Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2137

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
201606574/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:3278, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2015 heeft het college een verzoek van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] om handhaving van de bestemming van het perceel [locatie] te Rijs (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606574/1/A1.

Datum uitspraak: 9 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], handelend onder de naam De Teatertún, wonend te Rijs, gemeente De Fryske Marren,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Rijs,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 11 juli 2016 in zaak nrs. 16/2005 en 16/2006 in het geding tussen:

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2015 heeft het college een verzoek van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] om handhaving van de bestemming van het perceel [locatie] te Rijs (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 1 april 2016 heeft het college het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 21 augustus 2015 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 11 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 april 2016 vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift beslist met inachtneming van deze uitspaak. Voorts heeft de rechtbank het college opgedragen om binnen twee weken na de bekendmaking van deze uitspraak te voorzien in een of meerdere toezichthouder(s), die tevens zullen optreden als contactambtenaar voor de klachten/meldingen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] over De Teatertún, en te voorzien in een telefoonnummer waarmee [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] de toezichthouder/contactambtenaar direct kunnen bereiken. Tot slot heeft de rechtbank het college gelast om de betrokken toezichthouder op te dragen dat deze bij een serieuze klacht/melding onverwijld naar het perceel gaat en onderzoek doet, ongeacht het tijdstip van de klacht/melding, en daarvan rapport opmaakt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2017, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door diens zoon [zoon], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. J.S. Leenstra, zijn verschenen.

Overwegingen

Hoger beroep van [appellant sub 1]

1.    Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

    "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

Artikel 6:8, eerste lid, luidt:

    "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

Artikel 6:11 luidt:

    "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

Artikel 6:24 luidt:

    "Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6.12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel hoger beroep in cassatie kan worden ingesteld."

1.1.    De aangevallen uitspraak is verzonden op 11 juli 2016, zodat de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van de Awb is aangevangen op 12 juli 2016 en is geëindigd op 22 augustus 2016.

1.2.    Niet in geschil is dat het hogerberoepschrift, zoals blijkt uit de verzendsticker op de envelop, is verzonden op 24 augustus 2016 en dat deze daarom niet binnen de termijn is ingediend. Derhalve is het hoger beroep niet tijdig ingesteld.

1.3.    Ter zitting van de Afdeling is [appellant sub 1] in de gelegenheid gesteld eventuele redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat de oorzaak van de termijnoverschrijding is gelegen in het feit dat hij geen advocaat kan betalen. Daarom staat zijn  zoon hem bij, maar voor hem is het voeren van juridische procedures geen dagelijkse kost en kost dit dus tijd. Zijn zoon moest bovendien voor zijn werk enige tijd naar het buitenland. Daardoor kon overleg over het hogerberoepschrift pas laat plaatsvinden en is het hogerberoepschrift enkele dagen na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep verzonden, aldus [appellant sub 1].  

    De door [appellant sub 1] aangevoerde omstandigheden zijn geen omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat zijn zoon meer tijd nodig zou hebben voor het opstellen van gronden dan een professionele rechtsbijstandverlener en voor zijn werk naar het buitenland moest, komt voor risico van [appellant sub 1]. Deze omstandigheden hadden [appellant sub 1] er niet van hoeven te weerhouden tijdig hoger beroep in te stellen onder aankondiging van een aanvulling van de gronden.

    Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant sub 1] in verzuim is geweest, zodat het achterwege blijven van niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 6:11, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, niet aan de orde is.

2.    Het hoger beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]

3.    Artikel 8:111, eerste lid, luidt:

    "Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, tenzij die niet-ontvankelijkheid het gevolg is van:

a. overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep,

(…)"

3.1.    Nu het hoger beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is omdat dit te laat is ingediend, volgt uit artikel 8:111, eerste lid, van de Awb dat het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] eveneens niet-ontvankelijk is.

Proceskostenveroordeling

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Van Dijken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2017

595.