melden.

3.    In grief 2 klaagt de vreemdeling onder meer dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1593, volgt, dat de voor de inbewaringstelling van een vreemdeling vereiste motivering niet pas na de oplegging van de maatregel kenbaar mag worden gemaakt.

3.1.     Gelet op de even bedoelde uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015 heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij de alsnog ter zitting gegeven motivering bij de toetsing van het besluit kan betrekken. Hieruit volgt, dat de zware grond een nadere toelichting ontbeert, nu in de maatregel van bewaring niet is vermeld waarom uit deze grond volgt dat met het oog op het voornemen tot overdracht van de vreemdeling een significant risico op onttrekken aan het toezicht bestaat.

3.2.    Aangezien ook de overige zware gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), die de staatssecretaris aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, geen stand hebben gehouden, voldoet de maatregel niet aan het in artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste, dat aan de maatregel tenminste één zware grond moet zijn verbonden. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is geweest. De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven derhalve geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 mei 2017 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 17 mei 2017 tot 20 juni 2017, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 juni 2017 in zaak nr. NL17.2431;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.720,00 (zegge: zevenentwintighonderdtwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Snijders

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017

205