Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
201606964/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:9112, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning op het perceel gelegen achter de [locatie 1] te Boskoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606964/1/A1.

Datum uitspraak: 9 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2016 in zaak nr. 16/2451 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning op het perceel gelegen achter de [locatie 1] te Boskoop.

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2017, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R.M. Klerks, zijn verschenen. Voorts is [partij] ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] woont op het perceel [locatie 2] en heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen het bouwen van een bouwwerk achter haar perceel. Dit bouwwerk is gebouwd door [partij], de eigenaar en bewoner van de woning van het naast haar perceel gelegen [locatie 3]. [partij] heeft de grond achter het perceel van [appellante] gekocht en heeft op dat perceel een schuur en overkapping (hierna: het bouwwerk) gebouwd met nokhoogte van ongeveer 4,30 m en een totaal oppervlak van 73,33 m2.

    Het college heeft zich in het bij besluit van 23 februari 2016 gehandhaafde besluit van 13 november 2015 op het standpunt gesteld dat het bouwwerk omgevingsvergunningvrij mag worden opgericht op grond van artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Volgens het college is het bouwwerk gelegen in het achtererfgebied behorende bij het perceel [locatie 3] en, nu voldaan wordt aan artikel 2 van bijlage II van het Bor, kan volgens het college niet handhavend worden opgetreden tegen het bouwen van het bouwwerk zonder omgevingsvergunning.

    [appellante] is van mening dat het bouwwerk niet omgevingsvergunningvrij mag worden opgericht, omdat het bouwwerk volgens haar niet is gebouwd in het achtererfgebied behorende bij de woning van [partij].

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het bouwwerk is gelegen in het achtererfgebied van [partij] en dat niet in geschil is tussen partijen dat aan de overige vereisten van artikel 2, aanhef en derde lid, en artikel 5 en 8 van bijlage II van het Bor wordt voldaan, zodat voor het bouwwerk geen omgevingsvergunning is vereist. De rechtbank concludeert dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Volgens de rechtbank is binnen het beoordelingskader niet van belang of het bouwwerk het uitzicht van [appellante] belemmert en of het bouwwerk ook als mantelzorgwoning mag worden gebruikt.

Achtererfgebied

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwwerk is gelegen in het achtererfgebied van [partij]. Zij voert hiertoe aan dat het perceel recht achter haar woning is gelegen en het bouwwerk derhalve niet door [partij] omgevingsvergunningvrij mag worden opgericht. Volgens haar is daarbij de kadastrale situatie niet van belang. Daarnaast verwijst [appellante] naar lid 6.2.1 van de planregels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wijzigingsplan [locatie 4] Boskoop" en voert zij aan dat het bouwwerk in strijd is met dit artikel, nu op het perceel slechts een bouwwerk van 16 m2  is toegestaan.

4.1.    Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Wijzigingsplan [locatie 4] Boskoop" de bestemming "Wonen". Ingevolge lid 6.1 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor vrijstaande bijgebouwen, overkappingen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen, erven, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van de bestemming. De inrichting van het perceelgedeelte als erf is derhalve niet verboden door het bestemmingsplan.

    Daarnaast staat het bouwwerk ten dienste van het gebruik dat [partij] maakt van zijn woning en is het perceel feitelijk ingericht als erf bij zijn woning. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat het bouwwerk is gelegen in het achtererfgebied. De omstandigheid dat het perceel waarop het bouwwerk is gebouwd is gelegen aan de achterzijde van het perceel van [appellante] brengt niet met zich dat het bouwwerk niet kan worden aangemerkt als gelegen in het achtererfgebied van [partij], nu voldaan is aan de in artikel 1 van bijlage II van het Bor opgenomen begripsomschrijving van achtererfgebied. Anders dan [appellante] stelt heeft de rechtbank in navolging van het college de kadastrale situatie niet van doorslaggevend belang geacht, maar is beoordeeld of voldaan is aan de in artikel 1 van bijlage II van het Bor opgenomen begripsomschrijving.

    Voor de in artikel 2 van bijlage II van het Bor genoemde gevallen is niet van belang of het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan wordt gebouwd. In zoverre is dan ook niet van belang of het bouwwerk in strijd met lid 6.2.1 van de planregels is gebouwd, nu het bouwwerk omgevingsvergunningvrij mag worden opgericht.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2017

700. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]."

Besluit omgevingsrecht

    

Artikel 2.3

"1. In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van bijlage II.

2. In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II."

Artikel 1 van bijlage II

"In deze bijlage wordt verstaan onder:

achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

[…];

erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden."

Artikel 2, aanhef en onder 3, van bijlage II

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1° 4 m;

2° 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3° het hoofdgebouw,

b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1o indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:

maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

2o functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

d. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,

e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1° in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,

2° in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

3° in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,

g. niet aan of bij:

1° een woonwagen,

2° een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben,

3° een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

[…]."